artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een verzorgster raakt op weg naar een client betrokken bij een verkeersongeval. Zij stelt haar werkgever, een stichting, aansprakelijk voor haar schade op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek, de zorgverplichting van de werkgever en/of op grond van artikel 7:611 BW, goed werkgeverschap. Zij stelt dat zij het ongeval heeft gekregen tijdens werktijd, want ze was immers op weg van huis naar haar eerste client. De stichting vindt dat het ongeluk plaatsvond in privetijd, tijdens woon-werkverkeer. De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad in de zaak De Bont/Oudenallen (Hoge Raad, 9 augustus 2002). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat als een ongeval plaatsvindt tijdens woon-werkverkeer, een werkgever in beginsel op grond van artikel 7:658 BW niet voor de schade van een verkeersongeval hoeft op te draaien. In de cao van de stichting staat dat de reis van huis naar de eerste client wordt aangemerkt als woon-werkverkeer. Onder andere daarom is de stichting niet tot schadevergoeding gehouden. Bovendien staat in de cao dat werknemers die voor hun werk gebruikmaken van een motorvoertuig, voor een adequate verzekering moeten zorgen, die tevens de aansprakelijkheid van de werkgever dekt. De kantonrechter wijst de vordering dan ook af.

 

(Kantonrechter Maastricht 18 januari 2006, AM 21 juli 2006)

 

Een twaalfjarige brugklasser valt tijdens de gymles bij het hordelopen en breekt haar been op twee plaatsen. De rechtsbijstandverzekeraar van de ouders stelt de school aansprakelijk voor schade. Volgens de rechtbank gaat het erom of de leerkracht al dan niet tekort is geschoten in de zorg. Zijn er voldoende en passende voorzorgsmaatregelen getroffen? De rechtbank stelt voorop dat niet reeds de enkele mogelijkheid dat een ongeval kan gebeuren tijdens een gymnastiekoefening onzorgvuldigheid met zich meebrengt. Aan de meeste vormen van menselijke activiteit, zeker bij gymnastiekoefeningen, is wel een bepaalde mate van gevaar verbonden. Het gaat erom of er sprake is geweest van onzorgvuldig gevaarzettend gedrag. Daarvan is sprake wanneer de kans op een ongeval zo groot is, dat de gymnastiekleraar de oefening met de door hem getroffen veiligheidsmaatregelen niet zo had mogen laten uitvoeren. De school brengt leerlingen volgens een vast werkplan het hordelopen bij. Leerlingen krijgen eerst de techniek onderwezen, voordat zij daadwerkelijk over de hordes gaan springen. Daarbij houden de docenten rekening met het niveau van de individuele leerlingen. Verder zijn er veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals aanpassingen in hoogte van en afstand tussen de hordes. Bij de materiaalkeuze staan het voorkomen van letsel en het verminderen van de ernst voorop. Er zijn instructies voor het voorkomen van ongevallen, zoals het uitsluitend springen naast een vrije baan waardoor er een uitwijkmogelijkheid is als een leerling bij een horde niet goed uitkomt. Daarom oordeelt de rechtbank dat de kans op een ongeval niet zo groot was dat de bewuste oefening niet had mogen worden uitgevoerd. Dus is er geen sprake van een onrechtmatige gedraging van de docent en is de school niet aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank wijst de vordering af.

 

(Rechtbank Haarlem, 19 juli 2006, LJN AY4382)

 

Vier patienten van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg klagen een werknemer aan wegens ongewenste intimiteiten. De werkgever stelt de werknemer op non-actief en laat een instelling die onderdeel vormt van de stichting de klachten onderzoeken. Tevens kijkt de werkgever of hij de werknemer kan overplaatsen. Een week later krijgt de werknemer te horen dat er geen overplaatsmogelijkheid is en dat zijn dienstverband zal worden beeindigd, waarop de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt. De werknemer stelt dat het onderzoek onbetrouwbaar is, want niet door een onafhankelijk instituut uitgevoerd. Bovendien lijden alle vier patienten aan een geestelijke stoornis, zodat aan het waarheidsgehalte van de klachten mag worden getwijfeld. Een van hen heeft het bijvoorbeeld over een gebeurtenis ‘s nachts, terwijl de werknemer nooit ‘s nachts werkt. Ook heeft geen enkele collega ooit iets gemerkt van het verweten gedrag. Volgens de kantonrechter moet de werkgever zorgvuldig onderzoek verrichten. Dat had moeten zijn uitgevoerd door een onafhankelijk instituut, zeker gezien de psychiatrische stoornissen van de klagers en het klagen over nachtelijke gebeurtenissen.

