artikel

Actueel

Wetgeving

Staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 8 juli ingestemd met het SER-advies over het arbeidsomstandighedenbeleid voor de komende jaren. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft de staatssecretaris vast te stellen dat de SER de inzet van zijn adviesaanvraag volgt, al voegt hij er aan toe dat de raad een duidelijk andere aanvliegroute volgt door zijn voorstel voor een indeling in hoge en lage risico’s af te wijzen. De SER kiest voor een onderverdeling in doel- en middelvoorschriften en een Europees perspectief.

 

Van Hoof buigt voor de SER, maar schrijft wel te verwachten dat de sociale partners met middelvoorschriften dezelfde resultaten (vermindering van door bedrijven ervaren regeldruk) boeken als die hem voor ogen stonden met de hoog- en laagrisico indeling. De Staatssecretaris onderstreept het belang van een ‘European Level Playing Field’ en realiseert zich dat de totstandkoming van een Europees beschermingsniveau voor de werknemer een langdurige inzet vraagt. In zijn brief komt Van Hoof nog wel terug op zijn adviesaanvraag. Hij schrijft het door hem voorgestelde onderscheid tussen hoge en lage risico’s een meer zuivere afbakening te vinden van de overheidsverantwoordelijkheid. Maar de door de SER voorgestelde structuur van doel- en middelvoorschriften geeft volgens hem ook aan waar de overheid voor staat en wat de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers is. ‘Winst daarbij is dat deze benadering breed door partijen wordt gedragen.’

 

De SER stelt voor arbocatalogi in te stellen, waarin door sociale partners en branches afgesproken middelen komen te staan om aan de door de overheid geformuleerde doelvoorschriften te voldoen. Van Hoof volgt ook dat advies op en zegt dus geen rol meer te zien voor beleidsregels. Bij de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel herziening Arbowet worden ze ingetrokken.

 

Van Hoof is bereid het instrument van ‘naming and shaming’ in te trekken, waarbij de namen van slecht presterende bedrijven publiek worden gemaakt. Wel dreigt hij het instrument alsnog in te voeren als er onvoldoende resultaten worden geboekt. Uiterlijk in februari wil de Staatssecretaris met een Wetsvoorstel herziening Arbowet 1998 komen.

 

Deltalinqs University is door het European Process Safety Centre (EPSC) onderscheiden met een Europese veiligheidsprijs. De universiteit ontving de prijs op het World Congress of Chemical Engineering in Glasgow.

 

Deltalinqs University is een project van Deltalinqs, dat de gezamenlijke belangen behartigt van zo’n zeshonderd haven- en industriele bedrijven in ‘Mainport Rotterdam’. De virtuele universiteit werd twee jaar geleden opgericht als actief kennisnetwerk voor en door de belangrijkste petrochemische industrieen en aannemers in het Rijnmondgebied. Doel is ‘best practices’ op het gebied van veiligheidsbeheersystemen tussen bedrijven te delen. Inmiddels volgden ook ruim zevenhonderd personen veiligheids-workshops bij Deltalinqs University.

 

Het EPSC noemt de oprichting van de virtuele universiteit een ‘cruciale stap richting duurzaamheid’. Zij prijst vooral de actieve samenwerking met de regionale brandweer, de Arbeidsinspectie en de DCMR Milieudienst Rijnmond (die Deltalinqs nomineerde). Projectleider Tineke de Graaf van Deltalinqs University beschouwt de prijs als een ‘internationale erkenning’ voor het werk van kennisnetwerk.

 

De arbeidsinspectie heeft vorige maand samen met de Waterpolitie een inspectie aan wal onder 250 binnenvaartschippers afgerond. De resultaten van de inspectie zijn nog niet bekend.

