artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Een uitzendkracht struikelt over een balk op de vloer van een metaalconstructiebedrijf. Zijn werkgever is aansprakelijk omdat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

 

Een ervaren uitzendkracht werkt als lasser bij een klein constructiebedrijf. In mei 2002 heeft hij een woordenwisseling met zijn voorman over de overwerkvergoeding. Hij verlaat kwaad het kantoor, loopt via een looproute naar een andere hal en struikelt over een ijzeren balk die vlak achter de verbindingsdeur tussen de twee ruimtes ligt. De balk is 12 meter lang en ruim 25 cm hoog en blokkeert de kortste looproute tussen de beide ruimtes. Hij ligt daar al enkele weken. De uitzendkracht loopt letsel op aan beide ellebogen. Hij vordert schadevergoeding. Hij vindt dat het inlenende bedrijf (verder: werkgever) tekort is geschoten in zijn zorgplicht door de (kortste) looproute te blokkeren met een groot obstakel.

 

De werkgever vindt dat er geen gevaarlijke situatie was. Het is immers inherent aan een metaalconstructiebedrijf dat her en der materialen op de vloer liggen. De werknemer was gezien zijn werkervaring met dat fenomeen bekend en lette gewoon niet goed op.

 

De kantonrechter wijst de vordering af, maar de werknemer gaat in beroep. Het hof stelt vast dat het erom gaat of de werkgever heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 7:658 lid 1 en 4 BW. De werkgever behoort datgene te doen dat redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Weliswaar constateerde de Arbeidsinspectie in een – zeer summier – rapport dat er geen overtreding van de Arbowet ’98 was, maar voor het voldoen aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW is het enkel naleven van wettelijke voorschriften niet voldoende. Door een ijzeren balk neer te leggen in een looproute waar dagelijks veel werknemers langskomen, heeft de werkgever de mogelijkheid geschapen dat iemand een keer over de balk struikelt. Uit ervaring blijkt dat werknemers niet continu opletten. De werkgever had daar rekening mee moeten houden. Het hof vernietigt de uitspraak van de kantonrechter en veroordeelt de werkgever tot vergoeding van de schade.

 

Gerechtshof Leeuwarden , 7 februari 2007, LJN AZ8317)

 

Twee werknemers verwonden zich door op een lopende rollenbaan te gaan zitten. Volgens de Arbeidsinspectie verdient de werkgever een boete omdat hij de bewegende onderdelen niet heeft afgeschermd. De rechter is het met de inspectie eens, ongeacht eventueel roekeloos handelen van de werknemers.

 

Bij een groenten en fruit verwerkend bedrijf wordt met behulp van een rollenbaan verpakte groenten behandeld. De rollenbaan wordt aangedreven door een gladde aandrijfas die aan het eind van de baan zit tussen en onder twee rollen. Eind februari 2004 gaat een werknemer tijdens een productiestagnatie op de rollenbaan zitten en komt met zijn hand in aanraking met de aandrijfas. Hij loopt daardoor een (lichte) verwonding op. Enkele dagen later gaat de voorman bij een reconstructie van dit voorval in dezelfde houding op de rollenbaan zitten. De aandrijfas is niet voorzien van een scherm of beveiligingsinrichting. Als hij zijn hand beweegt in de richting van de draaiende as, wordt zijn handschoen gegrepen. Hij kan zijn hand nog wel terugtrekken, maar loopt blijvend letsel op. Volgens de Arbeidsinspectie is artikel 7.7, eerste lid, Arbobesluit overtreden, omdat de bewegende delen niet of onvoldoende waren afgeschermd. Een jaar later legt de staatssecretaris van SZW een boete op van bijna 7.000 euro. Beroep van de werkgever bij de rechtbank haalt niets uit en hij gaat in hoger beroep. De werkgever vindt dat de aandrijfas op zo’n plaats zit dat er bij normaal dagelijks gebruik geen gevaar te duchten valt. De werknemers hebben roekeloos gehandeld door hun hand in de transportband te steken. Dat is verboden. Er is geen sprake van een reflexhandeling en de werkgever vindt ook dat het ongeval niet is te zien als ‘overkomen in verband met het verrichten van arbeid’.

 

Maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het voor de werknemers mogelijk was om vanuit staande houding in aanraking te komen met de bewegende aandrijfas. Daarom was er sprake van gevaar en hadden er schermen of beveiligingsinrichtingen moeten zijn aangebracht. Die waren er niet, waarmee het Arbobesluit is overtreden. De wettelijke verplichting om bewegende delen van een arbeidsmiddel als zij gevaar opleveren te voorzien van een deugdelijke afscherming, geldt altijd. Zelfs als er sprake is van roekeloos handelen. Het hoger beroep wordt afgewezen.

 

(Raad van State, Afd. Bestuursrechtspraak, 14 februari 2007, LJN AZ8462)

 

Een werkgever raakt arbeidsongeschikt door het Organo Psycho Syndroom (OPS). Volgens de rechter is ’s mans werkgever aansprakelijk, omdat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Een inmiddels 62-jarige werknemer heeft ruim twintig jaar bij een machinebedrijf gewerkt. Drie tot vier maal per week werden alle samengestelde machines met verf bespoten. Omdat er vaak haast bij was, werd door het toevoegen van thinner het droogproces versneld. Het spuitwerk gebeurde eerst gewoon in de werkplaats of buiten. Vanaf 1980 kwamen er een open spuitcabines met afzuiging. Maar die functioneerde niet altijd naar behoren. De thinner werd in open blikken bewaard. Het reinigen van machineonderdelen gebeurde door onderdompelen in thinner en met blote handen de delen. Onderdelen lagen in de werkplaats te drogen.