 

Bovendien is gesteld noch gebleken dat de ongewenste intimiteiten ooit door een collega zijn opgemerkt. Daardoor is niet vast komen te staan dat er daadwerkelijk sprake was van seksuele intimidatie. Als de werknemer door alle ophef niet meer naar zijn werkplek terug zou kunnen, geldt dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat er geen passende functie is. De werkgever heeft echter maar een week gezocht en dat is een te korte tijdspanne om te kunnen concluderen dat er geen passende functie is. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek daarom af.

 

(Kantonrechter Haarlem 17 mei 2006, JAR 2006, 147)

 

Een chauffeur/belader bij een cateringbedrijf negeert een order van een platformsupervisor om te wachten met naar een vliegtuig te rijden. Als de supervisor hem hierop aanspreekt, reageert de werknemer heftig. De werkgever stelt de man op non-actief en verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Er is een dringende reden: het hardnekkig weigeren om instructies op te volgen; bovendien heeft de werknemer zijn plichten herhaaldelijk op grove wijze veronachtzaamd en durft de werkgever er niet op te vertrouwen dat hij zich daar in de toekomst wel aan zal houden. De afgelopen jaren heeft het cateringbedrijf na ongevallen met schade aan vliegtuigen van de klanten de veiligheidsmaatregelen drastisch aangescherpt. Het bedrijf wil natuurlijk geen klanten en dus werkgelegenheid verliezen. Het heeft de maatregelen op schrift onder het personeel verspreid en disciplinaire maatregelen aangekondigd bij overtreding. De werknemer zegt niet te hebben geweten dat de supervisor eraan kwam. Volgens hem is er sprake van een onbeduidend voorval. Hij zou nooit schade hebben veroorzaakt en steeds met veel motivatie en inzet hebben gewerkt. Kennelijk wil de werkgever van hem af omdat hij kritisch is. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer schriftelijk was ingelicht over de nieuwe voorschriften en disciplinaire maatregelen bij overtreding. Uit niets blijkt dat het niet-wachten op de supervisor relatief zo onbelangrijk was dat de werknemer eerst een waarschuwing zou krijgen. De werkgever tilde immers merkbaar zwaar aan de veiligheidsmaatregelen. De kantonrechter verwerpt het verweer van de werknemer. Omdat deze het handelen in strijd met de regels bagatelliseert, is het begrijpelijk dat de werkgever geen vertrouwen meer heeft in diens functioneren. Dat de werknemer nooit eerder schade heeft veroorzaakt doet daar niets aan af. Bovendien was hij al eerder aangesproken op het naleven van de aanrijdregels. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding wegens veranderingen in de omstandigheden.

 

(Kantonrechter Haarlem, 1 maart 2006, LJN AY5304)

 

