artikel

Actueel

Wetgeving

Staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken heeft een tip van de sluier opgelicht van zijn plannen voor een nieuwe, sterk gedereguleerde Arbowet. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft hij te streven naar zo min mogelijk aparte Nederlandse regels bovenop de algemene regels van de Europese Unie. Alleen voor ‘zeer ernstige risico ’s ’ wil hij een uitzondering maken. Daarbij denkt hij onder andere aan de regels voor het vervangen van producten met vluchtige organische stoffen en aan de voorschriften voor het werken met professioneel vuurwerk. Ook de nationale regels voor het werken in liftschachten en voor de preventie van ongevallen met gevaarlijke stoffen (ARI&E-regeling) wil de bewindsman ongemoeid laten. De nationale wettelijke bepalingen voor verlichting, zitgelegenheden, hinder en toiletten zullen zeker sneuvelen, schrijft Van Hoof. Ook komt de verplichting te vervallen voor een schriftelijke voortgangsrapportage over de uitvoering van het plan van aanpak. Het arbeidsomstandighedenspreekuur moet er eveneens aan geloven. Verder wil Van Hoof de wettelijke bescherming van vrijwilligers terugbrengen tot het beschermingsniveau van zelfstandigen. Hij is van plan om de ongevallenmeldingsplicht te beperken tot ongevallen met meer dan drie dagen verzuim. De regelgeving voor bedrijfshulpverlening wordt eenvoudiger, schrijft de staatssecretaris de Kamer. Voor psychosociale arbeidsrisico ’s wil Van Hoof een beleidsvoeringsverplichting invoeren. De bewindsman studeert nog op aanpassingen van de nationale bepalingen voor zandstralen en voor het werken met specifieke gevaarlijke stoffen als benzeen en zandsteen. Voor een eventuele aanpassing van de regels voor de kwalificatie van de deskundige ondersteuning wacht hij eerst een evaluatie van de liberalisering van de markt voor arbodienstverlening af. Overigens verwacht de staatssecretaris pas over vijf maanden met zijn definitieve voorstel voor de wetswijziging te komen.

 

Zie voor de complete tekst van de brief: www.minszw,onder officiele publicaties, 4 oktober 2005

 

‘We zijn nu wel even uitgepolderd ’, zo reageert de FNV op de voorstellen van staatssecretaris Van Hoof van SZW voor de reductie van de arboregels. Nadat de Stichting van de Arbeid er op belangrijke punten niet uitkwam, heeft SZW zelf aangegeven welk deel van de zogenaamde nationale kop kan worden afgeschaft. De nationale kop bestaat uit arboregels die niet op Europese richtlijnen zijn gebaseerd. In tegenstelling tot de Stichting van de Arbeid, vindt Van Hoof het niet nodig om een arbospreekuur verplicht te stellen. Evenmin ziet de bewindsman redenen voor de instandhouding van regels die boven het Europees beschermingsniveau uitstijgen als het gaat om ‘arbeidsrisico ’s als verlichting, daglicht, zitgelegenheid, toiletten en hinder ’, zo schrijft hij de Tweede Kamer. De FNV reageert als door een horzel gestoken. ‘Normen en waarden. Betrouwbaarheid. Doen wat je belooft. Het zijn onder deze regering wel erg hol klinkende frases aan het worden ’, zo stelt de bond. Volgens de FNV borduurt Van Hoof voort op de indeling hoge en lage arborisico ’s die de SER dit voorjaar verwierp in een advies over de toekomstige Arbowet. Een advies dat de staatssecretaris toezegde over te nemen. FNV noemt zaken als daglicht op het werk en grenswaarden voor temperatuur op het werk wel ernstige arbeidsrisico ’s. Daarentegen gaan de voorstellen van Van Hoof MKB-Nederland nog niet ver genoeg. Woordvoerder Mario van Mierlo zegt dat de staatssecretaris van goede huize moet komen om de nationale kop te handhaven. ‘Van Hoof heeft het SER-advies opgevolgd. We zouden alles wat verplicht is gesteld en wat niet hoeft volgens Europese richtlijnen schrappen, tenzij zwaarwegende argumenten het tegendeel eisen. Dat heeft Van Hoof gedaan. Sterker, hij zal goed duidelijk moeten maken waarom hij sommige risico ’s wel in de nationale kop laat staan. ’

