artikel

Recente jurisprudentie

Wetgeving

Een werknemer glijdt uit over een pasgedweilde vloer. Het schoonmaakbedrijf is niet aansprakelijk omdat het aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan.

 

De firma Brandschoon dweilt de tegelvloer in de hal van een bedrijfspand. De schoonmaker gebruikt een mopemmer met aan beide zijden de tekst ‘Caution wet floor’ en een driehoek met uitroepteken. Werknemer Jansen ziet de waarschuwing over het hoofd, glijdt uit en loopt een gecompliceerde beenbreuk op. Hij stelt Brandschoon aansprakelijk voor de schade op grond van artikel 6:162 BW, de onrechtmatige daad. Brandschoon voert eerst aan dat alleen de werkgever van Jansen aansprakelijk kan worden gesteld, maar daar is de rechter het niet mee eens. Anders kan het bedrijf immers nooit ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het een opdracht uitvoert. De rechtszaak draait vervolgens om twee vragen: was er sprake van gevaarzetting en heeft Brandschoon voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen? Jansen stelt dat Brandschoon niet heeft gewerkt conform de aanbevelingen van de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB). Volgens de rechtbank is dit echter geen veiligheidsnorm waaraan Brandschoon zich moet houden of waarop een derde, zoals Jansen, zich kan beroepen. De rechtbank wijst de vordering vervolgens af. Door te dweilen heeft Brandschoon voor een risico gezorgd, maar geen ongeoorloofd hoog risico. Dweilen is immers een gewone bezigheid. Ook heeft het schoonmaakbedrijf voldaan aan zijn waarschuwingsplicht door het gebruik van de emmer met waarschuwing. Dat Jansen de emmer niet heeft gezien, is daarom voor zijn eigen risico.

 

(Rechtbank Amsterdam, 6 december 2006, LJN AZ3700)

 

Een scholier komt na de zwemles onder de schoolbus. De school is half aansprakelijk, omdat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden.

 

Een 10 jaar oude scholier verlaat na de zwemles samen met enkele andere leerlingen voortijdig het zwembad. Vervolgens komt hij onder de bus terecht die de scholieren komt ophalen, waardoor hij zeer ernstig beenletsel oploopt. Bij de bus is op dat moment geen begeleider aanwezig; maar elders in het zwembad houden een leerkracht, een stagiaire en twee ouders toezicht, conform het zwemprotocol van de school. De verzekeraar van de bus vergoedt de schade en vordert die terug van de school op grond van onrechtmatige daad: de school zou onvoldoende toezicht hebben gehouden. Zij had het ongeluk kunnen voorkomen door een van de toezichthouders bij de zwembaduitgang te posten. De rechtbank is het daarmee eens: anders had niet een grote groep jonge kinderen onopgemerkt het zwembad kunnen verlaten. Daarom is de school mede aansprakelijk voor het ongeval en voor de helft van de schade draagplichtig.

 

(Rechtbank Leeuwarden, 29 november 2006, LJN AZ3149)

 

De gemeente Haarlem is niet strafrechtelijk immuun voor een boete die is opgelegd voor het overtreden van de Arbowet, omdat de boete terecht is opgelegd.

 

Bij het blussen van een brand in de Haarlemse Koningskerk komen drie brandweerlieden om door een instortende gevel. De gemeente krijgt een boete opgelegd van 11.250 euro omdat zij onvoldoende maatregen heeft genomen tegen het gevaar te worden getroffen, geraakt of bekneld te raken. Bezwaar en beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard, waarna de Gemeente hoger beroep aantekent bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens de Gemeente geniet zij strafrechtelijke immuniteit, omdat brandblussen een exclusieve overheidstaak is. Dit vanwege uitspraken van de Hoge Raad en omdat de Officier van Justitie geen strafrechtelijke vervolging op grond van de Arbowet zou instellen, wat een bestuursrechtelijk sanctie ook uit zou sluiten. De Hoge Raad onderschrijft dit niet. De rechtspraak over de strafrechtelijke immuniteit waaraan de gemeente refereert betreft strafrechtelijke sancties, terwijl het in dit geval om een bestuurlijke boete gaat. Of die immuniteit ook van toepassing is bij het opleggen van een bestuurlijke boete doet er niet toe, omdat er in dit geval toch geen beroep op kan worden gedaan. De Officier van Dienst heeft bij de brand tijdig het bevel gegeven om de directe omgeving van de kerk te verlaten. Hij heeft echter verzuimd om te controleren of ook iedereen zijn bevel heeft opgevolgd. Dus heeft de gemeente niet alles gedaan om het gebeurde te voorkomen.

