artikel

Boete voor onveilige steiger

Veilig werken

De steiger werd aangereden door een rupsdumper van een ander bedrijf dat tegelijkertijd sloopwerkzaamheden uitvoerde. De rupsdumper werd gebruikt voor het afvoeren van sloopafval.

De arbeidsinspectie constateert dat de wielen van de steiger niet op de rem stonden en dat de steiger niet overal was voorzien van een leuning. De werkgever van het slachtoffer krijgt een boete van 5400 euro.

 

Bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard en de werkgever gaat in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt vast dat volgens Artikel 3.16 eerste lid Arbobesluit bij werk waarbij valgevaar bestaat, een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer moet zijn aangebracht. Of anders moet het gevaar worden tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken of andere voorzieningen. Er is sprake van risico-verhogende omstandigheden als er een kans is om meer dan 2,5 meter te vallen.

 

De werkgever vindt dat hem niets te verwijten valt. Het slachtoffer moest als veiligheidsfunctionaris toezien op de naleving van de veiligheidsmaatregelen, maar heeft zelf nagelaten een valbeugel te plaatsen. Daarover waren heldere afspraken gemaakt. Ook zou de boete moeten worden gematigd. In de wet staat nergens dat voor specifieke werkzaamheden op locatie een aparte risico-inventarisatie moet worden gemaakt. De risico’s waren bekend en ook de veiligheidsfunctionaris wist daarvan.

 

Volgens de Afdeling bevat artikel 3.16 Arbobesluit geen opzet of schuld als bestanddeel. Daarom is het vaste jurisprudentie, dat de overtreding vaststaat als niet aan het voorschrift is voldaan. Dan mag in beginsel van verwijtbaarheid worden uitgegaan, en als de werkgever aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, moet hij dit aannemelijk maken. Het slachtoffer is van een verrijdbare steiger gevallen die niet overal een leuning had. De wielen stonden niet op de rem. Ook werd er tegelijkertijd door anderen sloopwerk gedaan, waarbij het sloopafval werd afgevoerd door een mobiel arbeidsmiddel.

 

Vaststaat dat de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen niet in acht zijn genomen en dat de wettelijke bepaling is overtreden. Dat het slachtoffer plaatsvervangend veiligheidsfunctionaris was, betekent nog niet dat de werkgever geen toezicht moet houden. Maar daar is niets van gebleken. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van verwijtbaarheid. Hoewel de risico-inventarisatie niet altijd op schrift hoeft te staan, moet de werkgever wel aannemelijk maken dat de risico’s vooraf voldoende zijn geinventariseerd.

 

Ook daarin is de werkgever niet geslaagd, waarbij wordt opgemerkt dat er anderen aan het werk waren en dat nergens uit blijkt dat met die anderen deugdelijke afspraken waren gemaakt. Dus is er niet voldaan aan het eerste vereiste van beleidsregel 33 voor het matigen van de boete: er moet een risico-inventarisatie van de werkzaamheden zijn gemaakt. Omdat dit niet is gebeurd, komen de overige criteria voor het matigen van de boete – te weten voorlichting en het redelijkerwijs te houden toezicht – niet aan de orde. Het beroep wordt verworpen. 

 

Wilt u meer jurisprudentie? Lees Vakblad Arbo>>

Reageer op dit artikel