artikel

‘We weten nog zo weinig’

Geen categorie

Gelukkig zijn de klachten niet allemaal even ernstig. Het is als een aftelsom: de helft van de mensen met klachten, dat is grofweg een op de tien, gaat ermee naar de dokter, slikt medicijnen of ervaart beperkingen in het dagelijks functioneren. Tien procent daarvan (dus een op de honderd) verzuimt meer dan drie maanden. Wat betreft arbeidsongeschiktheid zijn RSI-klachten verantwoordelijk voor ‘maar’ zes procent van de instroom.

 

Bongers: ‘Dat lijkt niet zoveel, maar het gaat wel om circa zesduizend mensen die ieder jaar de WAO instromen. Kortom: RSI is geen modeverschijnsel.’

 

Dat de RSI-problematiek zich niet beperkt tot Nederland, zoals wel eens wordt beweerd, laten onderzoeksresultaten uit diverse Europese landen zien. Daaruit blijkt dat er in Nederland weliswaar meer aandacht is voor RSI, maar dat Italie, Finland, Zweden, Ierland en Griekenland ons land overtreffen wat betreft het percentage RSI-klachten. Dat moet een geruststelling zijn voor degenen die denken dat RSI alleen maar hier zou voorkomen.

 

De verhandeling van Bongers over ergonomische omstandigheden als mogelijke oorzaak van RSI deed veel stof opwaaien. Een aantal arbocoordinatoren kwam hierdoor zelfs in het eigen bedrijf onder druk te staan. Het ging om het volgende. Bongers gaf aan dat bij computerwerk houdingverbetering minder relevant lijkt dan het verminderen van de aangesloten werkduur. ‘Sommigen hebben dat erg letterlijk opgevat, terwijl de houding natuurlijk ook in orde moet zijn. Dat is een basisvereiste. Maar daarmee ben je er nog niet’, aldus Bongers.

 

‘Te lang computeren is en blijft riskant, ook bij een goede werkhouding.’

 

Vertaald naar de dagelijkse praktijk betekent dit dat het geven van houdings- en werkplekadviezen zinvol blijft.

 

Wel moet daarbij de noodzaak tot regelmatig pauzeren worden benadrukt.

 

Er wordt wel gezegd dat perfectionistische mensen meer risico lopen op het krijgen van RSIklachten.

 

Bongers geeft aan dat dit niet zo zwart-wit kan worden gesteld. ‘We weten het niet en de allereerste gegevens wijzen er vooralsnog ook niet op.’ Ze laat daarmee zien dat voorzichtig moet worden omgesprongen met theorieen over het ontstaan van RSI. Strikt genomen zou uit dat oogpunt een aantal publicaties over RSI moeten worden herzien.

 

Wel onderschrijft Bongers de stelling dat vrouwen een verhoogd risico hebben van RSI. Hoe dat komt is nog onduidelijk. ‘Het kan komen doordat vrouwen vaker eenzijdig repeterend werk doen, want zij lijken bij dezelfde belasting niet meer klachten te rapporteren. Wel lijken zij minder makkelijk te ontspannen en worden zij anders behandeld door de bedrijfsarts dan hun mannelijke collega’s. Ook verzuimen vrouwen langer. Of dit komt door een andere behandeling of ander ziektegedrag weten we niet. Het is in ieder geval een punt waar de praktijk alert op moet zijn.’

 

Opmerkelijk is Bongers’ nuancering van het belang van vroege herkenning. Gangbaar is het motto ‘hoe vroeger, hoe beter’.

 

Mensen met beginnende klachten worden ook wel als risicogroep aangemerkt. ‘Als je te vroeg ingrijpt bij klachten die grotendeels vanzelf overgaan, besteed je tijd, energie en geld waar dat niet hoeft. ‘Hoe vroeger, hoe beter’ geldt dus niet per se voor de behandeling’, benadrukt Bongers. ‘Dat geldt overigens wel voor het geven van goede voorlichting en betrokkenheid.’

 

In dat kader benadrukt Bongers het belang van een goede diagnose.

 

En dan niet zozeer door iemand het ‘etiket’ RSI op te plakken, als wel door nauwkeurig vast te stellen om welke klachten het gaat en wat mogelijke oorzaken zijn. ‘Vaak gebeurt dat te laat of worden bepaalde aandoeningen niet uitgesloten’, aldus Bongers.

 

Bij de behandeling van RSI-klachten moet volgens haar minder nadruk worden gelegd op de klachten. ‘De behandeling moet zich vooral richten op het functioneren.

 

Populair gezegd moet je kijken naar wat iemand nog wel kan en hem of haar ook betrokken houden bij het werk.

