artikel

Beoordelen blootstelling oplosmiddelen

Persoonlijke beschermingsmiddelen

In plaats van een meting kon het straal- en spuitbedrijf dus ook een schatting laten uitvoeren.

 

Wij stelden echter voor om de blootstelling te laten berekenen. Dat levert namelijk een nauwkeuriger resultaat op. Omdat ook berekenen veel goedkoper is dan meten, mochten we van de opdrachtgever aan de slag gaan.

 

We berekenden de blootstelling als volgt. Aan de hand van de maximale en gemiddelde hoeveelheden verspoten producten, hun samenstellingen en het ventilatie- of afzuigingsdebiet stelden we de maximale en gemiddelde concentraties oplosmiddelen vast. Hiervoor vermenigvuldigden we van ieder product de benodigde hoeveelheid geventileerde lucht (m3 lucht per liter product) met het gemiddelde respectievelijk maximale verbruik (liter product/ werktijd). De benodigde hoeveelheden lucht berekenden we uit de soorten en hoeveelheden oplosmiddel in het product (volgens de opgave in de veiligheidsinformatiebladen). De gegevens over het verbruik van het product kregen we van de opdrachtgever. Aan de hand van de maximaal aanvaarde concentraties (MAC-waarden) van de stoffen en de hoeveelheden vluchtige organische stoffen (VOS) konden we vervolgens eenvoudig bepalen voor hoeveel luchtverversing (m3 lucht) de opdrachtgever moet zorgen om blootstelling onder de MAC-waarden te houden. Hiervoor hoefden we alleen de hoeveelheden VOS (milligram) te delen door de respectievelijke MAC-waarden (milligram/m3 lucht). Immers, de benodigde hoeveelheid luchtverversing [m3 lucht] = de hoeveelheid VOS [milligram]/MAC-waarde [milligram/m3 lucht]. Dit geldt per liter gebruikt product.

 

Deze methode is conservatief (worst case). Daardoor is er altijd sprake van een zekere overschatting van de blootstelling. Dit komt allereerst doordat altijd de maximumwaarden worden gehanteerd van de percentages VOS uit de veiligheidsinformatiebladen (VIB’s). Hierdoor kan een product dus als het ware meer dan honderd procent oplosmiddelen bevatten. Ten tweede wordt ervan uitgegaan dat alle VOS in een keer vrijkomen. De relatie met dampspanning en temperatuur wordt dus buiten beschouwing gelaten, evenals het onderscheid tussen het vrijkomen van VOS in de eerste en latere fase van de filmvorming. Ook het effect van diffundering van VOS in het substraat en in de film wordt niet meenomen.

 

Onze opdrachtgever was tevreden en vroeg ons om een presentatie te geven over onze beoordelingsmethode op de VMB-symposia tijdens de European Subcontracting and Engineering Fare (ESEF) 2004 in Utrecht. Daar toonden de branchevereniging van schilders- en onderhoudsbedrijven (FOSAG) en die van de metaalbeschermingsbedrijven (VMB) belangstelling voor onze berekeningsmethode. FOSAG en VMB waren op zoek naar een simpel en eenvoudig hanteerbaar rekenmodel, waarmee hun leden zelf de blootstelling kunnen berekenen en dat een verantwoorde indicatie van de maximale blootstelling geeft. De brancheverenigingen zagen brood in ons model en besloten het hun leden aan te bieden. Om aan hun eisen te voldoen hoefden we alleen de wijze waarop de gegevens in het model worden ingevoerd sterk te vereenvoudigen. Zo wordt er nu gebruik gemaakt van gekleurde invulvelden en van een keuzemenu van oplosmiddelen waarmee direct het CAS-nummer, het soortelijk gewicht en de MAC-waarden worden gegenereerd.

 

Voor dit project was medewerking van de Arbeidsinspectie nodig. Bij een controle moet de dienst de rekenmethode immers wel als beoordelingsmethode accepteren. Daarom is met de Arbeidsinspectie afgesproken om bij vier bedrijven in verschillende situaties – zowel in spuithallen als in besloten ruimten – de rekenmethode te vergelijken met metingen. Op die manier konden de berekeningen worden gevalideerd. Zoals verondersteld, bleken de berekeningen altijd hoger uit te komen dan de metingen. Alleen in besloten ruimten benaderden

 

de berekende waarden de meetwaarden. Dat was te verwachten, omdat de omstandigheden in besloten ruimten goed gedefinieerd zijn. Doorgaans is er maar een spuiter aanwezig, vinden er geen andere activiteiten plaats, is de ruimte vast gedimensioneerd en gaan er geen deuren open en dicht. De ventilatie wordt dus volledig bepaald door de aanwezige voorzieningen.

 

REQUIRED AIR RATE

 

Aad Duivestein bedacht de in dit artikel beschreven methode zelf, om er later achter te komen dat ze al bestond als RAR (Required Air Rate). Vervenproducent Sigma gebruikt de RAR om de benodigde luchtverversing te berekenen die hij als extra service op het VIB vermeldt. Volgens de Arbeidsinspectie is de berekeningsmethode tot nu toe echter nooit eerder gebruikt als beoordelingsmethode.

 

 

Bij de gebruikte methode dienen enige kanttekeningen te worden geplaatst.

