artikel

Geen ontslagbescherming

Wetgeving

De bedrijfsleider vindt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst nietig is omdat de vereiste toestemming van de kantonrechter voor het ontslag ontbreekt, daar hij zichzelf als een deskundig medewerker conform de Arbowet beschouwt.

 

Het gerechtshof gaat uit van de wetsbepalingen zoals tijdens de opzegging golden. Artikel 7:670a lid 1, aanhef en onder c (oud) BW gaf toen aan dat de werkgever zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet kon opzeggen met een werknemer die werkzaam is als deskundig werknemer zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbowet ’98. Dat artikel gaf aan dat de werkgever zich bij zijn verplichtingen op grond van deze wet laat bijstaan door een of meer deskundige werknemers. Die werknemers verlenen hun bijstand met behoud van hun zelfstandigheid en hun onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever. Uit hoofde van een juiste taakuitoefening mogen deze werknemers niet worden benadeeld in hun positie in het bedrijf. De ontslagbescherming van artikel 7:670a BW had – en heeft – tot doel dat de deskundige werknemer zijn werkgever bijstand kan verlenen zonder bevreesd te zijn voor benadeling van zijn positie in het bedrijf door zijn werkgever.

 

Het hof stelt verder dat het in deze zaak gaat om de vraag of de bedrijfsleider kon worden aangemerkt als deskundig werknemer. Indien dat het geval was, dan zou voor het ontslag toestemming van de rechter nodig zijn. In dat geval kan de bedrijfsleider zich beroepen op nietigheid van het ontslag. De werknemer heeft als bedrijfsleider het initiatief genomen tot de VCA- en ISO-certificering. Hij was in zijn functie als bedrijfsleider namens de directie verantwoordelijk voor de opzet, de naleving, de instandhouding en de ontwikkeling van het kwaliteitssysteem. Hij was ook aangesteld als VGM-coordinator en daarmee verantwoordelijk voor het organiseren van het overleg met het personeel met betrekking tot veiligheid, gezondheid en milieu. Hij heeft de VGM-vergadering geleid, het verslag en de agenda gemaakt en de uitnodiging aan de deelnemers gedaan. Hij was ook verantwoordelijk voor het plan van aanpak in het kader van de Arbowet en het bewaken van de uitvoering van de RI&E. Tevens was hij belast met het bewaken van de veiligheid op alle projecten en hield hij namens de directie werkplekinspecties.

 

Maar het gerechtshof vindt dat het hier gaat om een bedrijfsleider die niet expliciet als deskundig werknemer was aangewezen. Op geen enkele wij ze is aangetoond dat hij in de onderneming een onafhankelijke positie had in relatie met zijn eigen taken als bedrijfsleider, gericht op het waarborgen van de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers en het zonodig nemen van maatregelen. Nergens is uit gebleken dat de bedrijfsleider de ondernemingsraad of andere medewerkers als onafhankelijke deskundige heeft geadviseerd. Ook was het voor niemand duidelijk dat hij een onafhankelijke positie innam en dat de ondernemingsraad of het personeel hem als onafhankelijk deskundig werknemer kon raadplegen. Het hof is het daarom eens met het oordeel van de kantonrechter en wijst ook in hoger beroep de vordering van de bedrijfsleider af.

 

Een werknemer in de functie van bedrijfsleider van een bedrijf wordt ontslagen zonder dat de kantonrechter daaraan te pas komt. Als hij als deskundig werknemer valt aan te merken als bedoeld in artikel 13, 14 of 14a van de Arbeidsomstandighedenwet, moet de werkgever hiervoor op grond van artikel 7: 670a Burgerlijk Wetboek toestemming aan de kantonrechter vragen. Dit om te voorkomen dat genoemde arbodeskundigen die lastig of de werkgever onwelgevallig zijn om die reden kunnen worden ontslagen. Een vorm van ontslagbescherming dus. In zo’n geval moet er wel sprake zijn van een deskundige werknemer zoals bedoeld in deze artikelen.

 

Daaruit blijkt immers dat een werkgever deskundige werknemers moet inschakelen die hem bijstaan bij de uitvoering van zijn verplichtingen. Maar die werknemers moeten hun taken wel zelfstandig en onafhankelijk van de werkgever kunnen uitvoeren. Het is niet de bedoeling dat de werkgever hen kan beinvloeden zodat aan bepaalde aspecten van de arbeidsomstandigheden geen aandacht wordt besteed of dat er bijvoorbeeld goedkopere maar minder doeltreffende beschermende maatregelen worden getroffen.

 

De uitspraak van de rechter is gebaseerd op wetgeving die gold voor de invoering van de preventiemedewerker. Los daarvan is het van belang dat een deskundige die zich beroept op ontslagbescherming ook inderdaad kan worden gezien als deskundige in het licht van de arbeidsomstandighedenwetgeving. In dit geval was de bedrijfsleider gezien zijn functie mede verantwoordelijk voor de uitvoering van de verplichtingen die de werkgever had op grond van de wet. Alleen in dat kader had hij enkele specifieke uitvoerende taken op het gebied van de arbeidsomstandigheden en was hij daar ook verantwoordelijk voor. Maar een deskundige werknemer draagt geen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werkgeversverplichtingen op grond van die wet. Hij heeft alleen tot taak de werkgever bijstand te verlenen bij de uitvoering van diens verplichtingen. En dat behoort de deskundige te doen vanuit een onafhankelijke positie. Die onafhankelijkheid ontbrak bij de bedrijfsleider. Daarom kon hij geen beroep doen op de ontslagbescherming van het Burgerlijk Wetboek. Onder de nieuwe wet is hierin overigens niets veranderd.

 

Gerechtshof Leeuwarden, 20 december 2006, LJN AZ5515

 

Reageer op dit artikel