artikel

‘Deregulering is onzinnig’

Wetgeving

De toon is gezet. Geers is uitgesproken en zal zich ook uitspreken. Bijvoorbeeld over de adviesaanvraag voor een nieuwe Arbowet die staatssecretaris Van Hoof voorlegde aan de SER. De adviesaanvraag, waarin onderscheid werd gemaakt tussen hoge risico’s die door de overheid gecontroleerd worden en lage risico’s waar de overheid zich niet mee bemoeit, werd door de SER verworpen. De SER wil doelvoorschriften met grenswaarden en middelvoorschriften die door de branches en sociale partners in een arbocatologus worden vastgelegd. Van Hoof krijgt de volle laag van Geers. Een poging van de journalist niet alle kritiek op het hoofd van Van Hoof te doen neerdalen omdat hij toch ook een staf heeft die de adviesaanvraag voorbereidde, stuit op onbegrip. ‘Nee, nee, nee. Natuurlijk moet hij de kritiek ontvangen. Hij laat toe dat ambtenaren deze onzin met hoog en laag risico opschrijven. Absurd. Een laag risico is in de definitie van Van Hoof een risico dat niet leidt tot de dood of blijvend letsel. Een ernstig letsel is dus een laag risico. Dat is toch een dwaas onderscheid? Er was absoluut geen draagvlak voor en het onderscheid hoog/laagrisico’s werd al eerder verworpen. Het onderscheid is moeilijk handhaafbaar en stelt rechters voor grote problemen. En toch gingen Van Hoofs ambtenaren ermee door. De Staatssecretaris lijdt dan waarschijnlijk niet aan autisme, maar dan toch aan een lichte vorm van autisme.’

 

Heftige woorden. Toch krijgt de staatssecretaris ook een pluim van Geers. ‘Van Hoof schrijft in zijn adviesaanvraag over Psycho Sociale Arbeidsbelasting (PSA) die hij wil introduceren in de nieuwe Arbowet. Dan zouden grenswaarden gekoppeld worden aan risico’s als burn-out, seksuele intimidatie en dergelijke. Daarmee schrijf je heel duidelijk voor waarop de werkgever moet letten bij het tegengaan van PSA. En de Hoge Raad heeft onlangs een schadevergoeding toegekend voor psychische schade door een burn-out. Heel positief allemaal. Zeker nu de handhaving in het publieke domein komt.’

 

Toch mag het geen verrassing heten dat Geers veel meer voelt voor het plan voor een nieuwe Arbowet van de Sociaal Economische Raad (SER). Dat plan zag dit voorjaar het levenslicht in het SER-advies over Van Hoofs plannen voor de Arbowet. ‘Buitengewoon verstandige plannen. Als Van Hoof ze overneemt, kan de nieuwe regelgeving het beschermingsniveau van de werknemers verhogen. In het publieke domein komen concrete handhaafbare normen met grenswaarden die gehandhaafd worden door de Arbeidsinspectie. Een voorbeeld van zo’n grenswaarde is dat er niet gewerkt mag worden bij een temperatuur van 35 graden zonder voldoende ventilatie. In de plannen van Van Hoof was dit een laag risico. In het private domein komen middelvoorschriften: afspraken tussen werknemers en werkgevers over hoe tot het doel te komen. Ik ben daar optimistisch over.’

 

