artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een taxichauffeur krijgt tijdens zijn werk in de avonduren een ongeval bij het oversteken van een onbewaakte overweg.

 

Omdat hij maar een deel van zijn schade vergoed krijgt via de (collectieve) ongevallen- en inzittendenverzekering van de werkgever, stelt hij een vordering in tegen zijn werkgever. Volgens hem heeft de werkgever zijn zorgplicht geschonden door hem in onveilige omstandigheden de weg op te sturen. Bovendien zou hem op grond van goed werkgeverschap een vergoeding van zijn volledige schade toekomen. Als de kantonrechter de vorderingen afwijst, gaat de werknemer in beroep. De werknemer voert aan dat hij als relatief onervaren taxichauffeur in schemering of duisternis moest rijden en werd blootgesteld aan verkeersgevaar. De werkgever had wel een WA-verzekering afgesloten voor taxipassagiers maar niet voor de chauffeur. Ten slotte is zijn geleden schade slechts deels door de verzekeraar vergoed. Ook het hof oordeelt dat de werkgever niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW. Dat de werkgever de werknemer op een avond in oktober toen het al donker begon te worden de weg heeft opgestuurd, kan hem niet kwalijk worden genomen. De werknemer was ten tijde van het ongeval immers 39 jaar en had al eerder voor een andere werkgever gereden. Het is algemeen bekend dat er gevaren zijn verbonden aan het oversteken van een onbewaakte overweg. Volgens het hof houdt goed werkgeverschap niet in dat een werkgever alle gevolgen van een ongeval moet wegnemen. Zowel artikel 7:611 BW als artikel 7:658 BW beoogt geen absolute waarborg te scheppen tegen door een werknemer geleden schade. Onder bepaalde omstandigheden kan goed werkgeverschap meebrengen dat de werkgever de schade van een werknemer desondanks moet vergoeden, maar de in dit geval door de werknemer gestelde feiten rechtvaardigen een dergelijke vergoedingsplicht niet.

 

(Gerechtshof Arnhem 18 april 2006, JAR 2006, 135)

 

De chauffeur van een ambulance rijdt met zwaailicht en sirene door rood, waarna hij op een personenauto botst. Daardoor komt een negenjarig jongetje om het leven. Naar eigen zeggen reed de chauffeur 40 of 50 kilometer per uur, om gas te geven toen hij zag dat de kruising vrij was. Getuigen verklaren dat de ambulance veel harder reed. De officier van justitie spreekt van grove schuld en eist een werkstraf van tweehonderd uur en een rijverbod van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk. Volgens de rechtbank heeft de chauffeur zich schuldig gemaakt aan het aanmerkelijk onvoorzichtig rijden, met een ongeval met een dodelijk slachtoffer als gevolg. Gezien de omstandigheden had de chauffeur met een veel lagere snelheid de kruising moeten oprijden. Omdat hij dat heeft nagelaten, kan het ongeval hem worden aangerekend, ondanks dat hij voor zijn werk met spoed op weg was naar een melding. De rechtbank voert als verzachtende omstandigheden aan dat de chauffeur geen specifieke training heeft gekregen voor het rijden met hoge snelheid op drukke wegen en een interne richtlijn ontbrak voor rijgedrag bij spoedmeldingen. De rechtbank acht daarom een lagere graad van schuld bewezen dan de officier van justitie en legt een lagere straf op dan geeist. De chauffeur wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur of 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden.

 

Noot: Er zijn richtlijnen in de maak die uitgaan van een maximumsnelheidsoverschrijding voor voorrangsvoertuigen van 40 km per uur.

 

(Rechtbank Arnhem, 23 juni 2006, LJN AX9255)

 

Een docente scheikunde klaagt een technisch onderwijsassistent aan wegens opdringerig gedrag. De assistent zou onder meer seksueel getinte opmerkingen hebben gemaakt tegen haar en vrouwelijke leerlingen, waardoor zij zich in zijn aanwezigheid niet veilig voelt en geen leerlingen met hem alleen durft te laten. De directie ontzegt de assistent per direct de toegang tot de school en schorst hem later voor drie maanden. Kort na aanvang van de schorsing meldt hij zich ziek. Bezwaar tegen het schorsingsbesluit wordt ongegrond verklaard. Na ruim twee maanden schorsing krijgt hij mondeling te horen dat de schorsing is opgeheven. Enkele dagen later blijkt uit de rapportage van de ingeschakelde vertrouwenspersoon dat het niet aannemelijk is dat de assistent zich ongepast en opdringerig heeft gedragen. Een maand later beschouwt het bestuur van de school de schorsing als beeindigd; weer een maand later wordt de klacht voorwaardelijk ingetrokken. De assistent laat de directeur van de school weten zich vernederd en niet gesteund te voelen. Hierdoor heeft hij zich onder psychotherapeutische behandeling moeten laten stellen. De directeur zegt mediation toe. De assistent acht de manier waarop met hem is omgesprongen onzorgvuldig plus in strijd met goed werkgeverschap en dus reden voor een schadevergoeding. De Centrale Raad van Beroep vindt het aannemelijk dat de klacht en de handelingen van de school tegen de assistent hebben geleid tot geestelijk letsel (aantasting van persoon, art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek). Deze schade valt het bestuur aan te rekenen. De assistent heeft immers langdurig moeten wachten op een uitspraak over de ongegrond verklaarde en ingetrokken klacht en is al die tijd buiten het arbeidsproces gehouden. Een brief van de school aan een aantal collega’s een maand na het begin van de schorsing heeft de reputatieschade niet geheel gecompenseerd. Daarom kent de Raad wegens immateriele schade een vergoeding toe van 2300 euro.