 

(Raad van State, afd. Bestuursrechtspraak, 22 november 2006. LJN AZ2782)

 

De rechter houdt een supermarkt aansprakelijk voor de schade van een klant die snijwonden oploopt doordat er glas van een lopende band valt. De supermarkt had maatregelen moeten nemen om het vallen te voorkomen.

 

Een supermarktklant krijgt een slagaderlijke bloeding wanneer zij wordt geraakt door de scherven van een flesje breezer dat van de lopende band naar de kassa valt. Haar rechtsbijstandsverzekering stelt de supermarkt aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden materiele en immateriele schade. De supermarkt wijst de claim af en wijt het ongeval aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De klant voert echter aan dat het flesje kon vallen door het ontwerp van de lopende band. Omdat de band ter hoogte van de kassa smaller is dan ervoor, kunnen voorwerpen daar op elkaar botsen. Omdat de supermarkt deze toedracht niet kan ontkrachten, neemt de rechtbank aan dat het ongeval inderdaad door het ontwerp van de lopende band kon gebeuren. De rechtbank acht de supermarkt aansprakelijk omdat die heeft verzuimd veiligheidsmaatregelen te nemen tegen het vallen van producten van de lopende band. Daardoor heeft de supermarkt een gevaarlijke situatie in het leven geroepen of gehouden. De rechtbank kent de vordering toe.

 

(Rechtbank Middelburg, 27 juli 2006, LJN AZ5134; gepub. 22 december 2006)

 

Een werknemer wordt op staande voet ontslagen wegens agressieve uitingen. Vanwege de ernst van de agressie en omdat de man al eerder was gewaarschuwd gaat de rechter hiermee akkoord.

 

Een chauffeur schrijft het woord ‘sukkel’ in een laag stof op een loodsdeur. Als twee hem onbekende heren aanspreken op zijn gedrag, reageert hij dat ze ‘moeten oprotten’. Als de mannen zich vervolgens bekendmaken als de magazijnchef en de nieuwe chef expeditie en hem nogmaals op zijn gedrag aanspreken, neemt de chauffeur een agressieve houding aan en uit hij dreigende taal. Omdat er al eerder sprake is geweest van agressief gedrag tegenover collega’s, wordt de man op staande voet ontslagen. Hij vecht het ontslag aan wegens het ontbreken van een deugdelijke reden. In kort geding eist hij onmiddellijk hervatting van het werk en de daarbij behorende betalingen. De kantonrechter acht het gedrag van de man voordat het duo zich bekend maakte geen aanleiding voor ontslag op staande voet. Hij wist immers niet wie hij voor zich had en bevond zich op een terrein waar diefstalgevoelige goederen lagen. Het agressieve gedrag van na de bekendmaking vindt hij echter wel reden voor ontslag op staande voet, daar hij niet kan uitsluiten dat de bodemrechter de bedreiging voldoende zal achten voor ontslag op staande voet. Ook staat vast dat de chauffeur eerder was gewaarschuwd wegens agressief gedrag. Mede om die reden is het waarschijnlijk dat het ontslag op staande voet ook in een bodemprocedure stand zal houden.

 

(Kantonrechter Hoorn, 15 mei 2006, LJN AZ4207; gepubliceerd 12 december 2006)

 

Reageer op dit artikel