artikel

‘Ons werk begint nu pas echt’

Wetgeving

De drie voorzitters van de beroepsverenigingen zijn samen aan tafel gevraagd om in de toekomst te kijken. Een glazen bol is niet nodig, want de grote lijnen zijn bekend: per 1 juli 2005 wijzigt de Wet op de arbodienstverlening en er komt een vernieuwde Arbowet. Daardoor gaat ook het werkveld van de preventieve kerndisciplines op z’n kop. De nieuwe wetgeving rondom arbodienstverlening doorbreekt het monopolie van arbodiensten en maakt het mogelijk dat bedrijven ook elders inkopen en/of een groot deel in eigen beheer regelen. De nieuwe Arbowet laat nog even op zich wachten. De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseerde het kabinet geen verschil te maken tussen hoge en lage arbeidsrisico’s. In plaats daarvan zal waarschijnlijk gewerkt gaan worden met prioritaire risico’s. Wel is de SER positief over grotere verantwoordelijkheid voor arbozorg bij bedrijven. NVVK-voorzitter Roggeveen over de nieuwe Arbowet: ’De voorstellen voor de Arbowet geven deskundigen grotere vrijheid. Maar ik denk dat de veiligheid van werknemers er op achteruitgaat. Werkgevers zullen geneigd zijn om initiatieven die de veiligheid van werknemers garanderen te betitelen als lastenverzwaring.’ Touwslager (BA&O) sluit daarop aan: ‘Het is voor arboprofessionals een kans om zich te profileren met een grotere toegevoegde waarde. De vraag is alleen of we binnen het krachtenveld van werknemers, werkgevers en overheid ook daadwerkelijk in staat gesteld worden die kans te grijpen. Ik heb het gevoel dat taken en verantwoordelijkheden over de muur gegooid worden, maar dat de steun en sturing niet volledig is .’ Arts wil het debat zuiver houden: ’De Arbowet is een te breed begrip. Als het gaat om minder regels, zeg ik: vooral doen. Regels waarvan je als adviseur een klant niet kunt overtuigen, moet je niet willen. Die verandering vraagt straks wel veel meer adviesvaardigheden van de professionals; je moet jezelf kunnen verkopen. De aanbodmarkt wordt een vraagmarkt. Maar dan praat je al over de wijzigingen in de arbodienstverlening. Die wijzigingen in de Arbowet en in de arbodienstverlening vallen nu samen. Dat maakt het ingewikkeld. Het ministerie verdient een compliment voor de snelheid waarmee het werkt. Tegelijk is die snelheid zorgelijk, omdat je daardoor soms dingen vergeet.’

 

De vraag is of werkgevers straks nog wel nut en noodzaak zien voor een veiligheidskundige, arbeidshygienist of arbeids- en organisatiedeskundige (a&o-er). Komen die professionals nog wel een bedrijf binnen met hun welgemeende adviezen? Nu al staat de positie van arbeidshygienisten en a&o-ers binnen arbodiensten ernstig onder druk, signaleert ook Arts. ’Er is veel minder vraag naar preventieadviezen dan drie jaar geleden’, zegt hij. Touwslager ziet dat anders: ‘Er worden misschien minder preventieadviezen gevraagd aan arbodiensten. Maar er zijn daarnaast veel andere bedrijven succesvol in advisering en begeleiding.’ Uit ons eigen onderzoek van vorig jaar en een TNO-onderzoek naar nieuwe vormen van arbodienstverlening blijkt dit ook. Sommige arboprofessionals verlaten de arbodienst en proberen voor zichzelf te beginnen. ‘Dat gebeurt, maar het is geen spectaculair aantal’, aldus Arts. ’Ik heb niet de indruk dat arbeidshygienisten die bij de arbodienst vertrekken, heel makkelijk in het vakgebied blijven. Ik hoor ook niet dat anderen nu meer adviesvragen krijgen. Nu de vraag bij arbodiensten afneemt en bij anderen niet toeneemt, is er nadrukkelijk sprake van een afname van de vraag naar preventieadvies. Misschien kijken werkgevers tijdelijk de kat uit de boom in een verwarrende periode.’