Toch doemen de eerste wolken al op boven het ‘paradijselijk SER– advies’. Zo liet de FNV in het vorige nummer van ARBO weten graag de NIOSH-formule voor tillen in de doelvoorschriften op te nemen. VNO-NCW reageerde onmiddellijk door te antwoorden hier nou net niet voor te voelen. Zij zien meer in procesnormen die voorschrijven waar op te letten bij het tillen. En ook over de arbocatologus zijn de meningen verdeeld. Het MKB en VNO-NCW gaan uit van een lege catalogus die uitdrukkelijk niet bedoeld is voor het opnemen van verplaatste regelgeving. ‘Net als bij het arboconvenant kijken branches wat nodig is in hun branche’, zo sprak MKB-Nederland-woordvoerder Mario van Mierlo in ARBO 7/8. Volgens Van Steenbergen van de FNV wordt de catalogus een hulpmiddel met daarin normalisatieregels, beleidsregels en het Arbobesluit. Gevraagd naar wie gelijk heeft of zou moeten hebben, lijkt Geers even op een politicus. ‘Ze hebben allebei een beetje gelijk. De arbocatalogus is nog leeg. Maar er zijn natuurlijk veel middelvoorschriften, CAO-afspraken, publicatiebladen van de Arbeidsinspectie en beleidsregels. Het zou doodzonde zijn om daar geen gebruik van te maken. Het maken van afspraken tussen de sociale partners over middelvoorschriften is wel een prima aanleiding om eens kritisch naar de bestaande regelgeving te kijken. Die middelvoorschriften hoeven trouwens niet per se in arbocatalogi te worden vastgelegd. Dergelijke afspraken kunnen ook op CAO-of op ondernemingsraadniveau worden gemaakt.’

 

De SER spreekt in het advies de ambitie uit te komen tot een Europees Level Playing Field. In de Europese Unie moet op den duur een consistent en gelijkwaardig beschermingsniveau voor werknemers komen. De werkgevers zouden dan een lang gekoesterde wens in vervulling zien gaan. Concurrentieverschillen vanwege verschillende eisen door de nationale overheden behoren tot het verleden. Geers is enthousiast over dit voornemen. ‘Het is voor het eerst dat ik in plannen voor de Arbowet een Europees perspectief aantref. Vroeger was het altijd ‘we moeten voldoen aan Europese richtlijnen’. Ik vind het streven naar een European Playing Field prachtig. We moeten wel heel erg oppassen dat het tempo van wetgeving bepaald wordt door achterblijvende landen. We moeten ons ambitieniveau handhaven en dan op ons niveau verder. Al zouden we wel wat kunnen leren van de Belgen. Die hebben een aparte Pestwet die het pesten op het werk tegengaat en de verplichting om minstens een persoon in dienst te hebben die beleid ontwikkelt om seksuele intimidatie en pesten op het werk tegen te gaan.’

 

Geers heeft geen idee hoeveel van de Nederlandse arboregels er oorspronkelijk uit Brussel komen. Om vorig jaar in een Kamerdebat geuite stelling van CDA-politica Gerda Verburg dat 12,6 procent van de regelgeving uit Brussel komt, moet hij hartelijk lachen. ‘Ach, politici hebben vaak een bedenkelijk kennisniveau. Niet alleen op arbogebied, maar ook op andere beleidsterreinen. Het percentage is natuurlijk veel hoger, maar hoeveel richtlijnen nu precies uit Brussel komen, is echter moeilijk te zeggen. Dat weten we niet precies. Dat komt omdat er nogal wat door elkaar loopt. In een Europese richtlijn staat bijvoorbeeld dat je als onderneming deskundige ondersteuning nodig hebt op arbogebied. Die ondersteuning hebben wij toen in de vorm van een arbodienst gegoten. Daar staat niets over in de Europese richtlijn. Is die verplichting nu een Europese regel? Buitengewoon ingewikkeld allemaal.’

 

Datzelfde Europa zou volgens veiligheidskundige en jurist Rob Poort (ARBO 12-2004, blz. 24) niet akkoord gaan met de deskundigheidseisen die Nederland stelt aan de preventiemedewerker. Geers is het niet met hem eens. ‘Ik denk dat we voldoen aan de richtlijn. Al is het op het nippertje. We hebben nu als eis dat de preventiemedewerker voldoet aan de eisen die bij het bedrijf passen. Dat is wel vaag natuurlijk. In de EU-richtlijn staat dat de preventiemedewerker voldoende capaciteiten moet hebben. We schrijven straks een verslagje hierover en de Europese Commissie tikt ons dan op de vingers en dan wordt er onderhandeld om tot een compromis te komen. Al moeten we niet zo halsstarrig zijn als bij het vasthouden aan de arbodienst. Uiteindelijk leidde dat door een uitspraak van het EU-hof samen met het onvoldoende functioneren van arbodiensten tot de liberalisering van de arbodienstverleningsmarkt. Ik denk niet dat we echt last gaan krijgen van de manier waarop de deskundigheidseisen voor de preventiemedewerker zijn geformuleerd.’ Geers vindt wel dat er eisen gesteld moeten worden aan de preventiemedewerker. Het ontbreken van een bodem in de vorm van een certificaat zal zich doen voelen, zo vreest hij. Maar niet alleen de kwaliteit van de preventiemedewerker baart hem zorgen. Ook is het nog onduidelijk hoeveel preventiemedewerkers een bedrijf moet hebben. ‘We weten nog onvoldoende over de preventiemedewerkers. Gelukkig hebben we ondernemingsraden die aan de bel trekken als meneer Jansen uit de postkamer plotseling preventiemedewerker wordt.’