 

Met het opstappen van ArboNed heeft de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) een flinke deuk opgelopen. De op een na grootste arbodienst van Nederland vertelt het lidmaatschap op te zeggen en na 1 januari 2006 geen lid meer te zijn. ArboNed-woordvoerster Inge Weel vindt de BOA te star. ‘Wij zijn meer dan uitvoerders van wet en regelgeving. We zijn erg actief in vitaliteitsdiensten en mediation en dat is een draai die we niet bij de BOA zien. We willen de ruimte hebben om ons breder te orienteren. We zijn trouwens niet de enige arbodienst die opzegt. Ook Arboduo heeft haar contract bij de BOA opgezegd en Maetis volgens mij ook.’

 

Arboduo-directeur Ruud Pels is verbaasd. ‘Nou, dan weet ArboNed meer dan ik. We hebben zeker geen definitief besluit genomen uit BOA te stappen. De arbomarkt verandert in rap tempo. Er komen meer aanbieders, ook niet-arbodiensten. Het is goed dat je je als brancheorganisatie met de benen op tafel beraadt hoe verder te gaan met collectieve belangenbehartiging en kennisontwikkeling. Zodra duidelijk is welke koers het opgaat, maken wij onze mind op of we wel of niet een toegevoegde waarde zien.’

 

Pels wil niet kwijt welke kant het voor hem op moet gaan. Wel zegt hij collectieve belangenbehartiging en kennisontwikkeling belangrijke issues te vinden. ‘Zo’n onlangs geintroduceerd BOA-keurmerk vinden wij een goede ontwikkeling, maar ik geef geen antwoord op uw vraag wat er moet gebeuren willen wij binnenboord blijven. Die discussie voeren wij binnenskamers bij BOA en niet op straat. Wij hebben wel veel vertrouwen dat we met BOA een nieuwe koers kunnen varen. Het komt de legitimiteit van BOA niet ten goede als een van de grote aanbieders niet meer meedoet. Maar het is geen reden voor mij om niet meer mee te doen.’

 

Ook Maetis Arbo weet niks van een door ArboNed gesuggereerd opstappen. Via een woordvoerder laat de arbodienst weten gewoon lid te blijven. ‘We stappen niet uit de BOA. Ik snap niet waar ArboNed dit vandaan haalt. We hebben niet besloten eruit te stappen. Net zoals bij alle abonnementen, geldt hier ook weer dat we kritisch kijken naar de toegevoegde waarde, maar concreet is er niets aan de hand. Al moet ik wel kwijt dat het opstappen van ArboNed en de liberalisatie van de arbomarkt het kritisch kijken hebben verhevigd.’

 

Woordvoerder Peter Boorsma van de BOA vindt het ‘erg jammer’ dat ArboNed uit de BOA stapt. ‘We hebben nu 1 juli gehad en onze leden spelen in op de ontwikkelingen in de markt. Het is logisch dat wij als brancheorganisatie kijken of we nog wel de bedrijven vertegenwoordigen die we zouden moeten vertegenwoordigen. Dat hadden we graag met ArboNed erbij gedaan.’

 

Volgens de BOA-woordvoerder zou je kunnen besluiten om de BOA ook voor niet-arbodiensten open te stellen. Het openstellen van het BOA-keurmerk voor niet-arbodiensten zou in die richting spreken. ‘Maar er zijn ook argumenten tegen. We moeten daar goed over nadenken en niet op een achternamiddag beslissen. We gaan er van uit dat we eruit komen. Je moet je ongeacht de politieke ontwikkelingen eigenlijk eens in de vier, vijf jaar bezinnen. Moeten we opleidingen doen? CAO’s afsluiten? Dat soort vragen kunnen aan de orde komen. We houden dit najaar extra vergaderingen. Deze maand moeten we daar wel uit komen. Ik heb ook alle vertrouwen dat Arboduo en Maetis Arbo wel lid blijven. Ze wachten de uitkomsten van de discussie even af. Dat kan ik me wel voorstellen.’

