artikel

De inzet van vrijwilligers

Wetgeving

Er is alleen dan sprake van een vrijwilliger als deze zijn werkzaamheden niet bij wijze van beroep verricht. Bij de vraag of iemand beroepshalve werkzaamheden verricht, is de beloning die tegenover de werkzaamheden staat van belang, en of deze beloning enigszins in overeenstemming is met het werk. Het gaat er daarbij om of de beloning in redelijke mate in overeenstemming is met de (aard van de) verrichte werkzaamheden.

 

Bij een beloning die als marktconform aan te merken is, is geen sprake van ‘vrijwilligerswerk’. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is namelijk dat een eventuele vergoeding in geen verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van de verrichte werkzaamheden. Die heeft meer het karakter van een forfaitaire kostenvergoeding. Hierbij is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de vrijwilligersregeling in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Iedereen die onder deze definitie valt, is aan te merken als vrijwilliger in de zin van de Arbowet. Beroepskrachten bij vrijwilligersorganisaties vallen hier dus niet onder. Voor hen gelden alle verplichtingen op basis van de Arbowet.

 

Het is niet zo dat de werkgever helemaal geen verplichtingen heeft naar vrijwilligers. Een aantal bepalingen uit de arboregelgeving zijn ook van toepassing verklaard op deze groep. Die staan hierna genoemd. De werkgever moet deze bepalingen ten aanzien van vrijwilligers naleven. In artikel 9.5a van het Arbobesluit is dit allemaal precies na te lezen.

 

– De belangrijkste componenten hebben betrekking op het werken met gevaarlijke stoffen in het algemeen en sommige stoffen in het bijzonder. Voorbeelden zijn asbest, kankerverwekkende stoffen en mutagene stoffen.

 

– Daarnaast heeft de vrijwilliger recht op een goede werkplek die voldoet aan de bouwkundige en hygienische eisen. Valgevaar moet daarbij worden voorkomen en de werknemer moet beschermd zijn tegen rondvliegende en vallende voorwerpen.

 

– Fysieke belasting staat op de lijst van te voorkomen zaken, net als blootstelling aan een te hoog geluidsniveau, trillingen en straling. Eveneens gelden voor vrijwilligers de bepalingen ten aanzien van het werken on der overdruk en het verrichten van duikarbeid.

 

– Arbeidsmiddelen waarmee de vrijwilliger werkt, moeten over het algemeen voldoen aan de bepalingen in het Arbobesluit. Ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten adequaat zijn.

 

– Wanneer een vrijwilliger een jeugdige is of zwanger, dan gelden de specifieke bepalingen uit het Arbobesluit ook voor deze vrijwilligers.

 

– Daarnaast is de werkgever verplicht de vrijwilligers voorlichting en onderricht te geven.

 

– Ongevallen moet hij melden bij de Arbeidsinspectie (indien dat verplicht is op basis van artikel 9 van de Arbowet).

 

Al met al heeft de werkgever nog met een flink aantal bepalingen in de Arbowet rekening te houden als het gaat om vrijwillige werkkrachten.

 

De vrijwilliger kan schade die hij oploopt tengevolge van de arbeid die hij verricht, verhalen op de werkgever. Dat zal hij moeten doen op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij zal de vrijwilliger aan moeten tonen dat de schade te wijten is aan de schuld van de werkgever. Dit is niet altijd een makkelijke opgave. Het betekent dat hij aan zal moeten tonen dat de werkgever gehandeld heeft in strijd met de wettelijke bepalingen of met hetgeen in het maatschappelijk verkeer van hem te verwachten valt. Als er een duidelijke bepaling uit de Arbowet is aan te wijzen die is overtreden en waaraan de schade te wijten is, dan heeft de vrijwilliger een goede kans. Het ligt een stuk moeilijker als er weliswaar een bepaling uit de Arbowet is overtreden, maar deze niet op de vrijwilliger van toepassing is. Dan zal terugvallen op de vraag of het in het maatschappelijke verkeer toch niet van de werkgever verwacht had mogen worden dat deze bepaling uit de Arbowet ook op de vrijwilliger van toepassing zou zijn verklaard, wellicht uitkomst bieden. Deze vraag zal zeker een positief antwoord moeten krijgen als een vrijwilliger vrijwel identiek werk verricht onder identieke omstandigheden als werknemers in dienst van de werkgever. Een verschil van aanpak is dan moeilijk maatschappelijk te verdedigen.

 

Daarnaast is het niet uitgesloten dat de civiele rechter de rechtspositie van de vrijwilliger in het kader van het Burgerlijk Wetboek verstevigt, zoals hij dat in het verleden ook ten aanzien van uitzendkrachten deed. Dit kan hij doen door of de vrijwilliger gelijk te stellen met een werknemer en daarmee artikel 7:658 BW van toepassing te verklaren, of door de bewijslast in het kader van artikel 6:162 BW om te draaien. In beide gevallen betekent dit dat de vrijwilliger slechts hoeft te stellen dat hij schade heeft opgelopen tengevolge van het werk. De werkgever wordt dan belast met het leveren van het tegenbewijs.

 

Zeker wanneer de civiele rechter 7:658 BW ook op vrijwilligers van toepassing verklaart, ontstaat een geheel nieuwe situatie. De werkgever dient zich dan als een goed ‘huisvader’ te gedragen. Dat betekent dat hij alle gevaren voor de vrijwilliger in kaart moet brengen en doeltreffende maatregelen moet treffen om deze gevaren te beheersen. Daarom lijkt het verstandig dat de werkgever op dit soort mogelijke ontwikkelingen participeert en meer doet voor zijn vrijwilligers dan hij strikt op grond van de Arbowet verplicht is. Het is aan de preventiemedewerker om in de organisatie de discussie op gang te brengen over de behandeling van de vrijwilligers. Hij kan de in dit artikel geschetste wettelijke situatie daarbij als uitgangspunt hanteren. Daarnaast moet hij in ieder geval voor naleving zorgen van de uit de Arbowet voortkomende verplichtingen die gelden voor vrijwilligers. En uiteraard zorgt hij ervoor dat vrijwilligers bij indiensttreding goede voorlichting en instructie krijgen.

 

info

 

Kijk ook eens op www.vrijwilligerswerk.nl (bijv. onder Wet).

 

 

Reageer op dit artikel