Een harmonicaclub geeft een concert in een zorgcentrum voor mensen met een verstandelijke handicap. Een van de muzikanten glijdt uit in wat nattigheid. De huishoudelijke dienst van de stichting blijkt net de vloer te hebben gedweild vanwege wat gelekte vloeistof uit een airco. De vrouw loopt letsel op en stelt de stichting aansprakelijk voor de schade. Als de rechtbank de vordering afwijst, stapt de vrouw naar het hof. Zij baseert haar vordering primair op aansprakelijkheid van de stichting wegens gebrekkige opstal (art. 6:174 BW) en subsidiair op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Het hof meent dat er geen sprake is van een gebrekkige opstal. De vloer was niet glad van zichzelf, maar vanwege de aanwezigheid van een restje schoonmaakvloeistof. Evenmin acht het hof een onrechtmatige daad bewezen. Het is niet bewezen dat het zorgcentrum wist dat het ter plaatse nog steeds glad was. Er was ‘s morgens schoongemaakt en toen het slachtoffer aan het begin van de middag de gang betrad waren de schoonmaakresten waarschijnlijk al opgedroogd. Gelekte aircovloeistof laat zich makkelijk verwijderen en het uitvoeren van de normale schoonmaakwerkzaamheden is afdoende om eventuele gladheid op te heffen. De lekkende airco vereiste geen extra oplettendheid van de stichting. Toen het slachtoffer het gebouw betrad, waren daarin geen activiteiten gepland en bestond er slechts een kleine kans op een onverwachte bezoeker. Bovendien leidt een val op een gladde vloer bij een normale loopsnelheid meestal niet tot ernstige letselschade. Daarnaast was het ten tijde van het ongeval, in 2000, mede vanwege de kosten niet gebruikelijk om te waarschuwen dat de vloer was schoongemaakt of te controleren op gladheid. Het ongeval kan achteraf worden aangemerkt als een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

 

Het hof wijst de vordering af.

 

(Gerechtshof Arnhem, 9 mei 2006, LJN AY4816)

 

Een kleine zelfstandige lijdt aan mesothelioom, een ziekte die ontstaat door blootstelling aan asbest. De man heeft zes jaar in loondienst gewerkt bij het aannemingsbedrijf van zijn vader, dat hij daarna als eenmanszaak heeft voortgezet. Voor de periode in loondienst krijgt hij een jaar voor zijn overlijden een voorschot van € 16.000,- op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. In een kort geding eist hij voor de periode dat hij als zelfstandige heeft gewerkt € 50.000, – van de firma Eternit, fabrikant van de asbestgolfplaten waarmee hij werkte. Hij stelt dat Eternit onrechtmatig heeft gehandeld door niet of onvoldoende te waarschuwen voor het gevaar van het verwerken en bewerken van asbesthoudende producten. Volgens de voorzieningenrechter moet Eternit in 1969 bekend zijn geweest met de gezondheidsrisico’s van asbest, ook bij niet-beroepsmatig gebruik, en van de noodzaak tot voorlichting. Daarom had het bedrijf vanaf toen moeten waarschuwen voor de risico’s. De rechter acht het niet uit te sluiten dat in een bodemprocedure eigen schuld van de eiser een rol zal spelen bij het vaststellen van de schadebegroting. Als kleine zelfstandige had hij immers een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van risico’s en te nemen preventieve maatregelen. Daarom stelt de rechter de eigen schuld voorlopig op vijftig procent. Hij wijst een voorschot toe van € 20.000,-, mede gezien de financiele situatie van de nabestaanden en het restitutierisico.

 

(Rechtbank Rotterdam, voorzieningenrechter, 1 augustus 2006, LJN AY5429)

 

Bij een bedrijfsbezoek constateert de Arbeidsinspectie dat een bedrijf niet beschikt over een geldige risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). De werkgever stuurt de Arbeidsinspectie later een RI&E van een ander bedrijf op en stelt zo aan zijn wettelijke verplichtingen te hebben voldaan. In maart 2004 legt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daarom een bestuurlijke boete op van € 180,-. De werkgever tekent hiertegen bezwaar aan, omdat hij een RI&E heeft ingediend en omdat de inspectie had moeten zijn aangekondigd om een boete op te kunnen leggen. Als het bezwaar ongegrond wordt verklaard, stapt hij naar de rechtbank. Ook daar vangt hij bot, waarna hij zich wendt tot de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens de afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de nagezonden RI&E geen RI&E is als bedoeld in de Arbowet. Die moet immers op de arbeidsrisico’s in de eigen organisatie van toepassing zijn. Eveneens heeft de rechter terecht niet getwijfeld aan de rechtmatigheid van de opgelegde boete, omdat een dergelijke bepaling in de Arbowet ontbreekt. De afdeling verklaart het beroep ongegrond.

 

(Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 5 juli 2006, LJN AY0376)

 

Reageer op dit artikel