 

Certificeringinstelling DNV heeft haar competentienorm voor medewerkers voor preventietaken uitgebracht. Een waarborgcommissie van onder meer vertegenwoordigers van arbodiensten, brancheverenigingen en sociale partners stelde de norm samen.

 

Via eind- en toetstermen geeft de norm de grenzen aan van taken en bevoegdheden van de preventiemedewerker. Hierdoor ontstaat volgens DNV een profiel van de gewenste deskundigheid waarmee de preventiemedewerker zijn taken goed kan vervullen.

 

De norm beschouwt de preventiemedewerker als ‘eerstehulppost’ op de werkvloer. De preventiemedewerker moet daarvoor onder meer kennis hebben van de risico’s van het eigen bedrijf, risico’s kunnen signaleren, daarover adviseren en vooral op het juiste moment de weg weten naar (externe) deskundigen.

 

Werkdruk laat zich voorspellen aan de hand van de mate van concurrentie op de markt, reorganisaties, procesvernieuwingen en flexibilisering. Dat schrijven Noortje Wiezer, Peter Smulders en Ruud Nelemans van TNO Kwaliteit van Leven in het artikel ‘De invloed van organisatiekenmerken op werkdruk in organisaties’. De aard van het werk blijkt de belangrijkste werkdrukveroorzaker te zijn. Werkdruk stijgt ook naarmate er meer sprake is van lichamelijk zwaar werk.

 

Er komt een andere subsidieregeling voor scholing van jongeren met een Wajong-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten) die door hun handicap speciale voorzieningen nodig hebben. Deze regeling moet het behoud waarborgen van kennis van en ervaring met scholing van jonggehandicapten bij de vijf speciale scholingsinstellingen die deze scholing nu verzorgen. De regeling wordt opengesteld voor andere scholingsinstellingen, maar geeft de bestaande gespecialiseerde instel lingen voldoende mogelijkheden zich aan te passen aan de bestaande situatie, zo laat het ministerie van SZW weten.

 

Vakbond De Unie begint een eigen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Door zich op te geven voor de Unie inkomensbeschermer kunnen werknemers zich verzekeren tegen het risico van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.

 

FNV Bondgenoten startte samen met de werkgevers een onderzoek naar werkdruk onder de vaste medewerkers van uitzendbureaus. Volgens de bond kwamen er zoveel signalen van intercedenten en vestigingsmanagers dat tijdens de onderhandelingen over een nieuwe CAO een werkdrukonderzoek werd voorgesteld. Teruglopende omzetten, reorganisaties en een hoog ziekteverzuim trekken volgens de vakbond een grote wissel op het vaste personeel. Na afronding van het onderzoek gaan de sociale partners om de tafel.

 

De maximale arbeidstijd per week wordt voor dag- en nachtwerk 48 uur. Dat schrijft het kabinet in het concept-Arbeidstijdenbesluit dat het voor spoedadvies naar de Raad van State zond. Nu geldt nog een maximum van veertig uur voor nachtwerk. Dit is inclusief wachturen waarop niet gewerkt wordt, maar aanwezigheid vereist is. Wel krijgen werknemers de mogelijkheid meer te werken tot maximaal zestig uur per week. Als het aan het kabinet ligt, gebeurt de berekening van de gemiddelde werktijd en het aantal aanwezigheidsdiensten straks over 26 weken, in plaats van de huidige 13. De aanpassing werd noodzakelijk na het zogenoemde Jaegerarrest. Deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie bepaalde dat aanwezigheidsdiensten meetellen als werktijd. Daardoor liepen werkweken vaak op boven de toegestane veertig uur voor nachtwerk. Aanvankelijk wilde het kabinet wachten met de aanpassing van de regels op een nieuwe EU-richtlijn over arbeidstijden. Maar nu die wat langer op zich laat wachten, wil de regering regelgeving niet langer uitstellen. Onder meer door rechterlijke uitspraken is de onduidelijkheid over geldende normen toegenomen, zo schrijft het kabinet.

