artikel

ARIE: bruggenhoofd naar externe veiligheid

Wetgeving

Bedrijven met grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen hadden van oudsher te maken met bijzondere verplichtingen. Soms kwamen die neer op het opstellen van rapporten (zie tabel 1). Vanaf 1994 hadden alle bedrijven te maken met de risicoinventarisatie en -evaluatie (RI&E) op grond van de Arbowet. Voor bedrijven met weinig gevaarlijke stoffen (de ‘lichte categorie’) was de kous daarmee af. Werd er met grote hoeveelheden stoffen gewerkt, dan kon een bedrijf te maken krijgen met de verplichting om een Extern Veiligheidsrapport (EVR) op te stellen op grond van de milieuwetgeving.

 

Daarnaast kon men verplicht zijn tot het opstellen van een AVR op grond van de Arbowet. Of een bedrijf dergelijke rapporten moest opstellen werd bepaald met een rekenmethode op grond van de hoeveelheid en aard van de stoffen. Omdat de daarin gebruikte drempelwaarden voor beide rapportages (de ‘aanwijsgronden’) verschilden, waren er bedrijven met alleen een AVR-verplichting en bedrijven met een EVR- en AVR-verplichting.

 

In 1999 maakte het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo’99) daaraan een einde. Dit besluit is gebaseerd op maar liefst vier wetten: Wet milieubeheer, Arbowet, Brandweerwet en Wet rampen en zware ongevallen. Met het besluit werd het Veiligheidsrapport (VR) ingevoerd en kwam de EVR-verplichting te vervallen. Voor de VR-plichtige bedrijven kwam ook de AVR te vervallen.

 

De aanwijsgrond wijzigde en een verdubbeling van het aantal ‘zwarecategoriebedrijven’ was het gevolg.

 

Hoewel de samenvoeging van AVR en EVR voor deze bedrijven een zekere vereenvoudiging betekende, ontstond er wel een ingewikkelder geheel van categorieen bedrijven. In de eerste plaats omdat er, zoals gezegd, nog steeds AVR-plichtige en VR-plichtige bedrijven waren. In de tweede plaats omdat het Brzo’99 onderscheid maakt tussen bedrijven die een Veiligheidsrapport moeten opstellen en bedrijven die alleen een zogenoemd Preventiebeleid Zware Ongevallen (PBZO) moeten voeren. Deze bedrijven moeten wel een veiligheidsbeheerssysteem (VBS) hebben maar hoeven geen Veiligheidsrapport op te stellen. De ‘middencategorie’ (tussen RI&E en VR) is daardoor opgesplitst in drieen: bedrijven met PBZO-verplichting, bedrijven met AVR-verplichting en bedrijven die met beide verplichtingen hadden te maken.

 

Als het Brzo ‘99 de brug vormt tussen interne veiligheid (arbeidsveiligheid) en externe veiligheid, dan is ARIE het bruggenhoofd aan de arbo-oever.

 

Het ARIE-besluit gaat namelijk strikt genomen alleen over arbeidsveiligheid terwijl het toch talloze elementen bevat die ook te maken hebben met externe veiligheid.

 

Met de invoering van het ARIE-besluit blijft de driedeling in de middencategorie gehandhaafd. Er is dus vanaf nu sprake van vijf soorten bedrijven met gevaarlijke stoffen.

 

1. VR-bedrijven die op grond van het Brzo een Veiligheidsrapport moeten opstellen en waarvoor weinig verandert met de invoering van het ARIEbesluit. Deze bedrijven krijgen overigens wel te maken met de informatieplicht naar buurbedrijven die in het ARIE-besluit is opgenomen.

 

2. ARIE-PBZO-bedrijven die ARIE-plichtig zijn en bovendien op grond van het Brzo een preventiebeleid zware ongevallen moeten voeren. Omdat veel ARIE-verplichtingen lijken op de PBZO-verplichtingen, hoeven deze bedrijven aanvullend alleen hun RI&E aan te vullen met scenario’s. Bovendien gelden enkele aanvullende eisen voor het noodplan en de al genoemde informatieplicht naar buurbedrijven.

