artikel

Stap voor stap naar een arbocatalogus

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Branches moeten hun leden allereerst overtuigen van de noodzaak van een gezamenlijke aanpak. Daarvoor kunnen ze bijvoorbeeld het argument aandragen dat de branche nu zelf alternatieven kan verzinnen voor als knellend ervaren regels of voor arborisico’s die leiden tot verzuim. In branches met ervaring met een arboconvenant zullen de leden makkelijker te overtuigen zijn dan in branches zonder.

 

Voorlichtings- en discussiebijeenkomsten over de noodzaak van de arbocatalogus vormen een prima middel om consensus te smeden. Op de bijeenkomsten kunnen de belangrijke arbeidrisico’s in de branche aan bod komen, evenals de verbeterpunten die leden willen onderzoeken. De knelpunten die de leden ervaren rondom arbeidsrisico’s en het draagvlak voor het maken van een arbocatalogus, vormen andere relevante onderwerpen.

 

Het opzetten van een catalogus kost geld. Niemand weet momenteel (tweede helft april) nog of de overheid de branches hiervoor tegemoet gaat komen. Voorlopig moeten branches daarom nagaan of ze de benodigde financiele middelen kunnen vrijmaken of loskrijgen bij hun leden.

 

Branches ronden de eerste stap af met de samenstelling van een projectgroep arbocatalogus.

 

Hierin zitten in het ideale geval vertegenwoordigers uit verschillende soorten bedrijven, zodat alle voorkomende bedrijfsgrootten en werkzaamheden vertegenwoordigd zijn. Voor branches met productiebedrijven is het zinvol om zowel bedrijfsvertegenwoordigers op te nemen van technologische koplopers, als middenmoters, als achterblijvers. De oplossingen in een catalogus moeten immers voor alle bedrijven uit de sector haalbaar zijn, omdat ze er allemaal aan gebonden zijn.

 

De bonden kunnen direct deel uitmaken van deze projectgroep. Branches kunnen er ook voor kieze om afwisselend werkgeversvertegenwoordigers alleen en werkgevers- en vakbondsvertegenwoordigers samen aan de bijeenkomsten te laten deelnemen. De mate waarin de branches met de bonden optrekken, zal afhangen van het bestaande contact. AWVN adviseert om tijdig met de bonden om de tafel te gaan zitten.

 

De volgende stap in de richting van een arbocatalogus bestaat uit het vaststellen van de reikwijdte van de catalogus. Welke onderwerpen wil de branche erin opnemen? Het gaat om de keuze van de arborisico’s, de bijbehorende beschermingsniveaus uit de Arbowet en de manieren waarop de leden van de branche die niveaus kunnen realiseren. In het geval dat de bonden voorstellen hebben gedaan, is het aan te raden om die mee te nemen bij deze inventarisatie.

 

Het zal vaak niet nodig zijn om helemaal bij nul te beginnen. Branches met een brancherisico-inventarisatie kunnen die RI&E als uitgangspunt nemen. Hierin staan de belangrijkste risico’s opgesomd. Over deze risico’s hoeft de branche niet meer te onderhandelen met de bonden, omdat die de branche-RI&E hebben goedgekeurd. Branches die de afgelopen jaren bij een arboconvenant betrokken waren, beschikken vaak al over een begin in de vorm van een prioritering van de belangrijkste risico’s en mogelijke oplossingen.

 

Ontbreken arboconvenanten en branche-RI&E’s, dan kan de branche prioritaire arbeidsrisico’s inventariseren onder individuele brancheleden. Aan de hand van de mate waarin de risico’s klachten of verzuim veroorzaken valt de relevantie van de risico’s te bepalen. Branches doen er goed aan om klein te beginnen en eerst ervaring op te doen met enkele risico’s.

 

Branches doen er ook goed aan om na te denken over de vorm van hun catalogus. Sommige branches zetten al hun arbo-activiteiten op een speciaal arbodeel van hun website en noemen dat hun arbocatalogus. Overigens zegt de wet niets over de vorm van de arbocatalogus. Maar een ‘webbased’ document ligt wel voor de hand: een arbocatalogus op internet is gemakkelijk toegankelijk en laat zich eenvoudig actualiseren.

 

In de catalogus kan risicogewijs opgesomd staan hoe werkgevers kunnen voldoen aan de doelvoorschriften/agendabepalingen uit de Arbowet. Per geselecteerd risico kan dit inhouden:

 

een beschrijving van een risico en voorlichting over de gevolgen;

 

de mogelijke oplossing (technisch, organisatorisch, gedragsmatig, PBM’s);

 

productinformatie: specificaties, kosten, leverancier, effect van gebruik;

 

aanvullende werkinstructies;

 

eventuele aanvullende grenswaarden;

 

afspraken over aanvullend onderzoek en met welke methodes (bijvoorbeeld bij psychosociale arbeidsbelasting, geluid, gevaarlijke stoffen e.d.).

 

Soms kan de branche per risico ook checklists opnemen waarmee een bedrijf direct de eigen situatie kan toetsen. Kent een branche een branche-RI&E, dan is het handig om een verbinding aan te brengen tussen deze RI&E en mogelijke oplossingen.

