artikel

Branche-RI&E in het MKB kan beter

RIE

In 2003 verscheen een – nog altijd actueel – rapport over arbo en kleine bedrijven. Daarin werd duidelijk dat kleine werkgevers arbobeleid als een last ervaren en grote behoefte hebben aan praktische ondersteuning. Overigens bleek het negatieve imago van ‘arbo’ niet alleen iets van werkgevers. Ook werknemers vinden veel arboregels maar lastig. Een van de aanbevelingen was te komen tot digitale branche-RI&E-instrumenten die toegesneden zijn op de branche en die oplossingen bieden voor problemen in de praktijk.

 

Sindsdien zijn er tal van branche-RI&E-instrumenten gemaakt, vaak gebaseerd op het basismodel ontwikkeld door MKB-Nederland. Op www.rie.nl zijn intussen zo’n 140 branche-RI&E-methodieken geplaatst, waarvan er zo’n 100 overeengekomen zijn tussen sociale partners.

 

Toch valt de naleving van de wettelijke RI&E-verplichting in het MKB tegen. Uit de Werkgeversmonitor arbeidsomstandigheden 2006 blijkt dat slechts circa de helft van de bedrijven met minder dan tien werknemers een RI&E heeft.

 

Wat mag je verwachten van een goed branche-RI&E-instrument? Het moet gebruiksvriendelijk en ondersteunend zijn, maar ook voldoende degelijk om een lichte (of geen) toetsing door arbodeskundigen te rechtvaardigen. Aan de hand van een eigen lijst kwaliteitscriteria is een dertigtal branche-RI&E-methodieken voor MKB-branches gescand, merendeels erkend door sociale partners. Het resultaat stelt teleur.

 

Wie de vragenlijsten bekijkt door de ogen van een MKB’er, kan zich voorstellen dat menige ondernemer en werknemer de arboregels als een last ervaart. Het valt op dat de kwaliteit van ‘erkende’ en ‘niet-erkende’ instrumenten nauwelijks van elkaar verschilt. Ondanks de formeel zware rol van werkgevers- en werknemerspartijen bij goedkeuring van het instrument, lijken veel instrumenten het product te zijn van arbodeskundigen met weinig affiniteit met de branche en een slecht inlevingsvermogen in de kennis en motivatie van kleine werkgevers en hun werknemers. Dit artikel vormt de beperkte bloemlezing van voorbeelden uit branche-RI&E-methodieken, waaruit dat valt af te leiden.

 

De naleving van wettelijke regels krijgt alle aandacht in de instrumenten, maar wordt soms onvoldoende toegelicht, schiet wel eens door en richt zich soms meer op de wettelijke regel dan op de intentie om arbeidsomstandigheden te verbeteren. Zo gaan de RI&E-instrumenten in de branches wonen, taxi en uitgeverijen uitgebreid in op de mogelijkheid om te komen tot een maatwerkregeling voor de arbodienstverlening. Hierbij vergeten zij toe te lichten dat dit alleen mogelijk is met toestemming van vakbonden, ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT).

 

De detailhandelsbranches optiek en bloemen verwijzen naar de beleidsregel over kassawerkplekken. Deze beleidsregel is van toepassing op kassa’s in zelfbedieningswinkels, waar kassamedewerkers langdurig achtereen aan moeten werken.

 

Bijna alle instrumenten vragen of wordt voldaan aan de (weliswaar verouderde) normen voor het aantal bedrijfshulpverleners (BHV). Toch stellen veel branche-RI&E’s niet de logische vraag of het personeel wel voldoende is voorgelicht over wat het moet doen bij calamiteiten. En een aantal instrumenten geeft in de toelichting niet de ‘gouden tip’ dat je als kleine onderneming bij BHV kunt samenwerken met bedrijven in de omgeving.

 

De instrumenten bevatten ook regelmatig ‘open deuren’. Zo volgt de RI&E van de fietsenhandel een cirkelredenering met de vraag of het arbobeleid ‘is gebaseerd op een deugelijke, schriftelijke RI&E’. Dezelfde RI&E stelt een vraag op basis van het doelvoorschrift in het Arbobesluit: ‘Brengt de fysieke belasting geen gevaren met zich mee voor werknemers?’ Pas veel later staan vragen over wat dat concreet inhoudt.

 

Veel instrumenten zijn nog gebaseerd op de arbowetgeving van voor 1 januari 2007. Logischerwijs zal die actualisatieslag de komende jaren langzaam maar zeker gemaakt worden.

 

Het voordeel van digitale RI&E-instrumenten is dat je kunt aangeven of een bepaald risico speelt in het bedrijf. Wie ‘ja’ invult, krijgt een lijst aanvullende vragen om dat risico nader in kaart te brengen. De RI&E voor de dierenwinkel stelt na de filtervraag ‘Werkt u met gevaarlijke stoffen?’ aanvullende vragen over een hygieneprotocol en legionella. Menig ondernemer zal hierbij geen verband leggen met ‘gevaarlijke stoffen’.

 

Er zijn helaas maar weinig digitale instrumenten die de mogelijkheid bieden om, na het invullen van de vragenlijst, eigen onvermelde risico’s toe te voegen.

