artikel

Wat er verandert met de PGS 15

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de PGS 15 en haar voorgangers? Een eerste verschil is dat de PGS 15 een grotere reikwijdte heeft. Zo vallen carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR-stoffen) wel onder het PGS- maar niet onder het CPR-regime. Hetzelfde geldt voor bepaalde organische peroxiden tot 1000 kilogram, zeer licht ontvlambare stoffen, brandgevaarlijke vaste stoffen en voor zelfontbranding vatbare stoffen. En ook voor stoffen die brandbare gassen ontwikkelen zodra zij in contact komen met water en infectueuze stoffen, zoals ziekenhuisafval en diagnostische monsters. Gasflessen en spuitbussen vallen eveneens wel onder de PGS 15 maar niet onder de CPR-richtlijnen. Hierdoor geeft de PGS 15 regels voor vrijwel alle regulier voorkomende verpakte gevaarlijke stoffen.

 

Een ander belangrijk verschil tussen de PGS 15 en de CPR-richtlijnen is dat de nieuwe richtlijn op de vervoerswetgeving (ADR) is gebaseerd, terwijl de oude richtlijnen op de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) waren geent. Dat maakt het voor organisaties makkelijker om voor een bepaalde stof te bepalen welk beschermingsniveau en welke voorzieningen nodig zijn. In verband met het vervoer staat de ADR-indeling van een gevaarlijke stof immers toch al standaard op de verpakking. Dat maakt de PGS 15 beter inpasbaar in het logistiek management. Doordat de PGS op de ADR is gebaseerd, worden tevens de regels voor transport en opslag van gevaarlijke stoffen geharmoniseerd.

 

Verder zitten er aanmerkelijke verschillen tussen het toepassingsgebied van de CPR-richtlijnen en de PGS 15. De CPR 15 was van toepassing vanaf 25 kg of liter gevaarlijke stof. Bij de PGS 15 is de ondergrens afhankelijk van het gevaar dat de opgeslagen stof kan veroorzaken. Daardoor varieert de maximale toegestane werkvoorraad per ruimte tussen 1 kilogram (de CMR-stoffen) en 250 kilogram (ADR-klasse 8 en 9). Dat geeft organisaties in veel gevallen de mogelijkheid om meer gevaarlijke stoffen als werkvoorraad in te delen dan onder de CPR-richtlijnen. In tegenstelling tot in de CPR-richtlijnen wordt er in PGS 15 regelmatig naar de risicoinventarisatieen -evaluatie (RI&E) verwezen. PGS 15 schrijft bijvoorbeeld voor dat informatie over de noodzakelijkheid van nooddouches en het PBM-gebruik in de RI&E moeten worden vermeld. Ook moeten werkgevers in de RI&E opnemen hoe zij de vakbekwaamheid van hun personeel kunnen aantonen.

 

Nog een belangrijk verschil tussen de CPR-richtlijnen en de PGS 15: de PGS 15 stelt hogere voorwaarden aan brandbeveiligingsinstallaties dan de CPR 15-richtlijnen. Conform PGS 15 moeten dergelijke installaties aantoonbaar geschikt zijn voor de opgeslagen gevaarlijke stoffen. Organisaties moeten kunnen aantonen dat hun installaties voldoen. Slagen zij hier niet in, dan moeten ze de installaties aanpassen.

 

Er zitten dus belangrijke verschillen tussen de PGS 15 en de oude CPR 15-richtlijnen. Maar betekent dat ook dat organisaties die gevaarlijke stoffen opslaan, onmiddellijk actie moeten ondernemen? Dat valt wel mee. Voor veel organisaties verandert op korte termijn feitelijk niets. Bestaande opslagvoorzieningen, gebaseerd op de oude CPR 15-richtlijnen, kunnen namelijk voorlopig nog als stand der techniek worden beschouwd. Alleen nieuwbouwen verbouwplannen moeten worden getoetst aan de PGS 15. Het kan dus voorkomen dat organisaties de nieuwe en de oude richtlijnen naast elkaar moeten hanteren.

 

Het zal voorlopig nog wel even duren voordat het gros van de organisaties met de PGS 15 te maken krijgt. De PGS 15 is immers ‘slechts’ een richtlijn. Organisaties hoeven pas aan haar regels te voldoen als een wet, een regel of een officiele vergunning hun dat voorschrijft. Bestaande vergunningen voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn gebaseerd op de richtlijnen CPR 15-1 t/m 15-3 en CPR 11-6. Met een dergelijke vergunning op zak moeten organisaties zich gewoon aan deze CPR-richtlijnen houden. Pas als vergunningen moeten worden verlengd of als er nieuwe vergunningen nodig zijn, komt PGS 15 om de hoek kijken.