 

(Centrale Raad van Beroep, 29 juni 2006, LJN AY1 709)

 

Bij schoonmaakwerk komt een werknemer met zijn hand tussen twee walsen van een niet-uitgeschakelde lijnwals terecht en raakt ernstig gewond. De staatssecretaris van SZW legt een bestuurlijke boete op van 4050 euro. Bezwaar van de werkgever wordt ongegrond verklaard, maar diens beroep bij de rechtbank slaagt. De rechtbank oordeelt dat het niet mogelijk was de wals uit te schakelen of drukloos of spanningsloos te maken voor het schoonmaken. Daarom is een te hoge boete opgelegd; er was in dit geval alleen sprake van een overtreding van de toezichtverplichting. De staatssecretaris gaat in beroep. Hij voert aan dat de werkzaamheden werden uitgevoerd met een uitgeschakelde handbediening en dus onveilig. De Afdeling bestuursrechtspraak beloont het beroep. Volgens artikel 7.5 Arbobesluit mogen arbeidsmiddelen alleen uitgeschakeld of spanningsloos worden gereinigd. Is dat onmogelijk, dan moeten doeltreffende maatregelen worden genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank de getroffen maatregelen – handbediening – ten onrechte voldoende geacht. Uit niets is gebleken dat de betrokken werknemer afdoende was geinstrueerd. Ook was op de werkplek geen instructie voorhanden. De stelling van de werkgever dat hem geen verwijt trof omdat het ongeval in de lunchpauze plaatsvond, wordt verworpen omdat de Arbowet zo’n beperking niet kent. Daarom was de staatssecretaris bevoegd tot het opleggen van de boete. Het hoger beroep is gegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

 

(Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 7 juni 2006, LJN AX7062)

 

Een brigadier van de Verkeerspolitie komt ongelukkig ten val bij een voetbalwedstrijd tussen zijn unit en die van de Autobahnpolizei Munster, waardoor hij een herseninfarct krijgt. Na langdurige revalidatie blijft de man toch nog de gevolgen ondervinden. De minister weigert het ongeval aan te merken als een dienstongeval; bezwaar wordt ongegrond verklaard. Het voetbaltoernooi zou een teambuildingsdag zijn geweest, waaraan de brigadier niet verplicht was deel te nemen. Bovendien was aan het voetballen geen verhoogd risico verbonden. Het letsel heeft dus niets te maken met de risico’s van de functie. Volgens de brigadier was er sprake van opgedragen werkzaamheden, omdat het toernooi was bedoeld om het netwerken te bevorderen. Hij zou zich dus niet zomaar aan de wedstrijd en de bijbehorende risico’s hebben kunnen onttrekken. Vandaar dat er sprake van een arbeidsongeval zou zijn. De rechtbank oordeelt dat deelname aan het voetbaltoernooi is opgedragen en dus onderdeel was van de werkzaamheden. Voor kaderleden, zoals de brigadier, was deelname immers feitelijk verplicht aangezien de dag teambuilding tot doel had. Dat is door de minister in de bezwarenprocedure ook erkend. Als keeper liep de brigadier een verhoogde kans op letsel. Omdat het ongeval in overwegende mate is gerelateerd aan de aard van de opgedragen werkzaamheden, is er sprake van een dienstongeval.

 

(Rechtbank Arnhem, 31 mei 2006, LJN AX8615)

 

Een secretaresse krijgt ruzie met een collega-werknemer. Wat er precies voorvalt blijft onduidelijk, maar mogelijk speelt haar opvliegende karakter een rol. Daarop was zij namelijk al eerder aangesproken. De directeur stuurt haar naar huis. Als hij haar uitnodigt voor een gesprek, meldt de werkneemster zich ziek. Zij geeft geen gehoor aan de oproep van de bedrijfsarts om langs te komen voor een controle. Daarop nodigt de werkgever haar opnieuw uit voor een gesprek en laat hij weten eventueel loonsancties te zullen treffen. Daarop gaat de werkneemster alsnog naar de arbodienst. De bedrijfsarts constateert dat er sprake is van een arbeidsconflict en adviseert mediation. De werkgever verzoekt echter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter vindt het onverklaarbaar dat het enthousiasme van de werkgever voor de werkneemster binnen een paar maanden is omgeslagen in een waslijst van klachten. Het is onjuist dat de directeur de werkneemster niet eerst heeft gehoord voordat hij haar op non-actief stelde. Gezien het arbeidsconflict had de werkgever niet mogen verlangen dat de werkneemster na ziekmelding nog reageerde op het verslag van de gebeurtenissen. Daarom was het ongepast om te dreigen met loonsancties. De werkgever was niet verplicht om het advies van de arbodienst op te volgen. Hij had echter op zijn minst kunnen streven naar een minnelijke beeindiging van het dienstverband. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en kent de werkneemster een vergoeding toe van 5000 euro bruto. Bij het vaststellen van de hoogte van deze vergoeding heeft de rechter meegewogen dat de verstoring van de verhouding grotendeels aan de werkgever valt te wijten.

 

(Kantonrechter Amsterdam 21 april 2006, JAR 23006, 142)

 

Reageer op dit artikel