artikel

Delft pakt verzuim structureel aan

Gezond werken

Maar de nieuwe maatregelen van het arboteam waren niet voldoende om het langdurig ziekteverzuim aan te pakken. We ontdekten dat er voor een medewerker met een complex medisch dossier of een medewerker die wel arbeidsgeschikt is voor een functie maar niet meer in de functie past, een bredere aanpak nodig was. Dit resulteerde in een nauwere samenwerking met de afdeling Rechtspositie, P&O-adviseurs en een externe partner: het UWV. Zo kregen we langzaam maar zeker grip op de mogelijke beoordeling van het UWV bij een WIA-aanvraag of WAO-heronderzoek.

 

Eind 2006 hebben de P&O-adviseurs, rechtspositiespecialisten, reintegratieadviseurs, bedrijfsarts en de arboverpleegkundige een gezamenlijke cursus ‘Arbeidsongeschiktheid wegens ziekte’ gevolgd. Tijdens de cursus werd besloten dat een van de P&O-specialisten de regierol over het reintegratieproces voor zijn rekening moest nemen.

 

Deze zogeheten ‘reintegratieadviseur’ begon met het in kaart brengen van de langdurig zieke medewerkers op de verschillende afdelingen, met inbegrip van de stand van zaken rond de reintegratie op dat moment.

 

De Verbaannorm geeft managers een indicatie van het haalbare verzuimniveau in hun organisatie, afgezet tegen het ingeschatte, haalbare verzuim in heel Nederland. De norm maakt gebruik van twee belangrijke variabelen: de leeftijd en het werkniveau, allebei verdeeld in vijf klassen. De verzuimnorm maakt het mogelijk op eenduidige wijze een doel te stellen ter verlaging van het ziekteverzuim.

 

(Bron: Falke & Verbaan)

 

 

Vanaf januari 2007 nemen de reintegratieadviseur (regie), de P&O-adviseur en de rechtspositiespecialist elk kwartaal gezamenlijk alle langdurig (minimaal zes weken) zieke medewerkers door. Zonodig is er vaker overleg. In dit reintegratieoverleg worden ‘spijkers met koppen geslagen’. Alles wat niet medisch is, komt ter tafel: stagnatie, eerste en tweede spoor, interventies en loonwaarde. Vanaf het derde kwartaal 2007 nemen ook het bedrijfsmaatschappelijk werk en de mobiliteitsmedewerker aan dit overleg deel.

 

Om adequaat en goed geinformeerd te zijn heeft de reintegratieadviseur wekelijks overleg met de bedrijfsarts en arboverpleegkundige. In dit overleg wordt het WVP-dossier (Wet Verbetering Poortwachter) in de dertiende week aan de reintegratieadviseur overgedragen en wordt er informatie uitgewisseld die van invloed kan zijn op het reintegratietraject en op de medische begeleiding. Vervolgens vindt er eenmaal per twee weken overleg plaats met het bedrijfsmaatschappelijk werk en de medewerker mobiliteit.

 

Alle deelnemers zijn erg enthousiast over deze werkwijze. Zij wordt ervaren als het gezamenlijk aan een ‘casus’ werken, waarbij ieders specialisme wordt gerespecteerd. Deze werkwijze leert ons dat de invoering van een regisseur van het reintegratieproces een goede keuze was. Als een spin in het web biedt hij duidelijkheid voor alle betrokkenen in het proces. Er is een aanspreekpunt waar alle lijntjes van de te nemen stappen in het WVP-traject samenkomen.

 

Het SMO krijgt door de invoering en het succes van het reintegratieoverleg langzaam een andere invulling. Er komt nu ruimte voor beleidsaspecten die te maken hebben met kort frequent verzuim en analyse van het verzuim. Ook ziet het ernaar uit dat de bedrijfsarts meer de rol krijgt van medisch adviseur bij trajecten die medisch ingewikkeld zijn. Als er in verband met medische vragen behoefte is aan een individuele SMO, kunnen de leidinggevende en de P&O-adviseur een afspraak maken met de bedrijfsarts of de arboverpleegkundige.

 

We zien dat de nieuwe aanpak en overlegstructuren hun eerste vruchten afwerpen. De leidinggevenden beginnen langzaam op een andere manier tegen verzuim en reintegratie aan te kijken. Van ‘het is dat het moet’ naar ‘he het levert wat op’.

 

Het langdurig verzuim was op 31 december 2006 6,5 procent.

 

Reageer op dit artikel