 

Of een bedrijf of inrichting ARIE-plichtig is, wordt overigens gebaseerd op de gevaarlijke stoffen per installatie, terwijl de PBZO-verplichtingen worden bepaald door de totale hoeveelheid stoffen in het bedrijf.

 

3. ARIE-bedrijven die zijn verplicht tot het opstellen van een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie en waarbij de AVR per installatie wordt vervangen door een ARIE per bedrijf. Naast de ex-AVRbedrijven omvat deze categorie overigens ook bedrijven die voorheen geen AVR hoefden op te stellen, zoals vervoerbedrijven.

 

4. PBZO-bedrijven die op grond van het Brzo een preventiebeleid zware ongevallen moeten voeren maar niet ARIE-plichtig zijn en waarvoor dus ook niets verandert met de invoering van het ARIEbesluit.

 

5. RI&E-bedrijven die geen bijzondere rapporten behoeven op te stellen. De aandacht voor gevaarlijke stoffen concentreert zich bij deze bedrijven in de RI&E. Voor deze bedrijven verandert er niets met de invoering van het ARIE-besluit. Deze bedrijven moeten zich uiteraard wel houden aan de voorschriften voor het werken met gevaarlijke stoffen die zijn opgenomen in bijvoorbeeld het Arbobesluit en in milieuvergunningen.

 

TABEL 1. OVERZICHT VEILIGHEIDSDOCUMENTEN

 

 

TABEL 2. ARIE EN DE OVEREENKOMSTEN MET RI&E, VR EN AVR

 

 

Het op het eerste gezicht merkwaardige patroon in de tabel wordt dus veroorzaakt door de verschillen in aanwijsgronden. Zo worden de drempelwaarden in de systematiek van het Brzo berekend op grond van cumulatieve hoeveelheden gevaarlijke stoffen op het gehele bedrijfsterrein. Terwijl bij AVR en ARIE wordt gekeken naar gevaarlijke stoffen per installatie.

 

Op zich is dat verschil niet verwonderlijk want bij Brzo gaat het ook om externe en bij AVR en ARIE uitsluitend om interne risico’s. Voor de externe veiligheid telt het totale risico vanuit het bedrijf op de omgeving. Terwijl het bij de interne veiligheid (arbo) gaat om risico’s voor werknemers die werken aan specifieke installaties.

 

De invoering van de ARIE komt op het moment dat veel bedrijven nog volop worstelen met de wetswijzigingen van 1999. Er kwam weliswaar een overheidsloket waarin provincie, gemeenten, brandweer, waterschappen en Arbeidsinspectie samenwerken en een mening uitspreken. Maar de praktijk is weerbarstig en wijst uit dat het ene loket nog lang niet vlekkeloos functioneert. Meer dan driehonderd bedrijven zijn de afgelopen jaren druk bezig geweest met het vormgeven van een preventiebeleid zware ongevallen, ruwweg 150 hiervan moesten ook een Veiligheidsrapport opstellen.

 

En een aantal hiervan is nog maar net klaar.

 

Centraal in het Veiligheidsrapport staan de zogenoemde installatiescenario’s. Om deze op te stellen moeten allerlei directe oorzaken (corrosie, erosie, temperatuur, druk, trillingen, impact, externe belasting, operatorfout) worden bestudeerd. Vervolgens worden voor elk scenario een effect en een kans vastgesteld die worden geevalueerd met behulp van een zogenaamde risicomatrix. Het bedrijfsleven en de diverse overheden hebben dit ervaren als een enorme inspanning.

 

Gelukkig kan men deze ervaring gebruiken in de toekomst omdat een aantal wetsartikelen uit Brzo’99 bijna letterlijk is overgenomen in de tekst van het ARIE-besluit.

 

In de praktijk vertoont de ARIE overeenkomsten met enerzijds de RI&E en anderzijds met de veiligheidsrapportages (VR en AVR). De tabel vat de belangrijkste overeenkomsten en verschillen samen en maakt duidelijk dat de ARIE van alles een beetje heeft.