 

Criteria branche-RI&E

 

Kwalitatief deugdelijk

 

voldoen aan wettelijke bepalingen

 

logische opbouw

 

zelf risico’s kunnen toevoegen

 

actueel

 

Op maat van de branche

 

accent op de brancherisico’s

 

vragen en oplossingen op maat

 

vooringevuld waar mogelijk

 

rekening houdend met afspraken in de branche

 

Werkbaar doe-het-zelfinstrument

 

begrijpelijk voor de leek

 

taal van de branche

 

eenvoudig hanteerbaar

 

praktisch

 

© Orbis BV

 

 

Een branche-RI&E-instrument leent zich bij uitstek om branchespecifiek te zijn en in te zoomen om de belangrijkste risico’s van het werk te belichten. Toch bevatten veel RI&E’s vragen die van ondergeschikt belang zijn voor de branche. De RI&E voor de visdetailhandel bevat maar liefst vijftien vragen over een kantoor- en beeldschermwerkplek, inclusief de (achterhaalde) eis dat een beeldscherm haaks op het raam moet staan ‘zo mogelijk drie meter van het raam af ’. In die van de boekhandels is de vraag over de beschikbaarheid en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen overbodig.

 

Agressie van klanten is een serieus risico in steeds meer branches, waar veel RI&E’s in de dienstverlening aandacht aan besteden. Die aandacht is in de RI&E’s van de bibliotheken en de slijterijen wel heel summier ingevuld met maar een vraag. Behalve in de RI&E van dierenwinkels, wijst bijna geen enkel RI&E-instrument in de detailhandel naar de mogelijkheid van gratis opvang na overvallen, zoals geregeld door het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD).

 

In het arboconvenant in de ambulante handel en detailhandel bloemen, AGF en vis zijn afspraken gemaakt over het gebruik van een stasteun om langdurig staan te voorkomen. In de instrumenten van de ambulante handel en de bloemenwinkels is dat terug te vinden. Die van de AGF- en visdetailhandel reppen hier niet over.

 

Juist in branche-RI&E’s in het MKB zou je verwachten dat de risicoklasse in de risico-evaluatie grotendeels vooraf ingevuld kan worden. De meeste instrumenten laten de risico-inschatting echter volledig aan de MKB’er zelf over. De kappers en dierenwinkels vormen daar een van de weinige uitzonderingen op.

 

Alle instrumenten stellen de vraag of aan de wettelijke PAGO-verplichting wordt voldaan. Het is een gemiste kans dat in bijna geen enkele is terug te vinden wat de PAGO in de betreffende branche concreet zou kunnen inhouden.

 

Soms wordt het verkeerde accent gelegd in wat risicovol is. Veel instrumenten vragen of ladders wel regelmatig gekeurd worden op gebreken. De RI&E-instrumenten van zorgboerderijen en hoveniers wijzen daarnaast op het belang om ladders goed neer te zetten. Terecht, omdat slechts 4 procent van de ongevallen met ladders te wijten is aan ondeugdelijk materiaal, terwijl tweederde van de ladderongevallen te wijten is aan het verkeerd neerzetten van ladders.

 

Veel RI&E-instrumenten bevatten arbo-jargon dat moeilijk te begrijpen is voor werkgevers en werknemers in het MKB. Wat te denken van begrippen als ‘arbeidsmiddelen’, ‘biologische agentia’ en ‘fysische belasting’? Veel vragen kunnen duidelijker en praktischer worden toegelicht. ‘Voldoende EHBO-middelen’, ‘zware producten’, ‘afgestemd op gebruik’, ‘afwijkende regels voor zwangere vrouwen’ en ‘langdurig staan’ zijn een selectie van zinsneden die regelmatig terug te vinden zijn, zonder dat ze gespecificeerd worden. De invuller moet er maar naar raden.

 

In een aantal instrumenten staat het advies om een vertrouwenspersoon binnen het bedrijf aan te stellen plus een tweede persoon om iemand te ondersteunen bij het indienen van een klacht over ongewenst gedrag. Voor een klein bedrijf gaat dat erg ver. Praktischer is het advies in bijvoorbeeld de stukadoors- en taxibranche, om extern (bijvoorbeeld bij een arbodienst) een professionele vertrouwenspersoon te regelen.

 

Te vaak kun je lezen dat de vragenlijsten kritiekloos zijn overgeschreven van het ene naar het andere instrument, zonder rekening te houden met voortschrijdend inzicht en het noodzakelijke maatwerk per branche.

 

De rol van vakbonden en werkgeversorganisaties bij de totstandkoming van erkende RI&E-instrumenten blijkt onvoldoende garantie te bieden voor de kwaliteit ervan. Ook lijkt het erop dat arbodeskundigen – als makers en toetsers van het instrument – onvoldoende kaas gegeten hebben van klant- en gebruiksvriendelijkheid en de RI&E-instrumenten te veel vanachter het bureau bedenken. Het is te hopen dat de kwaliteit van de huidige branche-RI&E-instrumenten geen voorteken is voor de kwaliteit van arbocatalogi die het komende jaar ontwikkeld worden.

 

Aan de huidige branche-RI&E-instrumenten valt nog veel te verbeteren. Een betere kwaliteit, meer maatwerk en meer gebruiksvriendelijkheid zijn nodig voor werkgevers en werknemers die zonder tegenzin willen werken aan betere arbeidsomstandigheden. Er ligt nog een schone taak te wachten voor vakbonden, brancheorganisaties en arbodeskundigen.

 

1. F. Heemskerk, M. Cobben, Kleine bedrijven en ‘arbo’ : ik wil geen antwoord, maar een oplossing, Hoofddorp/Zaltbommel: TNO Arbeid/BMVS, 2003.

 

2. C. van Rij, R. Meijer, Arbo-informatiebehoeften van werknemers, Amsterdam: Regioplan, 2004..

 

3. C. Bos, M. Engelen, De Werkgeversmonitor arbeidsomstandigheden – 2emeting, Leiden: Research voor beleid, 2007.

 

4. Nieuws- en informatieblad Versterking Arbeidsveiligheid, Je kunt ook van een gecertificeerde ladder vallen, Den Haag: ministerie van SZW, december 2005 (nr. 9).

 

Reageer op dit artikel