 

Terug naar de SER-adviesaanvraag. Heeft de overheid straks nu meer of minder bemoeienis met arbeidsomstandigheden? Geers: ‘Meer. En dat is heel goed. In het SER-advies wordt uitdrukkelijk de rol van de overheid gepropageerd. Dit in tegenstelling tot de plannen van Van Hoof die het ‘laisser faire, laisser aller’ uit het begin van de vorige eeuw herontdekte. De SER zegt duidelijk dat de overheid een taak heeft op het gebied van arbeidsomstandigheden. En dat is ook conform de Grondwet en allerlei verdragen .’

 

Meer overheidsbemoeienis dus. Maar dat is toch faliekant in tegenspraak met de vurig gewenste deregulering waar politiek Den Haag zwanger van is en die het mantra van de werkgevers lijkt te worden? ‘Deregulering is een onzinnig fenomeen. Iedereen heeft baat bij regels. Ook werkgevers. Het bedrijfsleven wil duidelijkheid en helderheid. Alleen dan investeren ze. Geen regels betekent chaos en anarchie en daar houden ondernemers niet van. Zelf maken ze dikke handboeken met regels. Er komt geen deregulering en dat is maar goed ook. De beleidsregels worden verplaatst en worden nu middelvoorschriften. We gaan er bovendien op vooruit. In het SER-advies staat duidelijk dat risico’s bij de bron bestreden moeten worden. Dus geen oordopjes, maar een andere machine of een kap op de machine.’ Dan liegen dus de werkgevers en de politiek, want ze zeggen dat ze iets willen wat ze in het diepst van hun hart dus niet willen. Geers: ‘De rechtse politiek praat werkgevers na en heeft een soort hang naar het eerdergenoemde ‘laisser faire, laisser aller’-principe. De werkgevers handelen vanuit een soort instinct in een diepgewortelde cultuur van weinig overheidsbemoeienis. Tot ze subsidie kunnen krijgen of de Nederlandse Mededinging Autoriteit tegen een concurrent kunnen inzetten. Dan omarmen ze ineens regels. Natuurlijk moet je onzinnige regelgeving schrappen. Maar het enige voorbeeld dat ik steeds hoor, is dat van de gladde vloeren die de Keuringsdienst van Waren zou eisen en de stroeve vloeren die de Arbeidsinspectie zou willen. De roep om deregulering is dom geblaat.’

 

Geers heeft een dubbel beeld van ondernemers. Hij is optimistisch over de goede wil van de werkgevers, maar legt ze wel graag regels en grenswaarden op. ‘Bij de eerste bedrijfsgeneeskundige dienst van de oude heer Philips hing een bord met de tekst ‘De kost gaat voor de baat uit’. En zo denkt de Nederlandse werkgever ook. In zijn hart is de Nederlandse werkgever goed, maar die goedheid moet door de Arbeidsinspectie wel geactiveerd worden. De kost gaat voor de baat uit, dus als die goedheid niet door de Arbeidsinspectie geactiveerd wordt, dan hebben we nog flankerende wetgeving als Wet Verbetering Poortwachter en de nieuwe WAO die sancties oplegt. Geen enkele emancipatorische beweging, of het nu gaat om ondernemingsraden, arbeidstijden, medezeggenschap of arbo, kan zonder stimulerende regelgeving van de overheid.’

 

Reageer op dit artikel