 

1. Aangezien deze beoordeling plaatsvindt in het kader van de RI&E, moet een gecertificeerde Arbodienst haar toetsen. Voor een juiste beoordeling is het noodzakelijk dat een ter zake kundige arbeidshygienist de toetsing uitvoert of haar ten minste toetst. Dit vanwege de onderstaande punten. Daarnaast is de inzet van een arbeidshygienist ook wettelijk verplicht.

 

2. In de methode wordt geen rekening gehouden met de kans op opname die wordt bepaald door de eigenschappen van de stof (vluchtigheid), de verwerkingsmethode (spuitpistool, kwast), type werk (lichamelijk zwaar werk), temperatuur, het gebruik van PBM’s en hygiene.

 

3. Niet van ieder oplosmiddel is een MAC-waarde bekend. Daarom moet soms worden gezocht naar een vergelijkbare stof die wel een MAC-waarde heeft (geldt ook voor metingen).

 

4. Regelmatig zijn filters van afzuigwanden sterk vervuild, waardoor de afzuigcapaciteit van de wanden behoorlijk afneemt. Dit leidt uiteraard tot een verhoogde oplosmiddelenconcentratie in de hal. Aangezien in het model met het theoretische (maximale) volume van de afzuigkasten wordt gerekend, geeft het in deze situatie een lagere concentratie dan wanneer met het daadwerkelijke volume wordt gerekend.

 

5. Evenals bij een meting moet worden beoordeeld hoe met de stoffen wordt omgegaan. Aspecten die daarbij een rol spelen, zijn het gebruik van PBM’s, de manier waarop producten zijn opgeslagen, de wijze waarop verven worden aangemaakt en verfresten verwerkt, schoonmaken, enzovoort.

 

6. Overige activiteiten kunnen een aanmerkelijke invloed hebben op de blootstelling. Daarom moet ook rekening worden gehouden met de invloed van haldeuren die open en dicht gaan, andere werkzaamheden met oplosmiddelen (in aangrenzende hallen) en verkeerd ingestelde voorzieningen.

 

7. Net als een meting is de berekening slechts een beoordeling van de blootstelling via de ademhaling. Men moet bedacht zijn op eventuele huidopname.

 

8. Bij tweecomponentenverven reageren bepaalde stoffen van de basis en de harder met elkaar, waardoor ze niet meer als zelfstandige stof aanwezig zijn. Worden deze componenten wel in de berekening meegenomen, dan leidt dit tot een overschatting van het risico.

 

9. Stoffen die niet op het VIB vermeld staan, kunnen invloed hebben op de totale blootstelling (concentratie/MAC). Bepaalde verfcomponenten hoeven namelijk niet op het VIB te worden vermeld, omdat het product minder dan een procent van die stof bevat en oplosmiddelen doorgaans in de categorie irriterend vallen. Deze niet-vermelde stoffen kunnen echter een zeer lage MAC-waarde hebben. Cyclohexanol heeft bijvoorbeeld een MAC-waarde van 1 mg/m3, ruim drie keer lager dan die van het kankerverwekkende benzeen (3,25 mg/m3).

 

10. Om aan hun verplichtingen te voldoen, moeten werkgevers niet alleen de berekening uitvoeren, maar ook actie ondernemen indien nodig. De berekening is een hulpmiddel en geen doel op zich.

 

Ondanks de beperkingen van de methode, die de gevraagde eenvoud met zich meebrengt, zijn er goede resultaten mee geboekt. De methode leent zich in ieder geval goed voor het vergelijken van verschillende producten voor een bepaalde toepassing. Het enige wat nodig is, zijn het VIB van de verf (eventueel basiscomponent en de hardercomponent), het VIB van het gebruikte oplosmiddel en het PIB van het product in verband met de mengverhoudingen. Bij een volledige beoordeling moet verder nog de hoeveelheid te verwerken verf in relatie tot de verwerktijd (piekbelasting) worden meegenomen, evenals de werktijd (gemiddelde blootstelling), de aanwezige ventilatie en de grootte van de ruimte waarin wordt gewerkt (ventilatievoud).

 

De methode is een versimpeld model van de werkelijkheid en moet dat ook blijven. Maar met aanpassingen kan zij mogelijk de werkelijkheid meer benaderen. Echter zolang verfleveranciers op de VIB’s hun ‘geheim van de smid’ niet willen prijsgeven, kan er niet met nauwkeuriger samenstellingen worden gerekend en zullen aanpassingen slechts marginale verschillen opleveren. Daarom bekijken de FOSAG en de VMB momenteel of ze leveranciers bij de methode kunnen betrekken. De leveranciers hebben daar zelf ook baat bij. Stel namelijk dat leveranciers A en B hetzelfde product leveren (weliswaar onder een andere naam). Leverancier A geeft – een benadering van – de feitelijke samenstelling (of vult het model in en levert de berekende waarden), terwijl leverancier B blijft werken met concentratiebereiken, zoals 2,5-10%, 10-25% en 50-100%. In dat geval komt het product van A dus beter uit de verf dan dat van B. Van meer openheid kunnen dus zowel werkenden als verfleveranciers beter worden.

 

MEER INFO

 

De FOSAG/VM B heeft de lay-out van het model verbeterd en aanvankelijk op cd-rom uitgebracht. Voor leden is hij nu ook te vinden op www.blootstellingsbeoordeling.nl, waarop ook een handleiding van het rekenmodel staat.

 

 

Reageer op dit artikel