 

De aanleiding voor het onderzoek is volgens de Arbeidsinspectie het relatief grote aantal dodelijke arbeidsongevallen in de binnenvaart. Tussen 1997 en 2004 vielen er twaalf doden. In acht gevallen ging het om dood door verdrinking. De inspectie lette vooral op het laden en lossen en in het bijzonder op het gevaar van vallen en gebrekkig onderhoud. Ook keken de inspecteurs naar de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten. Ze wezen binnenvaartwerkers op de noodzaak reddingsvesten onder gevaarlijke omstandigheden te dragen, zoals bij slecht weer.

 

In deze en komende maand volgen nog inspecties op varende schepen die samen met de Waterpolitie KLPD en de Zeehavenpolitie Rotterdam worden gedaan. Speerpunten bij de inspecties zijn de vaar- en rusttijden en de tewerkstellingsvergunning voor buitenlandse werknemers. Bij Lobith bleek op 9 van de 28 bezochte schepen illegaal te worden gewerkt. De inspectie controleert zowel binnenlandse als buitenlandse schepen.

 

De kans op ongelukken in de chemische industrie is het grootst tijdens onderhoudswerkzaamheden. Dat rapporteert de Arbeidsinspectie aan het kabinet.

 

Tussen april 2003 en september 2004 vonden 55 ernstige incidenten plaats met gevaarlijke stoffen in bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen. De meeste van deze ongevallen gebeurden in de chemische industrie. Na analyse van 36 incidenten in de sector maakte de inspectie in bijna de helft van de gevallen procesverbaal op of eiste ze maatregelen. De gevolgen van de ongevallen zijn vaak ernstig. Ze varieren van het vrijkomen van een kleine hoeveelheid gevaarlijke stoffen tot drie dodelijke slachtoffers. Bij zestien door de inspectie onderzochte voorvallen raakten werknemers gewond. In een derde van de incidenten was milieuschade het gevolg.

 

Omdat instructies en toezicht ontbreken of onderhoud op een verkeerde of onveilige manier wordt uitgevoerd, gebeurt meer dan de helft van de ongevallen tijdens onderhoudswerkzaamheden. Ook fouten in het ontwerp van installaties, gebrekkig materieel of het ontbreken van goede procedures voor het werk zijn belangrijke oorzaken, zo leert de analyse van de Arbeidsinspectie.

 

Nederland telt 350 bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen. Zij krijgen allemaal de analyse van de inspectie toegestuurd zodat ze hun veiligheidsmaatregelen kunnen aanscherpen.

 

Dit voorjaar startte de Arbeidsinspectie al met speciale controles op veiligheid van werknemers tijdens onderhoudsstops in de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektriciteitscentrales.

 

De Commissie Asbestprotocollen van de Gezondheidsraad adviseerde staatssecretaris Van Hoof van SZW deze zomer over longkanker na asbestblootstelling. In het advies spreekt de raad zich uit over de relatie tussen ziekte en blootstelling aan asbest. Ook gaat hij in op de vraag hoe kan worden vastgesteld of een opgetreden ziekte aan blootstelling bij het werk is toe te schrijven.

 

Volgens de Gezondheidsraad krijgen in Nederland 80 van elke 100.000 mannen en 27 van elke 100.000 vrouwen longkanker. Per jaar zijn dat 8800 gevallen. Tachtig tot negentig procent van de sterfgevallen is te wijten aan het roken. Naar schatting iets meer dan tien procent van de longkankergevallen bij mannen komt voor rekening van asbestblootstelling. Het protocol is te downloaden via www.gr.nl

 

De Europese Week voor veiligheid en gezondheid op het werk staat dit jaar in het teken van lawaai en wordt in de week van 24 t/m 28 oktober gehouden. Meer informatie over de themaweek ‘Weg met herrie’ staat op op www.arbo.nl/euweek/2005. Aanhoudende blootstelling aan meer dan 80 decibel aan lawaai kan leiden tot blijvende gehoorbeschadiging. Bijna een op de drie werknemers staat bloot aan hard geluid.

 

l. Baay Directeur financien en ICT bij Abron BV volgde op 1 september K. Stuijfzand op als lid van de hoofddirectie van Arbo Unie.

