artikel

Brandmelder: afbrandinstallatie of levensredder?

Wetgeving

Het ontruimen van een gebouw in vijftien minuten zal in een overzichtelijke situatie geen probleem opleveren. Maar bij een late ontdekking kunnen vluchtwegen onbruikbaar worden. Ook als het gebouw ingewikkeld, erg groot of hoog is, zal het mogelijk niet lukken om tijdig te ontruimen. Een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie kan de situatie verbeteren en de ontdekkingstijd terugbrengen tot vijf minuten[1] . Dat betekent dat acht minuten eerder ontruimd kan worden en dat de brandweer tien minuten eerder gereed is voor inzet, omdat de meldtijd goeddeels wegvalt. De investering is dus negen cruciale minuten tijdwinst. Dat is het nut. Toch hebben we te maken met enkele hardnekkige problemen:

 

– de installaties zijn ‘niet gewenst’;

 

– arbo-adviseurs zijn beperkt betrokken bij het verschijnsel brand;

 

– de rol van het branddetectiebedrijf is dubbel.

 

BRANDMELDINSTALLATIES

 

Nederland onderscheidt installaties voor het detecteren van brand en voor het ontruimen. Zowel de wetgever als de normering gaat uit van een brandmeldinstallatie die met een stuurcontact een ontruimingsalarminstallatie aanstuurt. Zelfs als deze twee installaties in een kast zijn ondergebracht of het geheel zich op een printplaat bevindt, zijn het toch twee installaties.

 

elke brandmeldinstallatie bestaat uit een centrale eenheid, gekoppeld aan handbrandmelders en automatische brandmelders. de centrale eenheid vertaalt de informatie naar handelingen. Zo kan de overheidsbrandweer worden gealarmeerd (via de Regionale AlarmCentrale, het RAC), kleefmagneten op branddeuren worden vrijgegeven, overdrukinstallaties in trappenhuizen worden ingeschakeld of de ontruimingsalarminstallatie afgaan. brandmeldinstallaties hebben een speciale norm, de NEN 2535.

 

de ontruimingsalarminstallaties zijn er als luidalarm- en stilalarminstallaties. de luidalarminstallaties (NEN 2575) zijn te onderscheiden in installaties met gesproken woord (type A) en de vaak voorkomende installaties met ‘slow-whoops’ (type B). installaties met gesproken woord worden alleen toegepast op grote of ingewikkelde objecten of bij grote hoeveelheden mensen.

 

 

Het ‘niet gewenst’ zijn van installaties komt voort uit de regelgeving. De wetgever (gemeente) koppelt deze installaties in de bouwverordening aan het gebruik van bouwwerken (gebruiksvergunning). Het management heeft dit brandpreventiemiddel niet zelf gekozen. Daarbij is de systematiek van voorschrijven zeer gedetailleerd en zonder zichtbare risicoanalyse. De rol van het management bij het beheersen van risico’s – zoals de Arbowet vereist – is daarmee dus tenietgedaan. Omdat er weinig draagvlak is voor de installaties, besteden veel bedrijven te weinig aandacht aan beheer en onderhoud. En door onvoldoende onderhoud komt ‘ongewenst alarm’ zeer vaak voor, ondanks de hoge technische kwaliteit van de installaties. Zo rukte in 2006 de brandweer maar liefst 113.000 maal uit. Daarvan was 60 procent, 63.000 maal, ‘loos alarm’. Hiervan waren er 52.800 veroorzaakt door brandmeldinstallaties[1] .

 

 

De beperkte betrokkenheid van de arbo-adviseurs, het tweede probleem, wordt al zichtbaar bij het analyseren van hun opleidingen. Brand en preventie krijgen daar betrekkelijk weinig aandacht. De opleidingen richten zich voornamelijk op de Arbowet. Ook die besteedt weinig aandacht aan brand(preventie). De geringe kennis en het opgelegde karakter van de installaties nodigen niet echt uit tot betrokkenheid.

 

Het derde probleem zit in het verschil tussen wat de ‘Regeling brandmeldinstallaties’ definieert als rol voor het branddetectiebedrijf en de praktijk van alledag. Volgens de regeling is stap 1 een risicoanalyse. Op basis daarvan zouden de eigenaar/gebruiker en de eisende partij samen het Programma van Eisen (PvE) moeten opstellen. Vervolgens moet de betrokken projecteringsdeskundige van het branddetectiebedrijf die het project uitvoert ervoor zorgen dat zijn installatie aansluit bij de (BHV)-organisatie van de klant. Allemaal zaken die de arbo-adviseur van het bedrijf onmiddellijk zullen aanspreken. De zware concurrentie maakt het invullen van deze rol voor het branddetectiebedrijf echter bijna onmogelijk. Het gevolg is dat een PvE opstellen vaak een onderonsje is tussen brandweer en branddetectiebedrijf. Deze drie problemen gaan over drie heel verschillende disciplines. De oplossing laat daarom nog wel even op zich wachten.

 

De wetgever – veelal de ‘eisende partij’ – in de systematiek van de gebruiksvergunningen zou meer de werkwijze van de Arbowet moeten volgen. Dit kan door meer doelstellingsgerichte regelgeving te maken, in plaats van zeer gedetailleerde plaatsingsvoorschriften. De gebruiker beslist dan zelf over de te kiezen oplossing van het probleem. Ook zouden marktpartijen in de Regeling Brandmeldinstallaties ervoor moeten zorgen dat de adviesrol van het branddetectiebedrijf wordt losgekoppeld van de aanleg van de installatie. Dit kan door het schrijven van het PvE los te maken van de prijsaanvraag voor het aanleggen van de installatie. Hierdoor wordt de invloed en dus de betrokkenheid van het management groter, met als gevolg meer draagvlak voor de installaties. Momenteel wordt gewerkt aan vernieuwingen in de regelgeving, zoals het Gebruiksbesluit en een aanpassing van de Regeling Brandmeldinstallaties. Laten we hopen dat vertegenwoordigers van de arbo-adviseurs – vooral het brandpreventieforum van de NVVK – voldoende gewicht in de schaal kunnen leggen om de situatie te verbeteren.

 

TIPS VOOR DE ARBO-ADVISEUR

 

– Zorg samen met de inkoper voor een doordacht PvE. Dan sluit de nieuwe installatie aan op de werkwijze van de BHV en hoe een gebouw wordt ontruimd.

 

– Zorg voor goed beheer en onderhoud van de brandmeldinstallatie, conform de NEN 2654-1 en 2. Stel een beheerder aan vanuit het eigen personeel of besteed de controle uit.

 

– Zorg ervoor dat de bedrijfshulpverlening met de installaties kan omgaan.

 

– Regel bijvoorbeeld dat de BHV ’ers in het gebouw kunnen communiceren met de persoon die het bedieningspaneel bedient.

 

– Kijk of de alarmeringszones overeenkomen met de delen van het gebouw die de BHV bij ontruiming controleert.

 

– Zorg dat de BHV is geinstrueerd in het bedienen van de ontruimingsalarm-installatie.

 

– Evalueer elk loos alarm om dit in de toekomst te vermijden.

 

 

Reageer op dit artikel