 

Gemeten over de periode 2000-2004 daalde het ziekteverzuim onder docenten in het voortgezet en basisonderwijs met dertig procent. In totaal zijn 11. 500 minder docenten ziek geweest, blijkt uit onderzoek van Bureau Regioplan. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)wijt de daling onder meer aan de invoering van de arboconvenanten waarin afspraken gemaakt werden over agressie, arbeidsconflicten, psychische belasting, werkdruk en reintegratie. De sociale partners en OCW stopten 4 miljoen euro in de start van de convenanten. In 2002 deed het ministerie daar nog eens 1, 9 miljoen euro bij. Het ministerie is wel zo eerlijk om de daling van het verzuim ook aan de economische situatie en de Wet verbetering poortwachter toe te schrijven.

 

Een oproep van CNV-voorzitter Rene Paas in het TROS-programma Radar naar klachten over werken met printers of kopieerapparaten leverde 240 reacties op. In de uitzending werd aandacht besteed aan de zogenaamde ‘tonerkrankheit ’. De bond wil een gesprek met de Gezondheidsraad en de Arbeidsinspectie over dit probleem. De ziekte heeft een Duitse naam omdat het in ons buurland al jaren een onderwerp is. Volgens Radar concludeerden Spaanse onderzoekers al in 1994 dat ziekmakende stoffen ronddwarrelen op de werkplek. Een jaar later bevestigden Amerikaanse wetenschappers dit. Vrijwilligers zaten een tijdje in een kamer met een laserprinter en een kopieerapparaat. Al na korte tijd hadden de proefpersonen geirriteerde luchtwegen en tranende ogen, zo beweert Radar. Het Universiteitsziekenhuis in Wenen publiceerde in 1995 een rapport waaruit blijkt dat aanzienlijke longschade kan ontstaan door fijnstof op kantoor. In de Duitstalige landen wordt er dan ook volop voor gewaarschuwd, aldus Radar. Het consumentenprogramma ging op visite bij de Duitse professor Michael Braungart van het Umweltinstitut in Hamburg. Hij concludeerde dat de fijne stoffen die de kopieeren printapparaten afscheiden bij inademing meer schade berokkenen dan het roken van sigaretten. In totaal is in Duitsland bij tweehonderd mensen medisch aangetoond dat ze ziek zijn geworden door tonerstofdeeltjes, zo viel te zien en horen in de uitzending. Braungart pleitte in de uitzending voor een filter op alle apparaten. In een persverklaring ontkent de branchevereniging van IT-, Telecom- en Officebedrijven in Nederland, ICT-office, dat er een probleem is. Zij vindt extra filters niet nodig. De uitstoot van fijnstof ligt in de praktijk onder de wettelijke limiet en uit uitgebreid onderzoek, onder meer in Duitsland, blijkt de veiligheid van het gebruik van originele toners in printers en kopieerapparaten, aldus ICT-office.

 

Huisartsen en bedrijfsartsen in Nederland werken nog steeds niet goed met elkaar samen. Dit concludeert Roel Bakker van de vakgroep Sociale Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Bakker onderzocht de samenwerking tussen huisarts en bedrijfsarts.

 

Door de slechte samenwerking kan de reintegratie van zieke werknemers stagneren, waardoor werknemers langer dan noodzakelijk werk verzuimen. Bakker promoveerde op 5 oktober aan de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Hij wijt de gebrekkige samenwerking vooral aan de door hem zo genoemde ‘klassieke scheiding in Nederland tussen medische behandeling enerzijds en de begeleiding van het ziekteverzuim anderzijds’. Deze scheiding is volgens de promovendus uniek in de wereld. In andere landen hebben huisarts en bedrijfsarts een meer geintegreerde taak – zowel behandeling als verzuimbegeleiding – waardoor samenwerking van minder groot belang is. Tal van projecten om de samenwerking tussen beide groepen in ons land te stimuleren, hebben niet het beoogde succes gehad.

 

Maar ook de privatisering van de ziektewet en de commercialisering van de bedrijfsgeneeskunde zijn debet aan de stroeve tie, zo betoogt de Groningse wetenschapper. De bedrijfsarts behartigt volgens hem nu zowel het belang van werkgever als werknemer.