 

Het Trainings Instituut voor Gezondheid Revalidatie en Arbeid (Tigra) heeft haar activiteiten uitgebreid met een ergonomische adviesdienst. De tien specialisten op ergonomisch gebied richten zich op preventie binnen bedrijven. Tigra is een dienstverlener met veertig vestigingen in het land.

 

De zoekmachine EHBW.nl (Eerste Hulp Bij Werk) is gerestyled. Op de site kunnen werknemers en werkgevers zoeken naar informatie van diverse organisaties over arbeidsomstandigheden, verzuim en reintegratie. De site is een initiatief van de Commissie Het Werkend Perspectief.

 

De regels voor aanwezigheidsdiensten worden toch aangepast door het kabinet. De Europese rechter rekent slaapdiensten ook als werktijd. De slaapdiensten hoeven weliswaar niet te worden betaald, maar tellen wel mee in het maximum van 48 uur dat er mag worden gewerkt. In de aanpassing is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen die werken langer dan 48 uur mogelijk maakt. De aanpassing geldt als overgang naar een nieuwe EU-richtlijn die niet voor eind 2006 wordt verwacht.

 

Steeds meer mensen werken over terwijl ze er niet voor worden betaald. Dat becijfert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in de Sociaal-economische trends 2005 deel 3. Vorig jaar ging ruim een derde (37 procent) van de werknemers regelmatig na vijven door.

 

Twee jaar daarvoor was dat nog 32 procent. Vooral werknemers van 25 tot 44 jaar tonen zich ijverig. Ouderen boven de 55 jaar en jongeren houden zich meer aan hun officiele werktijd. Ruim eenderde van de overwerkers kreeg geen compensatie in tijd of geld voor het overwerk. Bij hoogopgeleide werknemers ligt dit percentage nog hoger. Tweederde van hen krijgt geen enkele compensatie.

 

Onderwijspersoneel werkt het meest over. Zes van de tien werknemers gaven aan regelmatig meer uren te maken dan is afgesproken. Ook in de zakelijke dienstverlening en bij de financiele instellingen wordt relatief veel overwerk verricht, net als in de sectoren vervoer, opslag, communicatie en landbouw.

 

Tussen 2001 en 2004 is het aantal werkenden dat met een burn-out te kampen heeft gelijk gebleven met 700.000 op zeven miljoen werkenden. Dat schrijft het Centraal Bureau voor de Statistiek in het deze zomer gepubliceerde Permanent Onderzoek Leefsituatie.

 

In het onderwijs komen de meeste klachten voor. Bijna veertien procent van de onderwijswerknemers kampt met een burn-out. De horeca komt met twaalf procent op de tweede plaats. De financiele instellingen springen er het gunstigst uit. In deze branche voelt zes procent van de mensen zich opgebrand.

 

Hoge werkdruk, beperkte ontplooiingskansen en geringe zeggenschap over de eigen werkzaamheden zijn volgens het CBS vaak de oorzaak van een burn-out. Onder vrouwen komt het even vaak voor als onder mannen.

 

Bijna gelijktijdig vonden Nederlandse en Britse wetenschappers lichamelijke verschillen tussen gezonde mensen en CVS/ME-patienten. Onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen toonden aan dat patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom minder grijze stof in hun hersenen hebben dan gezonde mensen. De onderzoekers maakten MRI-opnamen van de hersenen van CVS-patienten en van proefpersonen zonder CVS. Zij publiceerden de ontdekking in het vaktijdschrift NeuroImage. Volgens de Nijmeegse onderzoekers ondersteunen de resultaten de theorie dat er bij CVS afwijkingen in de hersenen zijn. Het is volgens de Nijmegenaren nog niet duidelijk of het waargenomen verschil deel uitmaakt van de oorzaak van CVS dan wel er een gevolg van is. Ook is een belangrijke nog te beantwoorden vraag of een succesvolle behandeling in de vorm van cognitieve gedragstherapie van invloed is op het grijzestofvolume van de CVS-patient. De vondst biedt volgens de wetenschappers wel aanknopingspunten voor verder onderzoek naar de oorzaken en de ontstaanswijze van CVS.

