artikel

Werkgebonden rugpijn: weg naar herstel

Geen categorie

Over rugpijn is erg veel gezegd en geschreven. Dankzij het steeds evoluerende empirische onderzoek weten we nu meer en beter dan pakweg twintig jaar geleden. De biomechanische traditie heeft ons bijvoorbeeld geleerd dat eenmalige of herhaalde en intense mechanische belasting bepaald spierweefsel en/of structuren in de rug kan aantasten. Dit kan pijn en op termijn ook functiebeperkingen met zich meebrengen. Ter voorkoming en vermindering van klachten lijkt het daarom voldoende en zinvol om fysieke belasting op de werkplek te minimaliseren en ondersteuning te bieden via hulpmiddelen. Om deze vormen van primaire preventie kracht bij te zetten, menen rugscholen dat ook de belastbaarheid van werknemers aangezwengeld moet worden, bijvoorbeeld via groepsgewijze hef- en tiltrainingen of individuele intensieve spieropbouw. Los van het feit dat deze aanpak in een aantal gevallen ongetwijfeld soelaas biedt, blijft een aantal vragen onbeantwoord. Hoe komt het bijvoorbeeld dat niet iedereen met rugpijn zich per definitie ernstig beperkt voelt, maar ondanks een permanent klachtenpatroon er toch in slaagt succesvol te blijven functioneren? En hoe kan het dat sommige werknemers lang na het herstel van letsel en na eventuele aanpassing van de werkbelasting toch pijn blijven rapporteren en zelfs chronische pijnpatienten worden? Een verklarende visie, geponeerd vanuit de meer klinisch georienteerde onderzoekstraditie, is de idee dat lichamelijk letsel in veel gevallen niet rechtstreeks en niet per definitie uitmondt in pijnklachten en daaraan gerelateerde beperkingen. Naast biomedische factoren kunnen echter ook culturele, psychosociale en psychologische factoren een ernstige impact hebben.

 

Ook goedbedoelde adviezen van de huisarts of bedrijfsarts (‘rust maar wat als je pijn voelt’), cultureel bepaalde of familiaal heersende normen (het pamperen van de patient), persoonlijke opvattingen of misvattingen, percepties en verwachtingen spelen ten aanzien van arbeid en pijn een belangrijke rol in de presentatie van het rugpijnprobleem en het verloop van de behandeling en het herstel. Eerder is al meermaals aangetoond dat niet zozeer biomedische of pijnkarakteristieken (zoals pijnlokalisatie en pijnintensiteit) de ervaren dagelijkse beperkingen of het aantal verzuimdagen voorspelden, maar veeleer de overtuiging dat bepaalde bewegingen de pijn zullen verergeren (vrees voor beweging).

 

Dat rugpijn een multifactoriele oorsprong kent, en dus ook als zodanig moet worden aangepakt, is een internationaal bekend gegeven. Toch is die aanpak in Nederland en Belgie tot dusver nauwelijks getoetst, noch in een longitudinaal onderzoek, noch bij een werknemerspopulatie. In dit kader is eind jaren negentig met financiele steun van EU Interreg II (EMR. INT2.97.10.V.061) een Euregionaal en grensoverschrijdend samenwerkingsverband opgericht onder de projectnaam Euro Back Unit (EBU). De unit verrichtte een prospectieve cohortstudie, waarin is nagegaan hoe fysieke belasting, psychosociale en psychologische factoren het ontstaan of verergeren van werkgebonden rugklachten, de verzuimduur of het herstel kunnen verklaren.

 

Aan het onderzoek namen werknemers deel van tien in hoofdzaak industriele bedrijven in Belgie en Nederland. Met behulp van een baseline en follow-up vragenlijst werden de volgende factoren gemeten:

 

– de duur van rugpijnepisodes in het afgelopen jaar; – pijnkarakteristieken (o.a. huidige pijnintensiteit, uitstralende pijn);

 

– duur van ziekteverzuim door rugpijn;

 

– herstel;

 

– sociodemografische factoren (geslacht, leeftijd, opleiding);

 

– fysieke werkbelasting (o.a. het dragen van zware lasten, het vooroverbuigen en draaien van de romp, gedurende een lange periode in dezelfde houding werken, repetitieve bewegingen, whole body vibrations enzovoort);

 

– werkvereisten, beslissingsruimte, sociale steun en werkontevredenheid;

 

– negatieve affectiviteit, psychosomatisch onwelbevinden en opvattingen over rugletsels en werkgebonden activiteit of beweging (o.a. vrees voor beweging).