 

Huisartsen zijn daardoor terughoudend geworden met het verstrekken van medische informatie aan bedrijfsartsen. Zij weten niet of de gegevens ook bij de werkgever terecht kunnen komen. Maar ook de opkomst van een groot aantal arbodiensten na de invoering van de nieuwe wetgeving en de vele fusies die daarna volgden, hebben nadelige gevolgen gehad voor de continuiteit van de bedrijfsgeneeskundige zorg en de bereikbaarheid van de bedrijfsartsen. Veel huisartsen weten niet wie de bedrijfsarts van hun patient is en meestal kan de patient zelf daar ook geen uitsluitsel over geven. Huisartsen hebben bovendien te weinig kennis van de taken van een bedrijfsarts, zo beweert Bakker.

 

Er zijn wel wat positieve ontwikkelingen. Zoals de verwijsfunctie van de bedrijfsarts en de vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraar. Ook de liberalisering van de arbodienstverleningsmarkt en het nieuwe zorgverzekeringsstelsel dat 1 januari ingaat, zijn goed voor de samenwerking tussen de curatieve sector en de bedrijfsgeneeskunde.

 

Toch schetst Bakker een somber beeld. De snel opeenvolgende veranderingen in wetgeving en bedrijfsgeneeskunde zijn een bedreiging voor de samenwerking. Deze samenwerking heeft namelijk een stabiele basis nodig waarin huis- en bedrijfsarts weten wat ze aan elkaar hebben. Omdat die basis niet stabiel is, biedt de nabije toekomst weinig uitzicht op verbetering in hun relatie, zo betoogt Bakker.

 

Prestaties op het werk en de gezondheid gaan vooruit als werknemers slim omgaan met tijd. Optimale werktijden, pauzeschema’s, werktempo en taakvariatie zijn essentieel. Dit geldt in het bijzonder voor werkzaamheden met veel langdurige, repeterende en monotone taken. Dit zei Michiel de Looze van TNO Kwaliteit van Leven in zijn inaugurele rede op 13 oktober aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

 

De Looze wordt hoogleraar Ergonomie van productie en productiemiddelen aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de VU. De leerstoel richt zich op mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit te verhogen en tegelijkertijd de gezondheid van werknemers te bevorderen.

 

Maetis Arbo is overgenomen door Beuys, Joseph, een groep ondernemingen op het gebied van arbo en reintegratie. Beuys, Joseph nam Maetis over van pensioenfonds PGGM en zorgverzekeraar VGZ. Maetis heeft 900 werknemers en een omzet van 80 miljoen euro per jaar.

 

De meubelindustrie heeft sinds vorige maand een eigen Verzuimsteunpunt. Dit Verzuimsteunpunt Meubelindustrie moet het aanspreekpunt worden voor bedrijven en hun werknemers bij verzuim en reintegratie. Het verzuimpunt dient bedrijven werk uit handen te nemen en ze te ondersteunen bij verzuim- en reintegratiebegeleiding van medewerkers.

 

De brancheorganisatie Centrale Bond van Meubelfabrikanten (CBM) en de vakbonden FNV Bouw en Hout- en Bouwbond CNV stappen hiermee in de mogelijkheid voor een eigen invulling van verzuimbegeleiding, die sinds 1 juli 2005 bestaat. Het steunpunt maakt deel uit van het Arboconvenant Meubelindustrie. Achmea verzorgt de dienstverlening van het Verzuimsteunpunt samen met de arbodiensten Arbo Unie, ArboNed en Achmea Arbo. Het Verzuimsteunpunt Meubelindustrie zetelt in Rijswijk.

 

Volgens de sociale partners in de meubelindustrie betekent de start van het verzuimpunt niet dat de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer wordt overgenomen. In de afgelopen periode hebben zich 55 bedrijven aangemeld om vanaf 1 oktober gebruik te maken van de dienstverlening.

 

Op verzoek van minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ontwikkelt de Gezondheidsraad protocollen die kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De Geus denkt dat het gebruik van deze protocollen de kwaliteit van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid verder verhoogt.

