artikel

Een kwestie van vertrouwen

Wetgeving

Dat Van Hoof wil dereguleren, zal niemand verbazen. Zoals bekend heeft het kabinet zich ten doel gesteld de administratieve lasten voor burgers en bedrijven met 25 procent te reduceren. Het onvermijdelijke gevolg is dat een evenredig deel van de regelgeving op de schop moet. Vandaar dat de gedetailleerde regelgeving over veiligheid en gezondheid op het werk er nu aan moet geloven. Volgens velen draagt deze te weinig bij aan betere arbeidsomstandigheden, maar veel aan de papierberg waar ondernemend Nederland dagelijks mee te maken heeft. Dat heeft onder andere tot gevolg dat het met de naleving niet altijd even goed gesteld is, maar ook dat potentiele werkgevers afzien van het aannemen van personeel.

 

Andere wijzigingsvoorstellen komen voort uit wensen van de Tweede Kamer. Vorig jaar dienden de Kamerleden Verburg, De Vries en Rambocus met succes moties in om vrijwilligersorganisaties te ontslaan van de verplichting om een RI&E op te stellen. Hierin verzochten zij bovendien het kabinet om de arboregel en uitvoeringslast te halveren Daarbovenop kwam een motie van Aptroot, voorvechter van het MKB in de Kamer, om werkgevers in bedrijven tot en met 25 medewerkers de bevoegdheid te geven zelf de taak van interne preventiemedewerker op zich te nemen. De moties zijn aangenomen en meegenomen in het wijzigingsvoorstel; vrijwilligersorganisaties hoeven zelfs per 16 maart al niet meer aan de wettelijke arboverplichtingen te voldoen.

 

Het wetsvoorstel geeft werkgevers samen met hun werknemers onder voorwaarden de ruimte om te bepalen hoe arborisico’s te beheersen. Dit uit zich in:

 

– grotere verantwoordelijkheid voor werkgevers en werknemers in bedrijven;

 

– maatwerk in plaats van generieke voorschriften;

 

– minder, transparantere en concretere regelgeving;

 

– minder detaillering;

 

– terugdringing van (ervaren) regeldruk;

 

– wegnemen van doublures met andere regelgeving;

 

– grotere gelijkheid in regelgeving met andere Europese landen.

 

Door sociale partners meer verantwoordelijkheden te geven, ontstaat er aanmerkelijk meer ruimte om binnen de wettelijke doelvoorschriften tot sectorale middelvoorschriften te komen. Die sectorale voorschriften worden in de zogenaamde arbocatalogi vastgelegd. Het aldus ontstane maatwerk heeft als voordeel dat de arbomaatregelen kunnen worden afgestemd op de situatie in de sectoren, wat het draagvlak voor die maatregelen vergroot. Als de sectoren er in slagen om met de ‘eigen’ middelvoorschriften te werken, zal ook de handhavingsdruk afnemen. De Arbeidsinspectie gaat immers ‘vissen waar de vis zit’: ze gaat handhaven in sectoren waar sprake is van grote risico’s, of waar aantoonbare problemen zijn met de toepassing van de afspraken.

 

Zoals gezegd: uit het wetsvoorstel spreekt het vertrouwen dat werkgevers en werknemers samen in staat en bereid zijn om afspraken te maken over arbeidsomstandigheden. Ondanks dat heeft Van Hoof stevige waarborgen ingebouwd in de vorm van een nieuw handhavingsmodel. Wie er een potje van maakt, of blijft maken, loopt een serieuze kans flink op de koffie te komen. Verder heeft Van Hoof zich de kritiek aangetrokken dat hij wel streng wil handhaven maar niet voldoende voorlicht. In het wetsvoorstel heeft hij maatregelen opgenomen om tot een effectievere kenbaarheid van wet- en regelgeving te komen. Verder breekt hij daarin een lans voor het kenbaar maken van sectorale arbo-afspraken. Straks heeft geen enkele ondernemer in een goed georganiseerde sector dus nog reden om te zeggen dat hij het niet kon weten of begrijpen. De overheid gaat geld steken in het scheppen en ondersteunen van een deugdelijke infrastructuur om eenieder toegang te geven tot de relevante informatie.

 

De belangrijkste verschillen tussen de huidige Arbowet en het wetsvoorstel zijn de volgende.

 

Behoudens enkele uitzonderingen worden de meeste regels die geen basis hebben in Europese richtlijnen en voorschriften, geschrapt. Uitzonderingen worden gemaakt voor regels die ernstige risico’s betreffen en regels die door sociale partners in eerdere adviezen en discussies als belangrijk zijn aangemerkt (onder meer de bepalingen rond aanstellingskeuringen).

 

Het kabinet streeft daarmee nadrukkelijk naar het opheffen van verschillen tussen Nederland en andere EU-lidstaten, en daarmee het beter in balans brengen van intracommunautaire concurrentie- en marktverhoudingen.

 

Het voorstel voorziet in het schrappen van alle beleidsregels. De beleidsregels die grenswaarden bevatten, worden opgenomen in het Arbobesluit of de Arboregeling, indien die grenswaarden wetenschappelijk gefundeerd en algemeen geaccepteerd zijn. Beleidsregels met doelvoorschriften kunnen zonder meer naar een regeling of besluit worden overgeheveld. Beleidsregels met doelvoorschriften die niet op een Europese Richtlijn zijn gebaseerd en niet over een ernstig risico gaan, worden echter geschrapt.