 

Roggeveen: ’Werkgevers hebben zich vooral laten leiden door de verplichte aansluiting bij een arbodienst. Niet door argumenten voor preventie. De inhoud interesseert ze minder dan de financiele kant.’

 

Arts: ‘Ook arbodiensten hebben geen aansprekende filosofie over waar het aan de preventiekant naartoe moet. Ik hoor die tenminste niet.’

 

Touwslager: ’De arbodiensten hebben tijd gehad om daarover na te denken. Het is hun probleem, denk ik dan. Ik vind de arboprofessional veel belangrijker. Die wordt nu de straat op gestuurd en moet het maar uitzoeken. Maar je hebt wel tijd nodig om het goed op poten te zetten .’

 

Op dit moment voeren de verenigingen in een nauwe samenwerking een multidisciplinair samenwerkingsverband uit tussen NVVK, NVvA, BA&O en de Nederlandse Vereniging van Arbeidsen Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). In aansluiting hierop willen ‘de drie preventisten’ graag een marktverkenning uitvoeren naar hun toekomstmogelijkheden. Arts: ’De term preventiemanager hanteren we niet meer. Bij een aantal werkgevers bestaat daarbij het beeld van een manager die een vraag krijgt en vervolgens nadenkt welke discipline de vraag het best kan beantwoorden. Dan wordt het iemand die anderen werk bezorgt.

 

Een dozenschuiver. Die extra laag bedoelen we absoluut niet. De term preventiemanager geeft ook verwarring met de term preventiemedewerker. Onze ‘preventist’ moet tachtig procent van de vragen op het gebied van preventie zelf kunnen afhandelen en alleen voor specialistische vragen doorverwijzen naar zijn collega’s. Net als een huisarts doorverwijst naar een specialist.’ Roggeveen: ’De arbodienst wordt haast op natuurlijke wijze geleid door de bedrijfsarts. Die kijkt met een artsenbril naar een probleem. Dat is niet in alle gevallen de juiste bril. Wij zien een groot voordeel in de diagnose door een preventist.’ Touwslager: ’Een arts richt zich vooral op het individu. De preventist werkt vanuit het collectief: hoe voorkom ik dat mensen in een bedrijf iets overkomt?’

 

De voorzitters van de beroepsverenigingen proberen bij anderen de handen op elkaar te krijgen voor de marktverkenning. Het ministerie van SZW had aanvankelijk een gewillig oor. Arts: ’Maar in plaats van een steuntje in de rug hebben we tegenwind. FNV ondersteunt de vraag om een marktverkenning van harte, maar tot onze grote verbazing blijkt VNO-NCW niet geinteresseerd in een verkenning van een veranderende markt. Dat is bijzonder opmerkelijk als je je realiseert dat marktwerking juist de drijfveer van al deze veranderingen is. Wat ligt dan meer voor de hand dan die gewijzigde marktvraag te gaan verkennen om er beter op aan te kunnen sluiten?’

 

Hebben de preventieve kerndisciplines in al die jaren arbodienstverlening dan niet hun meerwaarde kunnen aantonen? Als kerndiscipline binnen de arbodiensten hadden zij toch mogelijkheden om werkgevers te overtuigen van het belang van preventie?