 

De ARIE-verplichtingen gaan minder ver dan die van het VR-regime en dat heeft zijn weerslag op de vereiste technische en organisatorische maatregelen.

 

Bovendien ligt het accent bij de risico’s, en dus ook bij de maatregelen, op de interne veiligheid.

 

ARIE-bedrijven hebben overigens niet per definitie te maken met kleinere risico’s dan VR-bedrijven.

 

De directe omgeving van een installatie met gevaarlijke stoffen kan voor de werknemers in een bedrijf immers gevaarlijker zijn dan de woonomgeving van tien installaties in een ander bedrijf.

 

Terwijl dat tweede bedrijf op grond van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen VR-plichtig is en het eerste niet. Aan de andere kant gaat het ARIE-besluit een stuk verder dan de ‘normale’ verplichtingen van de RI&E. Het gaat immers om grotere en specifiekere risico’s. Dat betekent dat de toetsende taak van de arbodienst geen eenvoudige zal zijn.

 

Om deze specialistische taak te kunnen uitvoeren, moeten de arbodiensten zich verdiepen in de risico’s van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeheerssysteem gaat immers op verschillende aspecten verder dan een doorsnee arbozorgsysteem.

 

Hoe de arbodiensten gaan inspelen op de nieuwe situatie moet nog blijken in de praktijk. Het bijscholen van medewerkers is een mogelijkheid. Er zijn daartoe zelfs speciale ARIE-cursussen georganiseerd.

 

Andere mogelijkheden zijn het werven van nieuwe medewerkers met de juiste ervaring of het gebruik maken van de diensten van adviesbureaus met specialistische ervaring op het gebied van Brzo’99.

 

Er zal ongetwijfeld discussie ontstaan over de rol van de arbodiensten. Is deze niet te zwaar? Waarom is niet gekozen voor een nadrukkelijker rol voor de Arbeidsinspectie zoals bij de AVR? Het ARIE-besluit kiest voor toetsing door de arbodienst en inspectie door de Arbeidsinspectie. Daarmee zijn adviseren en controleren duidelijk gescheiden en daar is wel wat voor te zeggen. Het is in feite hetzelfde onderscheid dat geldt bij de RI&E. Wil deze rolverdeling in de praktijk werken, dan is een goede voorbereiding door de arbodiensten noodzakelijk.

 

De door de overheid gesubsidieerde ARIE-cursussen werden al genoemd in dit verband. Er wordt een brochure ontwikkeld die extra ondersteuning kan bieden bij het opstellen van scenario’s. Voor vervoersgebonden inrichtingen is een standaardset scenario’s opgesteld. Individuele bedrijven kunnen hieruit de scenario’s selecteren die voor hun specifieke situatie van toepassing zijn.

 

TABEL 3. AFKORTINGENLIJST

 

 

SAMENVATTING

 

Bedrijven die veel met gevaarlijke stoffen werken, moeten voortaan beschikken over een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE). De Arbeidsveiligheidsrapportage (AVR) komt daarmee te vervallen. De nieuwe regelgeving sluit volgens de overheid beter aan op Europese richtlijnen en zorgt voor een vermindering van de administratieve belasting van het bedrijfsleven. De meest opvallende verandering zijn de scenariobeschrijvingen die dienen om de risico’s te inventariseren. Ook wordt meer nadruk gelegd op organisatorische aspecten zoals het voeren van een preventiebeleid. De ARIEverplichtingen gaan minder ver dan die van het VR-regime en dat heeft zijn weerslag op de vereiste technische en organisatorische maatregelen. Bovendien ligt het accent bij de risico’s, en dus ook bij de maatregelen, op de interne veiligheid. Er zijn vijf soorten bedrijven met gevaarlijke stoffen: VR-bedrijven, ARIE-PBZO-bedrijven, ARIE-bedrijven, PBZO-bedrijven en RI&E-bedrijven. Het ARIE-besluit kiest voor toetsing door de arbodienst en inspectie door de Arbeidsinspectie.

 

 

Reageer op dit artikel