 

Andere beleidsregels worden vertaald in zogenaamde procesnormen. Dat zijn in feite middelvoorschriften die niet kunnen worden vertaald in doelvoorschriften. Een voorbeeld daarvan zijn psychosociale arbeidsrisico’s (PSA), zoals seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk. De procesnorm schrijft voor dat de werkgever bepaalde stappen moet zetten om te komen tot een beleid gericht op het voorkomen en beheersen van PSA.

 

Uiterlijk op 1 januari 2010 worden de dan nog bestaande beleidsregels ingetrokken.

 

Door het schrappen van de beleidsregels zijn er straks alleen nog doelvoorschriften en procesnormen. Gezien de eisen die gesteld worden aan transparantie en concreetheid, draagt dit het risico van abstractie en slechte handhaafbaarheid in zich. Verder kan het wetgevingsgebouw straks grote gaten tussen wet en praktijk gaan vertonen.

 

Om dit te voorkomen worden sociale partners aangespoord om zogenaamde arbocatalogi op te stellen. Hierin staan op het niveau van een sector vertalingen van de doelvoorschriften in middelvoorschriften. De middelvoorschriften beschrijven dus hoe de doelvoorschriften uit de wetgeving gerealiseerd gaan worden.

 

Arbocatalogi kunnen straks zowel op het niveau van sectoren als op het niveau van individuele ondernemingen worden opgesteld. Omdat een arbocatalogus het product is van samenwerking tussen werkgevers en werknemers, zullen de meeste catalogi door cao-partijen worden opgesteld. Het is immers alleen voor grotere ondernemingen haalbaar om door samenwerking tussen werkgever en OR/PVT tot een bedrijfsspecifieke arbocatalogus te komen.

 

Arbocatalogi zullen de basis vormen voor de handhaving door de Arbeidsinspectie. Om ervoor te zorgen dat de catalogi aan de wet voldoen, moeten deze ter toetsing aan de overheid worden voorgelegd. Eventuele tekortkomingen zullen dan aan de sociale partners worden gemeld.

 

De grootste belemmering voor maatwerk op sectoraal niveau wordt gevormd door het feit dat de arbowetgeving voor het grootste deel gebaseerd is op Europese richtlijnen. Deze bevatten middelvoorschriften, en schrijven dus voor op welke wijze er met genoemde risico’s moet worden omgegaan. De staatssecretaris acht dit ongewenst, omdat daarmee de mogelijkheden voor maatwerk onnodig beperkt worden. Deze mening wordt gedeeld door een aantal andere EU-lidstaten, waaronder Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Men werkt dus intensief samen om te bewerkstelligen dat de herziening en de aanpassing van de Europese richtlijnen op de agenda van de Europese Commissie komen en dat de herziening inderdaad tot gevolg zal hebben dat er doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften zullen worden geformuleerd.

 

De maximale bestuurlijke boete zal conform het SER-advies worden verdubbeld.

 

De Arbeidsinspectie blijft onveranderd belast met de wetshandhaving. Het karakter van de handhaving zal echter veranderen. Hoewel er expliciet gestreefd wordt naar een lik-op-stuk-beleid, zal de Arbeidsinspectie vanuit een constructieve en positieve positie handhaven. Mits een werkgever de maatregelen uit de arbocatalogus heeft uitgevoerd, zal een beboetbaar feit niet direct tot een boete leiden, als er geen sprake is van directe en grote risico’s voor personen. De Arbeidsinspectie zal een meer signalerende rol spelen om zo de werkgever en werknemer te motiveren om de betreffende situatie te verbeteren. Dat neemt echter niet weg dat bedrijven die een arbocatalogus niet of onvoldoende toepassen, erop mogen rekenen stevig te worden aangepakt.

 

Momenteel en vooruitlopend op het passeren van de wet wordt er al hard gewerkt aan sectorale voorlichtingsbrochures. Deze brochures geven inzicht in de handhavingsprioriteiten van de Arbeidsinspectie en hebben onder andere tot doel bedrijven, werkgevers en werknemers te informeren over waar men zich aan te houden heeft en waar de Arbeidsinspectie op zal handhaven. De brochures zullen een maatgevend karakter hebben en dus ook voor enkele jaren geldig zijn. Dat laatste heeft te maken met het feit dat Van Hoof de overheid een betrouwbare en stabiele partner wil laten zijn in het bevorderen van de veiligheid en gezondheid van het werk.

 

Zoals te verwachten was, heeft VNO-NCW positief gereageerd op de inhoud en strekking van het wetsvoorstel. FNV daarentegen is behoorlijk negatief. Waar VNO vertrouwen heeft in zowel werkgevers als werknemers, lijkt FNV vooral de lege helft van het glas te willen zien. De grotere vrijheid voor met name werkgevers wordt geafficheerd als de bijl aan de wortel van gezond werk in Nederland.

 

De vorige wetswijziging ging zonder al te veel kabaal door de Kamer. Of dat nu ook gaat lukken, hangt af van de kwaliteit van de lobby’s van werkgevers en werknemers. Met name van de zijde van FNV zal nog wel behoorlijk wat weerwerk komen.

 

Positief aan het wetsvoorstel is dat het de mogelijkheid voor maatwerk creeert. Verder verbetert het de handhaving. De sanctie van stevige handhaving bij onvoldoende prestaties of het nemen van verantwoordelijkheid liegt er niet om. Alles zal afhangen van het vermogen van de sociale partners om snel tot goede afspraken te komen.

 

Reageer op dit artikel