 

Bij aanvang werden 11.000 werknemers uitgenodigd voor deelname aan het onderzoek. Hiervan gaven slechts 1.325 mensen toestemming en vulden de basisvragenlijst in (een respons van twaalf procent). De onderzoekspopulatie had een gemiddelde leeftijd van 39 jaar en bestond voor bijna 89 procent uit mannen. Ongeveer de helft hiervan was laaggeschoold, 89 procent woonde samen met een partner en 58 procent had de zorg over inwonende kinderen. Van de deelnemers rapporteert slechts 31 procent helemaal geen rugpijn te hebben gehad in het afgelopen jaar. Kortdurende rugpijn werd door 36 procent gerapporteerd, langdurende rugpijn door 33 procent. Ondanks de aanwezigheid van rugpijn, gaf ruim 65 procent aan het afgelopen jaar daardoor niet te hebben verzuimd. Bijna 27 procent meldde kortdurend te hebben verzuimd (tussen een dag en dertig dagen) en 8 procent verklaarde minstens dertig dagen te zijn thuisgebleven vanwege te erge rugpijn.

 

Een cross-sectionele analyse van de resultaten liet zien dat rugpijn en ziekteverzuim niet per definitie met dezelfde factoren samenhangen. Ook blijken ‘verklaringen’ voor rugpijn en verzuim naar gelang de duur ervan te verschillen. Zo hangt kortdurende rugpijn (een tot dertig dagen in het afgelopen jaar) vooral samen met zware fysieke werkbelasting, ervaren taakinspanning en een negatieve gemoedstoestand. Van een verhoogde kans op langdurige rugpijn (meer dan dertig dagen) is vooral sprake bij als ernstig ervaren pijnklachten, significante uitstralende pijn naar enkels of voeten en een hoge mate van vrees voor werkgebonden activiteiten. Ook wees de analyse uit dat kortdurend ziekteverzuim (een dag tot dertig dagen in het afgelopen jaar) duidelijk samenhangt met de mate van pijnintensiteit, zware fysieke werkbelasting, een gebrek aan beslissingsruimte op het werk en een hoge score voor vrees voor letsel door beweging. Langdurig ziekteverzuim (meer dan dertig dagen) wordt in sterke mate bepaald door de mate van uitstralende pijn naar enkels of voeten en de vrees voor letsel door beweging. Ook de mate waarin men zich functioneel of sociaal beperkt voelt door rugklachten, hangt samen met de mate van pijnintensiteit en bewegingsvrees. Belangrijke kanttekening bij deze eerste resultaten is dat de gevonden verbanden gezien het karakter van de analyse (cross-sectioneel) niet verheven mogen worden tot ‘oorzaken van’.

 

Recent is ook gestart met de analyse van de followup gegevens, gemeten achttien maanden na de basismeting. Omdat op baseline zowel werknemers zonder als met rugpijn deelnamen, was het mogelijk het verloop van rugpijn (herstel versus chronisch worden) te evalueren. De eerste resultaten geven een beter idee van risicofactoren voor het ontstaan van rugpijn en prognostische factoren die van belang zijn in het proces van hetzij herstel, hetzij het chronisch worden van rugpijn.

 

De analyse laat zien dat het ontstaan van klachten (meer dan een dag rugpijn in het afgelopen jaar) wordt voorspeld door fysieke belasting, en dan vooral de mate van manuele materiaalbehandeling (tillen en heffen) en repetitieve handelingen. Ook de aanwezigheid van andere pijnklachten (nekklachten het jaar ervoor) werkt het ontstaan van rugpijn kennelijk in de hand.

 

Interessant was het model waarmee is gekeken naar voorspellers van herstel. Centrale vraag hierbij was wie er achttien maanden na het krijgen van rugpijn geen klachten meer hadden. De belangrijkste stappen naar herstel bleken de afwezigheid van uitstralende pijn naar de knieen, voldoende werkgebonden beslissingsruimte, niet kampen met vrees voor letsels of herbeschadiging door beweging. Klachten aan de bovenste ledematen en de duur van rugpijn het jaar ervoor blijken de kans op herstel aanzienlijk te verkleinen.