 

Britse onderzoekers beweren in het tijdschrift New Scientist genetische verschillen in witte bloedcellen tussen ME-patienten en gezonde mensen te hebben gevonden. In het artikel ‘Chronic fatique is not all in the mind’ zegt de leider van het onderzoeksteam, Jonothan Kerr, het bewijs te hebben geleverd dat ME wel degelijk een biologische oorsprong kent. Het onderzoeksteam van het Imperial College in Londen vergeleek de genen van 25 gezonde mensen met die van 25 ME-patienten. Het gedrag van 35 van de 9522 onderzochte genen week af van dat van de genen van gezonde mensen. De afwijking hadden hun oorsprong in de energiecentra van de cellen, mitochondria, die een rol spelen bij de aanmaak van eiwitten, het immuunsysteem en zenuwcellen. Volgens de onderzoeker past de uitkomst bij het gegeven dat deze patienten gebrek aan energie hebben en lijden aan ernstige vermoeidheid. ‘We tonen aan dat de witte bloedcellen en de activiteit die ze vertonen een belangrijke rol spelen bij het ziekteproces .’

 

De diverse ME-belangengroeperingen zijn blij met de onderzoeksresultaten. Volgens de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid is het ‘duidelijk dat de bij sommigen nog steeds bestaande vooroordelen over ME/CVS en de mogelijkheden tot behandeling daarvan bijstelling behoeven. Ook voor de (her)keuringspraktijk, de nieuwe wet WIA en de toekenning van aangevraagde hulp en hulpmiddelen is het van groot belang dat de biologische neurologische basis en de ernst van ME/CVS nogmaals zijn vastgesteld. Zelfs minister Hoogervorst zal nu niet langer om de erkenning van ME/CVS heen kunnen’, aldus de steungroep.

 

Voorzitter Jeanne Slok-Keijzer van de patientenorganisatie ME/CVS stichting ziet geen discrepantie tussen de Britse en Nederlandse onderzoeken. Zij neemt beide onderzoeken serieus. ‘We hebben de minister in een brief gevraagd extra geld uit te trekken voor nader onderzoek. Het Nederlandse onderzoek kan dan voortgezet worden, waarbij de minister kan afdwingen dat ook de resultaten van het Britse onderzoek worden meegenomen .’

 

Arbo Unie mag zich sinds afgelopen zomer ‘official health partner’ noemen van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB). De arbodienst sloot een driejarig contract met de voetbalbond. Arbo Unie levert exclusief arbodiensten aan de ruim vierhonderd medewerkers en de scheidsrechters in het betaald voetbal. De betaald voetbalclubs en de hun spelers vallen buiten de overeenkomst.

 

Arbo Unie-directeur Dick van der Laan kondigde aan dat zijn arbodienst samen met de KNVB programma’s gaat ontwikkelen die gericht zijn op gezondheidsbevordering, sportbeoefening en stimulering van teamprestaties binnen bedrijven. KNVB-directeur Henk Kesler liet in een reactie weten blij te zijn met Arbo Unie omdat de arbodienst marktleider en een A-merk is.

 

De Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) heeft een keurmerk arbodienstverlening in het leven geroepen. Volgens BOA woordvoerder Peter Boorsma staat het keurmerk uitdrukkelijk ook open voor niet-arbodiensten en is het initiatief geen poging de markt alsnog af te schermen. ‘Nee, we hebben de liberalisering van de arbodienstverleningsmarkt actief gesteund, maar we vinden op basis van tien jaar ervaring dat nieuwe toetreders aan een aantal eisen moeten voldoen.’