 

Arts is gedreven om die stelling te weerleggen.’Arbodiensten hebben in hun preventieactiviteiten heel erg gedreven op de risico-inventarisatie en -evaluatie. Binnen sommige arbodiensten was tachtig procent van de omzet aan de preventiekant RI&E-gerelateerd. Vooral in het begin waren er zoveel RI&E’s te doen, dat arboprofessionals er helemaal mee vol zaten. Dat was voor een deel gewoon diep triest werk, als je dat vergelijkt met wat de preventisten te bieden hebben! Ook voor veel werkgevers is preventie alleen een RI&E. Dat moest van de wet. De arbodiensten volgden de wetgeving en dat zorgde ervoor dat de preventieve kerndisciplines op een bepaalde plek terechtkwamen. Het is dus de vraag in hoeverre het een eerlijke kans is geweest. Achteraf moet je stellen dat het geen gelukkige strategie was. Het is ongelukkig geweest dat in grote arbodiensten preventie weinig op de voorgrond heeft gestaan bij het ontwikkelen van nieuwe diensten. We hebben als kerndisciplines onze inhoudelijke kennis onvoldoende kunnen benutten.’

 

Touwslager: ‘Dat kwam ook door de vraag. Bedrijven moesten aan de wettelijke verplichting voldoen en een arbodienst in de arm nemen. In het verlengde daarvan schuift vervolgens de bedrijfsarts voor het ziekteverzuim naar binnen. En dan moet er ook nog een RI&E gemaakt worden, bedenkt de werkgever. Wel graag zo goedkoop mogelijk. Het heeft ook veel te maken met de motivatie van de opdrachtgever. Het feit dat iets in een wet staat, betekent niet direct dat een werkgever hierdoor wordt gemotiveerd.’

 

Volgens de drie voorzitters van de beroepsverenigingen hebben de financiele prikkels in verzuimwetgeving zoals de Wet verbetering poortwachter en de dure WAO-wetgeving ook niet bijgedragen aan een groter preventiebewustzijn. Touwslager: ’De financiele prikkels werkten wel als het gaat om ziekteverzuim en reintegratie. Maar werkgevers zijn daardoor niet meer preventiemaatregelen gaan nemen.’ Roggeveen beaamt dat: ‘Welnee, werkgevers spelen gewoon zelf voor poortwachter. Dat heeft niets met de kwaliteit van de arbeid te maken. Het ministerie van SZW en staatssecretarissen proberen een politiek effect in de sfeer van verzuim oorzakelijk te relateren aan andere wetgeving. Die relatie is nog nooit aangetoond. Wij zien allemaal dat het verzuim is gedaald, maar dat is niet het gevolg van preventieve wetgeving.’

 

Arts: ‘De prikkels voorkomen vooral dat mensen te lang ziek thuiszitten. De arbeidsomstandigheden zijn niet zo snel verbeterd als het verzuim is gedaald.’ Touwslager: ’Het lagere verzuim is misschien conjunctureel bepaald .’

 

De preventisten zijn er daarom op gebrand nu echt hun meerwaarde te laten zien. Arts verwoordt waar het de arboprofessionals om gaat: ’Straks maakt de preventiemedewerker binnen bedrijven een RI&E. Daar rollen de belangrijkste risico’s uit. En dan begint het werk pas echt. Dan liggen er risico’s die je moet beheersen. Daar heb je dan specialisten voor nodig. Dat is een vak. Daar gaan wij over.’

 

De beroepsverenigingen van arbeidshygienisten, veiligheidskundigen en van arbeids- en organisatiedeskundigen voeren momenteel discussies over de toekomstige richting van het vak. Arts: ’Voor de aansluiting bij de markt moet je nadenken over de toekomst van het vak en meeveranderen. Beheersmaatregelen zijn belangrijk voor de toekomst; je moet een probleem kunnen beheersen. Daarom willen we via een hoogleraar arbeidshygiene gericht op beheersmaatregelen kennis en kunde ontwikkelen. Dat is de verdieping van het vak. De afweging die iedere individuele arbeidshygienist moet maken, is of hij zich moet verbreden tot preventist of zich moet specialiseren tot beheersspecialist. Als vereniging zullen we beide functies ondersteunen.’

 

Voorzitter Touwslager (BA&O) noemt als belangrijkste discussie in zijn vereniging de kwaliteit van het vak en de positionering van de a&o-ers.