 

Bij de analyse van gegevens uit de follow-up is ook nagegaan welke factoren bepalen of een werknemer kans maakt op chronische rugklachten. De overgang van kortdurende naar langdurige rugpijn is vooral toe te schrijven aan de mate van pijnintensiteit in het jaar ervoor, uitstralende pijn naar de enkels/voeten en hoge psychologische werkeisen. De trend die de resultaten laten zien, bevestigt de bevindingen uit eerder onderzoek, namelijk dat biomechanische variabelen (zoals fysieke belasting) vooral een rol spelen bij het ontstaan van rugpijn. Psychologische of psychosociale factoren domineren vooral in het chronisch worden van pijn, de ervaren beperkingen en werkverzuim.

 

De resultaten van het EBU-onderzoeksproject bieden aanknopingspunten voor primaire, secundaire en eventueel tertiaire preventie. Werk dat getypeerd wordt door zware fysieke belasting, kan het ontstaan van rugpijn veroorzaken, eventueel samenhangend met (kortdurend) verzuim. Om de belasting van werknemers te minimaliseren en de houdingshygiene te verbeteren, moet het toepassen van ergonomische richtlijnen onbetwistbaar een aandachtspunt blijven. Recent onderzoek laat overigens zien dat de mate waarin hierbij aandacht wordt besteed aan de attitudes en opvattingen van werknemers ten aanzien van de gewenste gedragswijziging cruciaal zijn. Om de

 

belastbaarheid van de betrokkenen op te bouwen, bieden rugscholen in het kader van reintegratieprogramma’s individuele of collectieve trainingen aan. Hierbij is overigens wel gebleken dat rugscholing (slechts) het meest effectief is in de acute fase van het probleem.

 

De onderzoeksresultaten maken ook duidelijk dat te hoge psychische werkbelasting en te weinig beslissingsruimte de duur van rugpijn en het ziekteverzuim verlengen. Eenvoudigweg tijd maken voor overleg met de betrokkenen over hoe werkkenmerken zijn bij te sturen, kan op verschillende vlakken effect sorteren. Het serieus nemen van een noodkreet en het samen nagaan welke mogelijkheden tot verbetering er bestaan, inclusief het ter harte nemen van suggesties die van de werkvloer afkomstig zijn, verhogen bij werknemers het gevoel van verantwoordelijkheid en zelfcontrole.

 

Ten slotte, en zeker niet onbelangrijk, is de bevinding dat vrees- en vermijdingsgedachten (of misvattingen over de relatie tussen beweging en de vermeende verergering van rugletsels) niet alleen samenhangen met langdurige rugklachten en verzuim, maar ook het herstel kunnen verhinderen. Het is dan ook van belang dat behandelingsonderdelen in multidisciplinaire rehabilitatieprogramma’s niet alleen het functieherstel en de pijnvermindering beogen. Vooral onderdelen als psycho-educatie, operante ‘graded activity’ of ‘exposure in vivo’, gericht op het corrigeren van disfunctionele attitudes en opvattingen over rugpijn en fysieke activiteit, kunnen op korte en lange termijn bijzonder effectief en succesvol zijn.

 

TABEL 1. VREES VOOR PIJN/LETSEL VERERGERT FUNCTIONELE EN SOCIALE BEPERKINGEN OP VERSCHILLENDE MANIEREN

 

 

Vrees veroorzaakt vermijdingsgedrag. Activiteiten waarvan verwacht wordt dat ze pijn of letsel teweegbrengen, worden immers niet meer uitgevoerd: dit belemmert de uitvoering van een aantal taken.

 

 

Vermijdingsgedrag is hardnekkig. Juist doordat men activiteiten vermijdt, doen zich weinig gelegenheden voor waarbij men de misvattingen over de relatie tussen activiteiten en pijn kan bijsturen of corrigeren.

 

 

Langdurige vermijding van fysieke activiteiten kan leiden tot een algemene verslechtering van de fysieke conditie. Een slechte lichaamsconditie kan het pijnprobleem intensiveren.

 

 

Reageer op dit artikel