 

Dat geeft veel meer ruimte voor herstel.’ Overigens blijkt anno 2003 nog weinig bekend over een effectieve behandeling bij RSI-klachten. ‘Er wordt van alles aangeboden, van rust en oefentherapie tot biofeedback, acupunctuur en gedragsmatige therapie, maar van geen enkele behandelwijze is aangetoond of die werkt. Eigenlijk weten we nog steeds niet wat het beste is.’

 

BODY@WORK

 

Paulien Bongers is aangesteld als bijzonder hoogleraar ‘Preventie klachten van het bewegingsapparaat bij intensivering van arbeid’ bij Body@Work. Dit is een gezamenlijk initiatief van TNO Arbeid, het Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek (EMGO) van het VU Medisch Centrum en TNO Preventie en Gezondheid. De Faculteit der Bewegingswetenschappen participeert ook. Het onderzoekscentrum is gestart in 2002 en richt zich op twee speerpunten: preventie van werkgerelateerde klachten aan het bewegingsapparaat en lichamelijke inactiviteit. Door de krachten te bundelen en gezamenlijk naar buiten te treden wil men de kennis op deze gebieden versterken en uitbreiden. Doel is actief bij te dragen aan het oplossen en voorkomen van deze problematiek. Body@Work richt zich op wetenschappers, beleidsmakers en beslissers in het bedrijfsleven en bij de overheid. De organisatie beschikt over een budget van 3,63 miljoen euro voor de komende vijf jaar. vragen over RSI, is Bongers een stuk terughoudender. ‘Op basis van bestaand onderzoek kan ik die niet geven. We weten eigenlijk nog bedroevend weinig’. In haar oratie vergeleek Bongers de huidige kennis over RSI met uitspraken van Karin Spaink over het chronisch vermoeidheidssyndroom.

 

‘Er bestaan drie zekerheden: je gaat er niet aan dood, het kan overgaan en verder weten we het ook niet.’

 

Oorzaak hiervoor is volgens haar dat er weinig goed onderzoek beschikbaar is over ontstaan, preventie en behandeling van RSI. Bongers: ‘De afgelopen jaren is veel slecht onderzoek gedaan.

 

Vooral op methodologisch gebied valt er veel op aan te merken.

 

Dat mogen de wetenschappers zichzelf best aanrekenen. Gelukkig is daar de laatste tijd wel verandering in gekomen. Maar goed wetenschappelijk onderzoek kost veel geld en daar ontbreekt het vaak aan.’

 

Met de oprichting van Body@Work kan daar verandering in komen. Bongers: ‘De prioriteit ligt bij het beter zicht krijgen op effectieve maatregelen op het gebied van preventie en behandeling van RSI. Daarbij onderscheid ik globaal twee soorten onderzoek. De eerste vorm is meer fundamenteel en gericht op het ontstaan van RSI. De tweede soort richt zich op de maatregelen. Beide soorten onderzoek kunnen gelijktijdig plaatsvinden, want je hoeft niet per se alle ins en outs van het ontstaan van RSI te weten om een visie op de beste behandelmethode te ontwikkelen.’

 

 

Om over tien jaar een beter antwoord te kunnen geven op de belangrijkste vragen over RSI en bij te dragen aan het effectief oplossen van deze problematiek, schetst Bongers haar onderzoeksagenda om de achterstand in te lopen. Een aanzienlijke lijst, waarvan een behoorlijk aantal onderzoeken inmiddels is opgestart.

 

Een onderzoek richt zich daarbij op risicofactoren en interventies bij beeldschermwerk.

 

Bongers: ‘Het lijkt misschien moeilijk voor te stellen, maar we weten nog onvoldoende over de specifieke risico’s en effectieve oplossingen wat betreft beeldschermwerk.’

 

Ook zijn Bongers en haar team begonnen aan onderzoek naar de preventie bij beginnende klachten. ‘Om erger te voorkomen, worden bij beginnende RSIklachten verschillende adviezen gegeven. Wij gaan na waar deze groep het meeste profijt van heeft: een op maat gesneden programma om meer te gaan bewegen, aanpassingen in het werk of juist een combinatie daarvan’, vertelt ze. Daarnaast wordt het effect van een multidisciplinaire aanpak ter behandeling van chronische RSI-klachten onderzocht.

 

Gegevens uit Deens onderzoek zal zij gebruiken om te onderzoeken in hoeverre plichtsgetrouwe mensen een verhoogd risico hebben op RSI-klachten.

 

Tot slot wordt ook nog gekeken naar de vraag hoe het komt dat vrouwen een verhoogd risico hebben van klachten aan het bewegingsapparaat.

 

MEER INFO

 

Kijk voor meer informatie op www.bodyatwork.nl. Op deze website staat ook de oratie van Paulien Bongers.

 

 

Reageer op dit artikel