 

’Hoe maak je aantoonbaar dat wij resultaat hebben, welke instrumenten gaan wij daarvoor inzetten en hoe vertellen we het de rest van de wereld?’, aldus Touwslager. Vorig jaar heeft de BA&O een groot onderzoek afgerond en gepubliceerd in het werk ‘Succesvol organiseren van werk en gezondheid’. Dit is tevens een goede onderlegger bij de blik op de toekomst.

 

Die discussies spelen minder bij de veiligheidskundigen. Zij bezinnen zich voornamelijk op het domein dat veiligheidskunde afdekt, aldus NVVK-voorzitter Roggeveen. ‘Wij waren vroeger een vereniging voor arbeidsveiligheid. Wij definieren veiligheid nu vooral als het voorkomen van onbedoelde schade. Dat strekt dus veel verder.’

 

Toch hebben de preventisten elkaar gevonden in gemeenschappelijke doelen. Zoals de marktverkenning om te onderzoeken of de preventist een goed idee is. Roggeveen: ‘We hebben als drie beroepsverenigingen nadrukkelijk de behoefte om intensiever met elkaar op te trekken. Dat komt deels omdat we alledrie bijna tegelijk als voorzitter aan de slag zijn gegaan. En natuurlijk spelen de veranderingen in de wet daarin een rol. Maar wij hebben elkaar vooral gevonden in ons streven om de kwaliteit van de arbeid te verbeteren.’

 

Inmiddels leidde dit tot verschillende samenwerkingsprojecten binnen het multidisciplinair samenwerkingsverband, waarvan het ministerie opdrachtgever is en de beroepsverenigingen van kerndisciplines (ook NVAB) opdrachtnemer. Zo wordt er momenteel gewerkt aan een tekst voor een convenant tussen de kerndisciplines. Roggeveen: ‘Het convenant zal zich gaan uitspreken over de gemeenschappelijkheid van de disciplines. We vinden het belangrijk om vast te leggen hoe wij als kerndisciplines gezamenlijk op willen trekken en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren. Het ligt immers voor de hand dat er nu naast het machtsblok van de Brancheorganisatie Arbodiensten ook nog een andere club komt: de arboprofessional die ook een belangrijke rol gaat opeisen.’ Andere samenwerkingsprojecten tussen de vier kerndisciplines zijn de Leidraad RI&E en een multidisciplinaire richtlijn gehoorbeschermingsprogramma. Arts: ‘De Leidraad RI&E is praktisch klaar. Daarin staan afspraken over de RI&E-toetsing door een gecertificeerd deskundige bij een maatwerkregeling. Het is niet de bedoeling dat een bedrijfsarts de RI&E van een groot chemisch bedrijf toetst. In de Leidraad staat wie wanneer een RI&E kan toetsen, zonder dat er een heel circus ontstaat over de zwaarte van de RI&E-toets. Doordat we deze afspraken gevierlijk hebben kunnen maken, is er een leidraad ontstaan die veel minder bedrijfsbezoeken verlangt dan tot 1 juli gangbaar is .’

 

Deze harmonieuze samenwerking neigt bijna naar een toekomstige fusie. Roggeveen: ’We hebben gesproken over een gezamenlijk bestuur. Maar de culturen binnen de preventieverenigingen verschillen dusdanig dat het contraproductief is om de verenigingen te laten fuseren. Maar we gaan wel een stichting oprichten voor projecten. Want er zijn steeds meer dwarsverbanden. De samenwerking krijgt de karakteristieken van een federatief verband.’

 

Roggeveen heeft er daarom ook volop vertrouwen in dat de zo gewenste marktverkenning alsnog mogelijk gemaakt wordt. Binnenkort hebben de voorzitters een gesprek op het ministerie. ‘Nu wij ons georganiseerd hebben en in samenwerking de door hen gewenste producten leveren, kunnen wij ons niet voorstellen dat zij ten aanzien van dit onderzoek niets te bieden hebben’, besluit Roggeveen.

 

Reageer op dit artikel