 

Dit zei hij tijdens de conferentie ‘Ziek en mondig’ op 27 september in Amsterdam. Zijn uitspraak is een reactie op het advies van de Gezondheidsraad over medisch handelen bij ziekteverzuim. De raad ijvert voor 3B-richtlijnen: richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding, die door alle beroepsgroepen gedragen worden. In deze richtlijnen moet ook systematisch verzamelde informatie over verzuimduur in relatie tot kenmerken van ziekten, personen en werksituaties worden verzameld. De raad introduceerde in zijn advies de term ‘mediprudentie’. Naar voorbeeld van de rechterlijke macht moeten individuele beoordelingen, begeleidingen en behandelingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, worden gekoppeld aan eerder gewogen casuistiek. De Gezondheidsraad stelt voor om ontwerpprotocollen te maken voor vijf tot tien aandoeningen die voor een groot deel van de arbeidsongeschiktheidsproblemen zorgen. Deze protocollen moeten de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van arbeids(on)geschiktheid ondersteunen, en kunnen worden gebruikt voor het maken van de 3B-richtlijnen.

 

De Gezondheidsraad noemde het opvallend dat in curatieve richtlijnen het functioneren op het werk geen rol van betekenis speelt. De beoordeling van arbeidsgeschiktheid komt volgens de raad noch in curatieve noch in bedrijfsgeneeskundige richtlijnen aan de orde. ‘De kwaliteitsbevorderende activiteiten die op dit vlak wel gaande zijn, richten zich vooral op de interpretatie van de arbeidsongeschiktheidswetgeving en op de verbetering van verzekeringsgeneeskundige beoordelingsprocedures’, aldus de raad.

 

Het advies rept over veelbelovende aanzetten tot afstemming tussen de bedrijfsgeneeskundige en de curatieve disciplines. Desondanks neemt de verzekeringsgeneeskunde nog steeds een geisoleerde positie in, vindt de raad. In het laatste hoofdstuk van het advies breekt de Gezondheidsraad een lans voor het betrekken van de factor arbeid in het niet-specifiek op arbeid georienteerde medisch-wetenschappelijk onderzoek.

 

De organisatie van de Kroon op het Werkprijs heeft een werkgeversforum in het leven geroepen. In dit forum adviseren en ondersteunen werkgevers elkaar over de wijze waarop zij in hun preventie-, verzuim- en (re)integratiebeleid rekening kunnen houden met de problematiek van werknemers met een arbeidshandicap. Verschillende organisaties doen mee: grote organisaties en bedrijven met (inter)nationale bekendheid zoals IBM, Akzo Nobel, Siemens, het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar ook kleine bedrijven als Taxi Central Schoorl, dat vorig jaar nog genomineerd werd voor de werkgeversprijs Kroon op het Werk.

 

Tien bedrijven mogen als eerste het BOA-keurmerk voeren. Vorige maand reikte de voorzitter van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI), Jan van Zijl, het keurmerk uit aan acht arbodiensten en twee arbodienstverleners zonder het certificaat arbodienst. Het gaat om Achmea Arbo, Arbo Unie, Ardyn, HumanCapitalCare, MCS Arbo en Vechtstad Consultancy, ArboDuo, Verzuim-Remedie, Maetis en Commit.

 

Het BOA-keurmerk is een initiatief van de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA). Het beheer van het keurmerk is in handen van de stichting in oprichting Transparant. De stichting bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, RWI, de Branche Organisatie Reintegratiebedrijven (BOREA), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het UWV en de Landelijke Clientenraad. Jan van Zijl wordt voorzitter. Het BOA-keurmerk moet werkgevers en ondernemingsraden houvast bieden bij het kiezen van een arbodienstverlener. Het keurmerk geeft zicht op de visie van de arbodienstverlener, de branchekennis en de bereidheid om bijvoorbeeld resultaatcontracten af te sluiten. Het garandeert ook dat de arbodienstverleners zich houden aan gedragscodes. Dit geeft werkgevers en ondernemingsraden de zekerheid dat hun partners zorgvuldig omgaan met bijvoorbeeld privacy en doorverwijzing naar derden. Ook garandeert het keurmerk een deugdelijke geschillenregeling. Op termijn wordt het BOA-keurmerk samengevoegd met het BOREA-keurmerk voor deugdelijke reintegratiebedrijven. Het zal dan een nieuwe naam krijgen.

 

De campagne ‘Een op zes’, waarin bouwvakkers op valgevaar worden gewezen, heeft volgens het CNV zijn vruchten afgeworpen. Volgens het vakverbond toont onderzoek aan dat werknemers bewuster zijn geworden van het valgevaar dat zij lopen. Ook al loopt de campagne niet meer, volgens het CNV zeggen werknemers in de bouw dat er veiliger gewerkt wordt.

