artikel

Een onmogelijke opdracht?

Wetgeving

Het ‘verdacht zijn’, vindt Janneke Waage, beleidsmedewerker Kwaliteit van de Arbeid bij FNV Bouw, is voldoende reden om alles aan preventie te doen.

 

Vooral omdat andere gezondheidseffecten, zoals de kans op astma en chronische verkoudheid, vele malen groter zijn.

 

Ook bloedneuzen, een teken van geirriteerde neusslijmvliezen, zijn geen onbekend verschijnsel, zo merkte ze tijdens een rondgang langs bedrijven. ‘Als we vroegen wie regelmatig verkouden was of een bloedneus had, stak tachtig tot negentig procent van de werknemers zijn vinger op. Maar de relatie met houtstof is nog niet altijd gelegd.’

 

Over kanker is het meest geschreven, maar het komt het minst voor, meldt Dook Noy, arbeidshygienist bij ArboUnie.

 

‘De schatting van het aantal gevallen van neuskanker is gebaseerd op studies in vooral de meubelindustrie. Daar is gekeken naar effecten door blootstelling aan houtstof in de jaren vijftig tot zestig en soms nog eerder. De hedendaagse blootstelling ligt veel lager. Maar je kunt het niet uitsluiten.’

 

Ook huidaandoeningen komen veelvuldig voor. Soms leiden ze tot een allergie.

 

Terwijl de discussie internationaal voortduurt, legden de sociale partners in Nederland zich in het arboconvenant voor de timmerindustrie vast op het verder terugdringen van de blootstelling aan houtstof tot een waarde van 1 mg/m3. Douma benadrukt dat dit een streefwaarde is.

 

‘Deze waarde is zeker geen gegeven, hoewel de andere partijen snel geneigd zijn dat te denken. Onder druk van de vakbonden is uiteindelijk voor deze waarde gekozen.’ Al eerder deed de branche een forse stap in de gezonde richting, toen in 1996 de MAC-waarde van houtstof werd verlaagd van 5 naar 2 mg/m3.

 

Over het feit dat de gezondheidskundige waarde van 0,2 mg/m3 in de praktijk technisch en economisch onhaalbaar is, zijn alle partijen het eens.

 

Branchedirecteur Douma: ‘Als we daaraan moeten voldoen, zullen we in een operatiekamer moeten gaan werken. Grosso modo zitten we nu op 2 mg/m3, en dat is al een enorme prestatie.

 

Wij zien het convenant meer als een bevestiging van de afspraken die we al jaren in de CAO’s maken en waar we nu op kunnen voortbouwen.’ Volgens Waage (FNV) is het convenant vooral een extra stimulans om technische verbeteringen van de grond te krijgen. ‘Voor de middellange termijn is het streven van 1 mg/m3been mooie stap. Maar uiteindelijk willen we op de gezondheidskundige grenswaarde uitkomen.’

 

Ook Lahoye (CNV) denkt dat als blijkt dat 1 mg/m3 haalbaar is, dit uiteindelijk toch de norm zal worden.

 

In 1996 kondigde de SER al aan de bijgestelde MAC-waarde te willen evalueren. Dit is in 1999 opgeschort vanwege de start van onderhandelingen voor de convenanten, vertelt Waage. Tot ieders verrassing heeft de SER inmiddels de minister van SZW geadviseerd om in 2007, aansluitend aan het arboconvenant, de MAC-waarde van houtstof bij te stellen naar 1 mg/m3.

 

Het merendeel van de houtbewerkingsmachines komt uit Italie en Duitsland. Zolang de normen voor houtstofemissie niet EU-breed gelden, verwacht Douma niet veel van de ontwikkeling van nieuwe machines.

 

‘In onze specifieke eisen is men daar niet geinteresseerd. Nieuwe installaties worden in Nederland aangepast. Het gaat om forse investeringen, die in deze tijd van recessie behoorlijk ingrijpend zijn. Bovendien verslechtert onze concurrentiepositie binnen de EU. We moeten niet te ver vooruitlopen.’

 

Het probleem zit ’m echter vooral in bestaande machines, die maar zeer langzaam worden vervangen. Hout blijft hout. En de basisbewerkingen die veertig jaar geleden werden uitgevoerd, zijn er nu nog steeds: zagen, schuren en frezen. Sommige houtbewerkingsmachines hebben een navenante levensduur.

 

‘Vaak is de reden om een machine te vervangen niet ouderdom, maar het verhogen van de productiesnelheid, automatisering of een vereiste hogere productkwaliteit’, aldus Noy van Arbo-

 

Unie. ‘Daarom zijn we in het kader van het convenant bezig met het samenstellen van een meetkoffer en een oplossingenboek voor de vermindering van houtstofemissies bij bestaande machines.’

 

De meetkoffer voor het inventariseren van risicosituaties wordt dit voorjaar opgeleverd, het oplossingenboek eind 2004.

 

Noy: ‘Voor een aantal machines zijn oplossingen te bedenken op grond van beschikbare kennis en ervaring, voor andere gaan de huidige oplossingen niet ver genoeg.’ Dit voorjaar starten pilotprojecten voor tien van deze machines die te boek staan als grote houtstof- en geluidsproducenten.

 

Om een ruimte stofarm te houden zijn aanpassingen aan de machines echter onvoldoende.

 

Er is een combinatie van maatregelen nodig: optimaliseren van de afzuiginstallatie, aanpassen van de machines en routinematig schoonmaken ofwel good house keeping.

 

Noy is fel voorstander van good house keeping. ‘Door schoon te werken, is de blootstelling aan houtstof drastisch te verminderen.

 

Bij een machine die maar twee uur per dag wordt gebruikt en veel stof produceert, moet je na het werk direct alle stof wegzuigen.

