artikel

Elektrisch lassen en snijden

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Bij elektrisch lassen komt veel warmte vrij. Bij plasmasnijden bijvoorbeeld worden temperaturen bereikt van 10.000-15.000 °C. Door slak en wegspattende vonken, met name bij gutsen, kan ook op afstand van de werkplek brand ontstaan. Een tweede bron van brandgevaar vormen hete oppervlakken die in contact komen met brandbare stoffen. Verwijder brandbare stoffen en goederen of scherm ze af met bijvoorbeeld een stalen plaat of een lasdeken (verkrijgbaar in diverse onbrandbaarheidsgradaties). Bij laswerk op brandgevaarlijke plaatsen moet er een geschikt brandblusapparaat voorhanden zijn. Denk bij laswerk aan wand of vloer ook aan brandbare zaken aan de niet-werkkant. Bij lassen in een besloten ruimte is een water/ schuimblusser overigens het geeigende blusmiddel, niet de standaard poederblusser. Na gebruik van een poederblusser ziet men bij evacuatie namelijk geen hand meer voor ogen. Bovendien kan het poederblusmiddel extra schade aan de installatie veroorzaken. Dek putten en open riolen in de buurt af om te voorkomen dat lasspetters in de put of in het open riool terecht kunnen komen. Zorg verder voor een goede vluchtweg. Onderzoek de lasplaats en de omgeving op smeulend vuur na verrichte laswerkzaamheden.

 

Bij elektrisch lassen wordt de lasboog gevormd door een kortsluiting. Onder normale omstandigheden is de open boogspanning van lastransformatoren 65-85 Volt. Deze spanning kan dodelijk zijn als een goed geleidend contact tot stand komt tussen de lasser, het werkstuk en de elektrode. Het risico van elektrocutie is groter naarmate de werkruimte kleiner is. Gebruik daarom uitsluitend voedingskabels en laskabels die in goede staat verkeren. Zorg voor een goed geleidende verbinding tussen werkstukklem en werkstuk. Schakel na het lassen de hoofdschakelaar van de lastransformator uit.

 

Bij elektrisch lassen gebruikt de lasser, afhankelijk van het gekozen lasproces, toevoegingen die de kwaliteit van het laswerk verbeteren. Dit gebeurt door het lasbad af te schermen (beschermgas) of door aan het toevoegmateriaal (elektrodes) stoffen toe te voegen. Die stoffen verbranden in het lasbad en kunnen zo schadelijke dampen vormen.

 

De vrijkomende UV-straling vormt ozon in de lucht. Ozon is schadelijk bij inademing. De intensiteit van de straling – en daarmee de ozonconcentratie – neemt snel af met de afstand tot de lasboog.

 

Het te lassen oppervlak is vaak behandeld met een beschermende laag. Verwijder deze voor het lassen zoveel mogelijk, bijvoorbeeld door slijpen of stralen (denk aan de noodzakelijke pbm’s). Verwijder ook olie en vet, maar niet met chloorverbindingen. Deze kunnen in de lasvlam of door de lasstraling zeer giftige gassen vormen. Vermijd waar mogelijk lassen aan gegalvaniseerde oppervlakken. Verwijder de zinklaag op de lasplaats door bijvoorbeeld slijpen of stralen. Maak eventueel aanvullend gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen. Gebruik een verseluchtkap of persluchtmasker bij gebrek aan goede ventilatie of afzuiging.

 

Door de hoge temperatuur van de vlamboog ontstaat infrarode (IR) straling. Deze straling kan de onafgedekte huid bij overmatige blootstelling verbranden. Bij alle lasprocessen komt door de kortsluitboog ook veel ultraviolette (UV) straling vrij. Deze straling heeft de grootste intensiteit bij MIG- en TIG-lassen.

 

De straling kan door terugkaatsing ook schijnbaar veilige plaatsen bereiken en huidverbranding en ‘lasogen’ veroorzaken. Gebruik goed sluitende werkkleding die handen, armen en hals bedekt. Las – ook al is het nog zo warm – niet met onbedekt bovenlichaam, in verband met UV-straling. Personen in de omgeving van de lasplaats of die assisteren bij het lassen dragen dezelfde bescherming als de lasser. Gebruik een goede laskap met een lasruit, afgestemd op het uit te voeren lasproces. Plaats zo nodig een lasscherm om de blootstelling aan UV-straling tegen te gaan.

 

Gebruik altijd een afscherming bij het MAG-, MIG- of TIG-lassen, omdat bij deze lasprocessen sprake is van een zeer hoge UV-stralingsintensiteit.

 

Afhankelijk van het proces, de nevenwerkzaamheden en de omgeving van de lasser, kan schadelijk geluid ontstaan. Hiervan is sprake als het geluidsniveau 80 dB(A) overschrijdt.

 

Gebruik dus altijd gehoorbeschermingsmiddelen. Is het geluidsniveau van het lasproces zelf voldoende laag, dan is er altijd nog blootstelling aan geluid dat ontstaat door het verwijderen van slak of het slijpen van lasnaden. Sommige processen kunnen onder water worden uitgevoerd ter vermindering van het geluidsniveau.

 

De lasser voert zijn werkzaamheden vaak in een ongunstige houding uit (voorovergebogen, liggend, op de knieen). Ook het werken met de zware lasapparatuur en het dragen van beschermende kleding en ademhalingsapparatuur is fysiek belastend. Wissel daarom het lassen regelmatig af met andere, minder belastende werkzaamheden en pauzeer regelmatig. Bij lassen in een omgeving met een hoge omgevingstemperatuur, veroorzaakt door de opwarming van het te lassen materiaal, zijn extra voorzieningen nodig.

 

Het lasproces en de soort te bewerken materialen bepalen de mate waarin en de aard van de schadelijke stoffen die vrijkomen. Ventileer de gehele ruimte (ruimtelijke afzuiging) of maak gebruik van een verplaatsbare afzuiginstallatie (bronafzuiging).

 

Kies voor het lasproces een methode en materiaal die de gezondheid van de lasser zo min mogelijk belasten. Door onderzoek is goed bekend welke stoffen in welke mate vrijkomen bij specifieke lasprocessen. Op grond hiervan zijn lasprocessen en materialen ingedeeld in groepen. Zet men, naast de voorgeschreven voorzieningen, bronafzuiging met afvoer naar buiten als extra voorziening in, dan mag de capaciteit van de ruimteventilatie worden teruggebracht naar 1/5 deel van de oorspronkelijk voorgeschreven ventilatiecapaciteit.

 

Werk nooit alleen in een besloten ruimte zonder goede communicatiemogelijkheden met de buitenwereld of direct toezicht. Maak bij het lassen aan boord van schepen en in andere besloten ruimten gebruik van een lastransformator met een spanningsverlagend relais. Die brengt de open spanning van 65-85 Volt terug naar een veilige spanning.

 

Draag geen schoenen met spijkers, maar veiligheidsschoenen met kunststof of neopreen zool ter voorkoming van vonken. Gereedschappen, zoals een slijpmachine en een transporteerbare afzuiginstallatie, moeten dubbel geisoleerd zijn uitgevoerd bij werken met een spanning van 220 Volt. Bij een spanning van ten hoogste 50 Volt nominaal is dat niet nodig.

 

Reageer op dit artikel