 

De werknemer stopt in 1987 met zijn werk als leidinggevende, omdat hij allerlei klachten krijgt. In 1997 valt hij definitief uit en wordt hij volledig arbeidsongeschikt verklaard.

 

Uit onderzoek blijkt dat het gaat om OPS. De aandoening kan niet anders worden verklaard dan als gevolg van het werk. De man vordert schadevergoeding van zijn werkgever. Deze bestrijdt de onderzoeksresultaten. De werknemer is nooit aan hoge concentraties oplosmiddelen blootgesteld. Het OPS komt niet door het werk, maar is het gevolg van omstandigheden in de privesfeer. Steeds werden alle noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen (PBMs) zoals mondkapjes/ filters, handschoenen en bedrijfskleding ter beschikking gesteld. Er was instructie gegeven om de PBMs ook te gebruiken. Maar de werknemer nam het met de veiligheidsmaatregelen niet zo nauw en weigerde de bescherming te dragen.

 

De rechter acht het op grond van de feiten en de rapporten van deskundigen voldoende aannemelijk dat de werknemer jarenlang is blootgesteld aan grote piekconcentraties oplosmiddelen. De werkgever heeft verzuimd erop toe te zien dat de werknemer zijn PBMs droeg. De werkgever is daarom tekortgeschoten in zijn zorgplicht. De kantonrechter acht hem daarom aansprakelijk.

 

(Kantonrechter ‘s-Hertogenbosch , 7 december 2006, LJN AZ8677)

 

Twee werknemers zakken bij sloopwerkzaamheden door een dak omdat ze niet op de komst van een steiger willen wachten. De rechter houdt de werkgever aansprakelijk omdat de direct leidinggevende verzuimd heeft om valbeschermingsmaatregelen te treffen.

 

In maart 2000 beginnen werknemers van een sloopbedrijf met het verwij deren van ruim 200 m2 meter asbesthoudende golfplaten van het dak van een landbouwschuur. Bij aanvang van het werk blijkt de te gebruiken rolsteiger niet compleet. De directeur van het sloopbedrijf zegt toe de ontbrekende delen direct te brengen. De werknemers klimmen alvast op het dak om de eerste rij platen weg te halen. Op een zeker moment zakken er twee door het dak en vallen van een hoogte van 2,5 tot 4 meter naar beneden op een betonnen vloer. Een van hen raakt zwaargewond en houdt blijvend letsel over. De man wil van de werkgever een vergoeding voor de schade.

 

De werkgever heeft na het ongeval de Arbeidsinspectie niet ingeschakeld en erkent geen verantwoordelijkheid voor de schade. Niet alleen is hij niet tekortgeschoten in zijn zorgverplichting, hij vindt ook dat er van de kant van de werknemer sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Kantonrechter en hof wijzen de vordering toe en de werkgever tekent cassatie aan bij de Hoge Raad.

 

In het opgestelde V&G-Plan stond dat voor het verwijderen van de platen van binnenuit een rolsteiger zou worden gebruikt. Die bleek voor de aanvang van het werk niet compleet te zijn. Toen besloten werd de platen van buitenaf te verwijderen, had de direct leidinggevende valbeschermingsmaatregelen moeten treffen en uitdrukkelijk opdracht moeten geven tot het gebruik daarvan. Dat is niet gebeurd. Daarom is de werkgever aansprakelijk voor de schade van de werknemer. Het beroep wordt verworpen.

 

(Hoge Raad, 9 februari 2007, LJN AZ6526)

 

Een onderhoudsman raakt ernstig gewond doordat een ladder uit een houder schiet. De rechter houdt de beheerder van het complex niet aansprakelijk.

 

In juni 1998 valt een onderhoudsman in dienst van een aannemer bij zijn werk van een ladder, waardoor hij ernstig gewond en blijvend volledig arbeidsongeschikt raakt. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk en diens verzekeraar vergoedt de schade. Vervolgens claimt de verzekeraar de schade bij de beheerder van het wooncomplex. Dat is eigendom van een Bpf Bouw die de exploitatie en het beheer heeft ondergebracht bij SFB. Volgens de verzekeraar is het ongeval veroorzaakt doordat de schroeven van de stang waaraan de ladder werd opgehangen, te kort waren en uit het hout zijn geschoten.

 

De rechtbank wijst de vordering af en de verzekeraar gaat in hoger beroep. Het hof acht de beheerder niet aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid voor opstallen). Dat SFB is belast met de exploitatie betekent nog niet dat SFB het complex ook bezit. De verzekeraar voert ook aan dat SFB het wooncomplex gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf als bedoeld in artikel 6:181 lid 1 BW. Maar het hof ziet SFB niet als bedrijfsmatige gebruiker van het wooncomplex. Beheer zoals hier, is geen gebruik in de uitoefening van een bedrijf. Dat SFB als beheerder een zekere macht over het wooncomplex heeft, betekent nog niet dat zij naast de eigenaar aansprakelijk zou zijn. Ook is er geen sprake van een onrechtmatige daad van de kant van SFB. De verzekeraar heeft aangevoerd dat de schroeven te kort waren. Maar gesteld noch gebleken is dat dit kan worden toegerekend aan de beheerder. Het beroep wordt verworpen.

 

(Gerechtshof Amsterdam, 26 oktober 2006, LJN AZ6089)

 

Reageer op dit artikel