 

Dat kost tijd, maar met goede voorzieningen en procedures valt dat ook wel weer mee.’

 

Het voordeel daarvan is groot, vindt Noy. Weggezogen houtstof kan immers niet meer tot blootstelling leiden. Blijft het liggen tot het eind van de dag of week, dan dwarrelt het elke keer weer op. Het stof verspreidt zich dan verder door de hal en leidt telkens opnieuw tot blootstelling. ‘Alle machines samen kunnen een hoge blootstelling veroorzaken.

 

Door de machines en de werkomgeving consequent en frequent stofvrij te maken, is de blootstelling misschien wel met een factor twee te reduceren. Haal je met de huidige technische voorzieningen al een waarde van 2 mg/m3, dan kun je door good house keeping dichtbij of zelfs onder de streefwaarde van 1 mg/m3 komen.’

 

Good house keeping vraagt echter om gedragsverandering. En dat kost tijd. Er is volgens Noy in een jaar veel te bereiken, maar dat vergt wel draagvlak binnen het bedrijf en standvastigheid van het management.

 

Misschien worden grote investeringen vanwege de recessie uitgesteld, maar technische aanpassingen hoeven niet duur te zijn, vindt beleidsmedewerker Waage. Het gaat vaak om simpele maatregelen, zoals het omdraaien van een werkstuk, zodat houtstof niet op de arm van de werknemer maar in de afzuiginstallatie terechtkomt. Ook het plaatsen en afstellen van borstels en vangkappen van machines is nog verre van ideaal. Het komt nog steeds voor dat de vangkap aan de ene kant van de cirkelzaag staat, terwijl het stof er aan de andere kant vanaf wordt geslingerd. ‘Aan die techniek moeten we ook werken’, aldus Waage. ‘Zo behaalde een Zweeds meubelbedrijf bij een technisch experiment een blootstelling van 0,3 mg/m3 door de kap anders te plaatsen. Dat is aanzienlijk als je nagaat dat in die sector de houtstofemissie het lastigst te beheersen is. Er wordt veel geschuurd, vaak nog met de hand(machine), en dan zit je bovenop je werkstuk.’

 

Het grootste probleem is volgens Waage het blazen met perslucht.

 

Hiermee worden machines, halffabrikaten en vaak ook werkkleding schoongespoten. ‘Voor relatief weinig geld zijn in de handel zuigpistolen te koop die op het persluchtsysteem passen.’

 

Verbod op gebruik van perslucht is – nog – niet mogelijk. ‘Ook al zijn er allerlei hulpstukjes voor het opzuigen, bij een aantal machines moet je toch blazen om het stof uit de richels te krijgen’, aldus Waage. ‘Maar het gaat ook om bewustwording. Een meubelbedrijf uit de proefprojecten van zes jaar geleden gebruikt perslucht voor het schoonblazen van werkkleding, maar dan wel voor een grote afzuigwand. Als je nadenkt wat het effect is van een handeling, is er al veel gewonnen.’

 

Afzuiging aan de bron is verplicht.

 

Maar bij een goede afzuiginstallatie komt nogal wat kijken. Niet alleen moeten vangkappen, afzuigsnelheid en de hoeveelheid afgezogen lucht goed staan afgesteld en toereikend zijn, ook het filtersysteem vergt zorg.

 

‘Waar lucht verdwijnt, moet ook weer lucht in’, vertelt Piet Maartense, hoofd van de divisie machines, meubel- en interieurbouw van de Stichting Keuringsbureau Hout. ‘In de winter gebruiken bedrijven de retourlucht van de afzuiginstallatie.

 

Dat scheelt veel energie. Volgens de Arbowet mag lucht die kankerverwekkende stoffen bevat niet worden gerecirculeerd, maar het werd wel gedoogd. Sinds kort is dit beleid van de Arbeidsinspectie in regelgeving omgezet. Circuleren mag alleen nog als de concentratie maximaal 10 procent van de MAC-waarde bedraagt, ofwel maximaal 0,2 mg/m3.’

 

De totstandkoming van de Erkenningsregeling Keurmerk Houtstofafzuiging in 2003 was hierbij volgens Maartense een belangrijke stap. Hiermee volgt Nederland de Europese norm voor houtstofafzuiginstallaties (NEN-EN 12779). ‘Vijf fabrikanten kunnen installaties leveren die aan de emissienorm voldoen.

 

Daarmee loopt Nederland voorop.

 

Maar ook andere landen zullen eraan moeten geloven.

 

Zo heeft de Europese Commissie het afgelopen jaar ook voor het eerst strikte normen voor geluid vastgesteld. Het is slechts wachten op regels voor houtstof.’

 

Naast het filter staat ook de opslag van houtstof onder curatele, dit vanwege de kans op explosie.

 

Veel houtmotbunkers, de plek waar afgevangen spaanders en houtstof worden verzameld, staan nog inpandig. Sinds in juni 2003 de ATEX-regeling in werking trad, is dit voor nieuwe installaties niet meer toegestaan.

 

Maartense: ‘Wat betreft de afzuiging van houtstof moeten bedrijven dus twee vliegen in een klap slaan. Ik verwacht dat de Arbeidsinspectie dit jaar scherper en meer zal controleren op juist de combinatie van houtstof en explosie.’ De Praktijkgids Houtstofarm produceren en het Meetprotocol voor blootstelling aan houtstof die de Begeleidingscommissie ‘Terugdringing Houtstof’ in 1999 publiceerde, kunnen volgens Maartense weer uit de archieven worden gehaald. Want die zijn door de aanscherping van de regelgeving weer zeer actueel.

 

Reageer op dit artikel