 

Die eisen staan op de site www.boakeurmerk.nl. Transparantie, integriteit en aandacht voor de klant zijn belangrijke peilers, aldus BOA. Daarnaast kunnen de arbodienstverleners ook hun eigen specifieke kwaliteiten kwijt. Boorsma: ‘De eisen en kwaliteiten zijn voor iedereen te checken. Je hoeft niet naar Middelburg om daar de voorwaarden voor levering in te zien, maar kan het op de site nalezen. Het is bedoeld voor werkgevers die het goed voor hebben met hun werknemers. Gelukkig is dat de meerderheid.’

 

De BOA controleert de keurmerkhouders door audits te gaan houden. Ook is er een klachtenregeling. ‘Maar we gaan niet controleren of een arbodienst die belooft vier keer per jaar contact met de ondernemingsraad te onderhouden, dit ook daadwerkelijk doet. We nemen aan dat het betreffende bedrijf dan aan de bel trekt onder verwijzing naar de voorwaarden die op de site staan.’

 

Volgens Boorsma heeft tachtig tot negentig procent van de zeventien BOA-leden al toegezegd mee te doen met het keurmerk en zijn er diverse aanmeldingen van niet-BOA-leden.

 

Maar liefst zes van de tien instellingen in de gehandicaptenzorg doet onvoldoende om lichamelijke belasting van werknemers te beperken. Ook de bescherming van werknemers tegen agressie en geweld van clienten schiet nog tekort, al worden wel steeds meer maatregelen genomen. Dat schrijft de Arbeidsinspectie in een rapport dat staatssecretaris Van Hoof vorige maand naar de Kamer stuurde.

 

De inspectie bekeek of de afspraken in een arboconvenant zoden aan de dijk zetten. Tussen 2001 en 2004 werden praktische maatregelen ontwikkeld om de lichamelijke en psychische belasting van de 120.000 werknemers in de gehandicaptenzorg te verminderen. Maar vooral de aanpak van lichamelijk zwaar werk bleef achter bij de verwachtingen.

 

Bijna een op de vijf instellingen heeft een structureel probleem en bij veertig procent van alle instellingen is verbetering nodig. Vooral veilig tillen vormt een probleem. Er zijn te weinig tilhulpmiddelen en ook schort het aan voorlichting. De inspecteurs eisten 319 keer een verbetering en gaven 32 waarschuwingen. Ruim tweederde van alle instellingen past niet alle instrumenten tegen agressie en geweld toe die in het kader van het convenant zijn ontwikkeld.

 

Centrum van normalisatie NEN heeft een praktijkrichtlijn gepubliceerd met handvatten voor functiebehoud bij brand van belangrijke elektrische installaties. Ook geeft de praktijkrichtlijn aan hoe de genomen veiligheidsmaatregelen vastgelegd kunnen worden. Dit is van belang voor certificatie en controle. De praktijkrichtlijn NPR 2576 is bedoeld voor transmissiewegen. Een transmissieweg is de fysieke verbinding die zorgt voor de overdracht van informatie of energie. Zo dient bij brand de informatieoverdracht vanaf de rookmelder vlekkeloos te blijven verlopen. Er mag dan geen uitval zijn door bijvoorbeeld kortsluiting.

 

Volgens het NEN zijn er wel normen voor meldinstallaties, maar wordt in deze normen niet beschreven hoe ervoor te zorgen dat de installaties bij brand overeind blijven. De NPR 2576 doet dat wel, aldus het centrum. De richtlijn geeft concrete aanwijzingen voor bekabeling, ophanging en montage van transmissiewegen. De laatste versie van NEN 2575 (2004), de norm voor ontruimingsalarminstallaties, verwijst voor functiebehoud naar NPR 2576. Het onderhoud van ontruimingsinstallaties wordt beschreven in NEN 2654-2, waarvan eveneens sinds 2004 een nieuwe versie beschikbaar is. De nieuwe Modelbouwverordening verwijst naar deze beide nieuwe versies. Voor inhoudelijke informatie over deze norm(en) of over het normalisatieproces: Nico van den Berg, telefoon 015-269 01 75.

 

Reageer op dit artikel