 

Betrek de vakbonden bij de keuze van de onderwerpen voor de catalogus. De arbocatalogus is immers een product van werkgevers en werknemers samen. De bonden moeten er hun akkoord op geven. Branches moeten dus met hen bespreken hoe ze de arbocatalogus invulling willen geven. Ze moeten aangeven waar de prioriteiten liggen en waarom. Bonden zullen ook ideeen hebben over de gewenste aanpak.

 

Ellenlange discussies met de bonden over grenswaarden moeten de branches zo veel mogelijk zien te vermijden. Het minimale vereiste beschermingsniveau staat in de doelvoorschriften in de wet. Een hoger beschermingsniveau is niet verplicht. Wanneer de wet geen doelvoorschriften geeft, ontbreekt blijkbaar overtuigend wetenschappelijk bewijs voor een wettelijke algemeen geldende norm. Dit speelt bijvoorbeeld bij fysieke en psychosociale arbeidsbelasting. Ontbreken de doelvoorschriften, dan doet de branche er goed aan om te zoeken naar branchespecifieke oplossingsalternatieven. Zo kan een bepaalde tilhulp fysiek tillen wel eens helemaal overbodig maken.

 

Verder is het zaak om met de bonden te overleggen over hoe de branche hen verder in het traject gaat betrekken.

 

Een van de belangrijkste stappen richting de arbocatalogus bestaat uit de selectie van mogelijke maatregelen om te voldoen aan de doelvoorschriften en agendabepalingen van de Arbowet. Het gaat hier om het vertalen van voorkomende arbeidsrisico’s, zoals geluid, stof, fysieke belasting en gevaarlijke stoffen en dergelijke, naar branchespecifieke situaties en bijbehorende oplossingsalternatieven.

 

Met een inventarisatie van reeds gerealiseerde maatregelen van de leden, de zogenaamde ‘good practices’, kunnen de branches al een heel eind op streek komen. Branches dienen haalbare en realistische doelstellingen en oplossingen na te streven. Daarbij moeten ze de arbeidshygienische strategie volgen. Voor de inventarisatie kunnen ze gebruikmaken van deskundigen uit de branche zelf, zoals veiligheidskundigen en KAM-coordinatoren. Het kan ook zinvol zijn om externe deskundigen erbij te betrekken voor bijvoorbeeld een toets op de stand der techniek of voor creatieve andere suggesties.

 

Branches hoeven het wiel niet helemaal zelf uit te vinden. Ze kunnen ook putten uit bestaande bronnen, zoals www.arboconvenanten.nl, www.minszw.nl, AI-bladen, NEN-normen en bestaande beleidsregels. In branches met een arboconvenant bestaan vaak al een aantal branchespecifieke oplossingen. Het is overigens raadzaam niet al deze oplossingen zonder meer over te nemen. Oplossingen uit arboconvenanten kunnen in de praktijk niet altijd rekenen op voldoende draagvlak bij alle brancheleden. Dat maakt een evaluatie van de praktijkervaringen met de oplossingen een zinvolle tussenstap.

 

Wanneer de branche suggesties voor oplossingen heeft verzameld, dan kan ze deze in de projectgroep evalueren. Daarna is het verstandig om de oplossingen breed bij de achterban te toetsen voordat de branche ze opneemt in de catalogus. Deze oplossingen vormen straks immers het nieuwe referentiekader voor de Arbeidsinspectie, dus moeten de brancheleden er wel mee uit de voeten kunnen.

 

In deze fase is opnieuw overleg met de bonden wenselijk. Zij zullen beoordelen of zij de oplossingsalternatieven van voldoende niveau vinden. Uiteindelijk moeten zij kunnen instemmen met de inhoud van de catalogus.

 

Voordat de Arbeidsinspectie een arbocatalogus als referentiekader accepteert, toetst zij hem globaal. Daarvoor vlooit ze de catalogus niet helemaal door, maar laat ze er slechts een ‘quick scan’ op los. De Arbeidsinspectie controleert of:

 

beschreven is voor welke branche of groep bedrijven de catalogus is bedoeld;

 

de werkgevers en vakbonden achter de catalogus daadwerkelijk de branche vertegenwoordigen; en of

 

met de oplossingen uit de catalogus het beschermingsniveau uit de wet kan worden gerealiseerd.

 

Kan de catalogus de toets der kritiek doorstaan, dan neemt de Arbeidsinspectie de oplossingen uit de catalogus als referentiekader. De beleidsregels van de Arbeidsinspectie voor de in de catalogus genoemde arborisico’s vervallen.

 

Een arbocatalogus maken vraagt een zekere fasering, maar het bijhouden is een doorlopend proces. Daarom zouden branches een soort van arbo-infrastructuur moeten creeren. De branche moet continu aandacht schenken aan de arborisico’s in de branche, de veranderende eisen uit de Arbowet en aan ‘up-todate’-oplossingen. Een arbocatalogus is nooit af.

 

Reageer op dit artikel