artikel

NIEUWE WETGEVING IN VOORBEREIDING

Wetgeving

Er zijn vier opties geformuleerd als oplossingsrichtingen. Deze zijn getoetst aan de criteria van geschiktheid, wenselijkheid, uitvoering, naleving, toezicht en handhaving, en lasten die samenhangen met uitvoering, naleving, toezicht en handhaving. In het kort de voor- en nadelen van de vier opties.

 

1. Inpassing van de BHV-bepalingen in de huidige wetgeving, in het bijzonder de Arbowet, de Woningwet en de Brandweerwet (toekomstige Wet op de veiligheidsregio’s), en met name de onder deze wet vallende kwaliteits-AMvB’s (algemene maatregelen van bestuur). Voordeel: er hoeft niet veel nieuws geregeld te worden, alleen de lacunes tussen de werkingssfeer van de regelingen wordt gedicht. Nadeel: iedere wet noemt andere verantwoordelijken. Zijn er meerdere verantwoordelijken, dan is niet duidelijk wie de verantwoordelijkheid neemt en evenmin wie eindverantwoordelijk is (gebouweigenaar, exploitant of werkgever).

 

2. Koppeling van de BHV-verplichting met het Besluit bedrijfsbrandweren. Voordeel: de bedrijfsbrandweer heeft zowel een taak in de brandbestrijding bij een bedrijf als in de openbare veiligheid. Nadeel: de bedrijfsbrandweer is voornamelijk ingericht op het ondersteunen van de externe veiligheid.

 

3. Het ontwerpen van een BHV-besluit; een AMvB voor bedrijfshulpverlening gebaseerd op drie wetten (Arbowet, Woningwet en Wet op de veiligheidsregio’s). Voordeel: meer uniformiteit en duidelijkheid; minder regeldruk.

 

Nadeel: minder mogelijkheden tot maatwerk bij het opnemen van algemeen verbindende voorschriften.

 

4. Alle wettelijke BHV-bepalingen loslaten en overlaten aan bedrijven en organisaties (eventueel regelen met richtlijnen, normen). Voordeel: deze optie sluit aan bij het proces van deregulering en vergroting van eigen verantwoordelijkheid van ondernemers (en burgers) dat sinds enige jaren kabinetsbeleid is, en dat zich bijvoorbeeld heeft vertaald in de herziene Arbowet per 1 januari 2007. Nadeel: deze regeling of het gebrek daaraan staat op gespannen voet met de eis in de Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk (889/391/EEG, art. 8).

 

Voorlopig lijkt optie 3 de onderzoekers de beste keus. Zij merken daarbij wel op dat de voorschriften vooral als doelvoorschriften geformuleerd moeten worden, zodat maatwerk mogelijk blijft. Eigenlijk komt dat neer op een combinatie van de opties 3 en 4, waarbij je de voordelen optimaliseert en de nadelen wegpoetst.

 

Toch hadden de overwegingen met enige creativiteit ook tot de andere opties kunnen leiden, of tot een combinatie van alle vier.

 

Een gebrek aan eenduidigheid in verantwoordelijkheid (optie 1) is op te lossen door de verantwoordelijkheid duidelijk te benoemen. Of door een samenwerkingsplicht in het leven te roepen waarvoor beide partners hoofdelijk aansprakelijk zijn. Daarbij is de eigenaar primair verantwoordelijk voor het gebouw of terrein, tenzij hij die contractueel heeft overgedragen aan de exploitant. De werkgever is op zijn beurt verantwoordelijk voor de werknemers. Voor de naleving kunnen de handhavende autoriteiten elkaar over en weer bevoegd verklaren. Daarmee kan een dergelijke regeling aan de criteria voldoen.

 

Een beperkte reikwijdte van de brandweerwet is op te rekken in de nieuwe Wet op de veiligheidsregio’s, waarin de BHV-bepalingen uit de Arbowet ook op de andere aanwezigen van toepassing worden verklaard (optie 2). Het oprekken van een bepaalde te vernieuwen wet heeft hetzelfde effect als het dichten van de gaten tussen bestaande wetten (optie 1). De overheid moet dan wel twee zaken tegelijk regelen: de nieuwe veiligheidregio’s en de BHV. Uitvoerbaarheid is het lastigste criterium en die is afhankelijk van de politieke wil. Het overlaten aan het veld, wat politiek aantrekkelijk lijkt, wordt uitgesloten vanwege de Europese regelgeving. Toch is die optie niet ondenkbaar, zolang je maar binnen de juridische kaders blijft. Met de BHV minimaal geregeld, kan de overheid sturen op marktwerking, met als duidelijke opdracht om alle randvoorwaarden in verband met gebouwen en milieu mee te nemen. Dat gebeurt alleen niet, omdat bij een volgende ramp altijd een minister verantwoordelijk wordt gehouden en dat niet meer kan als de markt het zelf regelt. Dit vereist dus de nodige toetsing: allereerst inhoudelijk. Maar ook: is het niet in strijd met de wet en zijn alle partijen erbij betrokken?

 

Toetsbaarheid is moeilijk te overzien. Het vullen van lacunes moet eerst voor de controlerende autoriteiten duidelijk worden; een Brandweerwet vergt eerst aanpassing en dan nog tegelijk met de Wet op de veiligheidsregio’s; het opstellen van een nieuwe AMvB kan wel zo dat de toetsbaarheid optimaal is, maar overlaten aan de markt maakt toetsing nauwelijks mogelijk. En daar zal de overheid haar vingers niet aan willen branden. Inhoudelijke toetsing van een regeling die aan de markt is overgelaten, ligt al niet sterk (denk aan de arbocatalogi). Daarnaast is de wet nu eenmaal eenvoudiger te handhaven dan particuliere afspraken.

 

Waar dit verhaal na de nodige beraadslagingen tussen de betrokken ministeries wel eens op uit zou kunnen lopen, is een combinatie van een publieke en een private regeling. De publieke kant zorgt voor doelvoorschriften met alle betrokken wetten als uitgangspunt, inclusief de nieuwe Wet op de veiligheidsregio’s. Ook de benoeming van een extern expertisecentrum voor publieksveiligheid, dat voor de verschillende toepassingsgebieden de private afspraken coordineert, ligt aan die kant.

 

De overheid hoeft dan alleen de wet te handhaven, en de aanvullende regels zijn opgesteld om de risico’s te beheersen.

 

Overtreding daarvan kan tot civielrechtelijke claims leiden; de overheid kan daar verder mooi buiten blijven.

 

Het woord is aan de minister.

 

INFO

 

‘Opties voor wettelijke verankering van organisatie van interne hulpverlening in noodsituaties‘, een uitgave van het ministerie van SZW, i.s.m. de ministeries van BZK en VROM.

 

 

Reageer op dit artikel