 

De campagne had tot doel bouwvakkers bewust te maken van het valgevaar en verantwoordelijk te maken voor hun eigen veiligheid. Tijdens de campagne toonde zestig procent van de bouwvakkers zich bewust van het gevaar. Ruim een half jaar na afloop van de campagne is dat percentage volgens het CNV niet gedaald. Houding en gedrag zijn zelfs verbeterd. Toen de campagne nog liep, zei 49 procent van de ondervraagde bouwvakkers zich anders op te stellen ten aanzien van valgevaar. Inmiddels is dat percentage gestegen tot 59 procent. Ruim eenderde van de ondervraagden ging veiliger werken; nu zegt meer dan de helft dat toe.

 

Op de barricades! Tijdens het NVVK-congres van 29 september riep voorzitter Victor Roggeveen het publiek op om een breed front te vormen tegen het ‘flutbeleid’ van de overheid. Die gooit immers wel de wetgeving om, maar vertelt er niet bij hoe de taken van de betrokken deskundigen gaan veranderen. ‘Dat moet de markt maar zelf regelen’, luidt de mantra van SZW.

 

Roggeveen concludeert echter dat de markt het niet regelt. De werkgever is niet geinteresseerd in deskundigen en hij wil niet horen dat het loont om ze in te huren. Liever sluit hij een low-budgetcontract waarmee hij zijn verantwoordelijkheid afkoopt voor, laten we zeggen, elf euro per werknemer.

 

En als het misgaat? Dan krijgt hij wel te maken met de overheid. Maar die checkt bij voorkeur of de werkgever aan zijn administratieve eisen heeft voldaan. Dat is simpel na te gaan en risicoloos aan de rechter voor te leggen. De effectiviteit van die papiermassa interesseert de inspecteurs minder. Ze controleren niet wat zich werkelijk afspeelt op de werkvloer; de werkgevers zijn immers vrij om hun eigen beleid te voeren. Diezelfde werkgevers wekken niet de indruk dat ze staan te trappelen om met Roggeveen de barricades te beklimmen. Getuige die keer dat hij bij VNO-NCW aanklopte en voorstelde om een onderzoek te organiseren naar de toekomstige rol van de deskundigen. Hij kwam tot de drempel. Geen belangstelling, luidde het commentaar.

 

Een andere spreker in Eindhoven, Kirsten Verhoeven van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, kon deze huivering wel verklaren. Zij liet een tekening zien van een trapleer waarop mannetjes stonden. Hoe hoger de plaats op de ladder, hoe verder ontwikkeld de veiligheidscultuur.

 

Helaas bevinden de meeste bedrijven, en dus ook de meeste mannetjes, zich in het stadium van de pathologische cultuur. Veiligheid wordt gezien als een probleem veroorzaakt door de medewerkers. Als alles wettelijk is afgedicht, zijn ongevallen geen probleem.

 

Bedrijven die zo denken, vinden het moeilijk om de hogere stadia te begrijpen, vooral het allerhoogste stadium, het generatieve. ‘We doen het goed of we doen het niet’, luidt het devies. Hier zijn mensen voortdurend waakzaam en nieuwe ideeen zijn meer dan welkom. Jammer dus dat er wereldwijd slechts twee bedrijven zijn die aan dit profiel voldoen.

 

Toch klonken niet alle geluiden op het congres in mineur. Neem de bijdrage van Purdey van Wissen van SZW. Zij berichtte over het Programma Versterking Arbeidsveiligheid, waarin bij twintig voorbeeldbedrijven de veiligheidscultuur wordt aangepakt. Geert Wijnhoven, van Boss & Wijnhoven, vertoonde de schlager (‘Als je valt, dan valt het tegen’) en de commercials uit de campagne 1op6, en liet zien hoe je hiermee tussen de oren van de bouwvakkers kunt kruipen. En Michael van der Klip van de Koninklijke Marine wist onomstotelijk te bewijzen dat vluchtwegmarkering veel effectiever wordt met geluidssignalen.

 

Reageer op dit artikel