 

TABEL 1. WERKINGSSFEER PGS 15

 

Wel onder werkingssfeer PGS 15

 

Niet onder werkingssfeer PGS 15

 

ADR-klassen: 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8

 

ADR-klassen 1 en 7

 

Klasse 6.2 categorie I3 en I4 (ziekenhuisafval n.e.g., UN 3291 en diagnostische monsters, UN 3373)

 

Overige stoffen van de klasse 6.2

 

ADR-klasse 5.2, bepaalde categorieen en verpakkingen* tot maximaal 1000 kg. CRM-stoffen, niet reeds op andere wijze ADR

 

Overige stoffen van de klasse 9, genetisch gemodificeerde organismen

 

Milieugevaarlijke stoffen van de klasse 9 m.u.v. genetisch gemodificeerde organismen

 

Gasflessen met giftige of bijtende inhoud (behoudens ammoniak en ethyleenoxide) ADR-klasse 5.2 overig (hiervoor geldt de CPR 3)

 

ADR-klasse 2 voor zover spuitbussen en gasflessen (de meest voorkomende gassen)

 

Nitraathoudende kunstmeststoffen genoemd in het (hiervoor geldt CPR 1)

 

Gevaarlijke afvalstoffen met dezelfde chemische of fysieke eigenschappen als bovengenoemde bovengenoemde gevaarlijke stoffen

 

Overige gevaarlijke afvalstoffen

 

Bestijdingsmiddelen tot 400 kg. (valt onder bestrijdingsmiddelenbesluit)

 

 

Bron: PGS 15

 

TABEL 2. TE HANTEREN ONDERGRENZEN EN VRIJSTELLINGEN

 

Gevaar conform de klasse zonder bijkomend gevaar**

 

Verpakkinggroep

 

Ondergrens/vrijstelling in kilogram of liter

 

Alle klassen en de CMR-stoffen

 

I

 

1

 

2 (UN 1950 spuitbussen en UN

 

N.v.t.

 

50

 

2037 houders, klein, gas 3

 

II

 

25

 

3*****

 

III

 

50

 

4.1, 4.2, 4.3

 

II en III

 

50

 

5.1

 

II en III

 

50

 

5.2

 

II en III

 

–***

 

6.1

 

II en III

 

50

 

6.2 categorie I3, I4

 

II en III

 

50

 

8

 

II en III

 

250

 

9

 

II en III

 

250

 

Totaal

 

 

50 voor klasse

 

8 en 9: 250****

 

2 (gasflessen)

 

N.v.t.

 

115 liter waterinhoud

 

 

Bron: PGS 15

 

Zelfs als straks alle vergunningen op de PGS 15 zijn gebaseerd, hoeven organisaties nog niet aan de regels van de richtlijn te voldoen. Voor de toepassing van de PGS 15 geldt namelijk een zogenaamd gelijkwaardigheidbeginsel. Organisaties mogen andere maatregelen treffen dan de door de PGS 15 voorgeschreven maatregelen. In dat geval moeten organisaties kunnen aantonen dat ze minimaal een gelijkwaardige bescherming van milieu, arbeidsbescherming of brandveiligheid weten te bereiken. Overigens staat in de PGS 15 nauwkeurig omschreven waaraan de bouwkundige uitvoering van opslagvoorzieningen, de brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen moeten voldoen.

 

De komst van de PGS 15 heeft voor veel organisaties dus geen directe financiele gevolgen. Toch kunnen organisaties beter nu al anticiperen op de toekomstige rol van de richtlijn. Zij kunnen zij bijvoorbeeld alvast hun blusinstallaties, compartimentering en andere (veiligheids)voorzieningen naar PGS 15-niveau brengen. Daarmee zijn zij eventuele dure eisen van het bevoegd gezag voor. Het geeft hun ook de tijd om zelf te bepalen wat een technisch, organisatorisch en financieel aantrekkelijke oplossing is. Het herindelen van hoeveelheden gevaarlijke stoffen is soms een stuk aantrekkelijker dan het aanschaffen van een compleet nieuwe brandbestrijdingsinstallatie.

 

In specifieke gevallen zal het wel noodzakelijk zijn om de langetermijngevolgen (financieel, organisatorisch en qua uitbreidingsmogelijkheden) in beeld te brengen. Dat uitbreidingsplannen moeten worden getoetst aan PGS 15, kan namelijk betekenen dat in het verleden geplande uitbreidingen anders moeten worden uitgevoerd, of zelfs geheel niet door kunnen gaan. Andersom geldt dat organisaties die nu al inspelen op de ruimere grenswaarden van de PGS 15 onnodige uitgaven kunnen voorkomen.

 

 

Reageer op dit artikel