artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een werknemer krijgt een arbeidsongeval en raakt ernstig gewond. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk, maar het is niet onmiddellijk duidelijk wie die werkgever is. Hij is namelijk in dienst bij een in Duitsland gevestigd bedrijf en wordt via een in Nederland gevestigd concernonderdeel aan een Thais bedrijf uitgeleend. Daarom legt hij een claim neer bij zowel zijn Duitse werkgever als de Nederlandse vestiging, de laatste op grond van artikel 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek: de zorgplicht voor ingeleende arbeidskrachten.

 

In de zaak voor de Duitse rechter ontvangt hij een bedrag van (destijds) 160.000 D-Marken aan ongevallenuitkering. Daarnaast krijgt hij een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In de procedure tegen de Nederlandse vestiging wijst de kantonrechter de vordering van de werknemer af omdat artikel 7:658 lid 4 BW geen grondslag biedt voor aansprakelijkheid. Dit omdat niet is komen vast te staan dat de Nederlandse vestiging als uitlener op enigerlei wijze leiding heeft gegeven of toezicht heeft uitgeoefend op de wijze waarop de werknemer zijn werkzaamheden verrichtte. Ook is niet gebleken dat de werknemer in Thailand door de Duitse werkgever aan de Nederlandse vestiging was uitgeleend.

 

Het hof Leeuwarden meent dat artikel 7:658 lid 4 BW nog niet van toepassing was ten tijde van het ongeval. Daarom moet de zaak worden beoordeeld op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Daarbij is de bewijslastverdeling van artikel

 

7:658 lid 4 BW wel van toepassing. Uitgangspunt is dat voor aansprakelijkheid van de zogenaamde materiele werkgever is vereist dat deze in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Het moet dan in de regel gaan om enige mate van ondergeschiktheid zoals gegeven is in artikel 6:170 BW (aansprakelijkheid voor ondergeschikten).

 

In deze zaak heeft de werknemer zijn werkzaamheden in Thailand verricht onder toezicht en leiding van de Duitse werkgever met een bedrijfsmiddel (een mobiele boortoren) dat zijn eigendom was. Uit niets is gebleken dat de werknemer tevens instructies kreeg van of namens de Nederlandse vestiging. Daarom is die vestiging niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

 

(Gerechtshof Leeuwarden 22 maart 2006, JAR 2006, 98)

 

Een magazijnmedewerker ondergaat een knieoperatie. Bij een huisbezoek treffen zijn chefs hem in nachtkleding aan, slecht ter been en lopend met krukken. De medewerker vertelt dat hij nog wacht op de juiste diagnose en grotendeels thuis zit. Hij geeft aan geen behoefte te hebben aan ondersteuning vanuit het bedrijf. De werkgever vertrouwt dit niet en schakelt een recherchebureau in. Dit bureau rapporteert dat de werknemer verschillende keren activiteiten verrichte in een groentewinkel, zonder krukken en zonder zichtbare fysieke beperkingen. Reden voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst te willen ontbinden. De kantonrechter ziet geen verband tussen het verzoek en enig wettelijk opzegverbod. De werknemer ontkent niet dat hij activiteiten heeft verricht in de groentewinkel. Die zouden echter in overeenstemming zijn met de verkregen medische adviezen om zijn conditie te verbeteren. Dat wordt door de werkgever weersproken en ook door niets bevestigd. Volgens de rechter had de werknemer moeten begrijpen dat hij niet zonder overleg met de bedrijfsarts en zonder goedkeuring van zijn werkgever over kon gaan tot het verrichten van werkzaamheden. Dat de man zijn werkgever had gevraagd om aan te geven welke werkzaamheden hij nog wel mocht verrichten en daar nooit antwoord op had gehad, doet daar niets aan af. Het is de werkgever niet te verwijten dat hij geen vertrouwen meer heeft in de werknemer, daar die bij een huisbezoek de indruk maakte aanzienlijk gehandicapt te zijn, terwijl hij korte tijd later zonder enig zichtbaar spoor van fysieke beperkingen actief buitenshuis aan het werk was. Het wederzijds vertrouwen, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen, is blijvend komen te ontbreken. Daarom zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding, omdat de werkgever geen verwijt treft en het ontbindingsverzoek uitsluitend aan het handelen van de werknemer is te wijten.

 

(Kantonrechter Amsterdam, 31 maart 2006, JAR 2006, 104)

 

Een medewerker klantenservice bij een stichting heeft een conflict met zijn werkgever. Hij meldt zich verschillende keren ziek, waarop de bedrijfsarts de werkgever laat weten dat het conflict moet worden opgelost om verder verzuim te voorkomen. De werknemer krijgt betaald verlof; vervolgens verzoekt de werkgever de rechter de arbeidsovereeenkomst te ontbinden omdat er een onwerkbare situatie is ontstaan. De kantonrechter constateert dat de partijen in een impasse zijn geraakt, maar acht die impasse onvoldoende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Er is weliswaar sprake van onverenigbaarheid van karakters, maar uit niets blijkt dat de werkgever de werknemer heeft aangesproken op gestelde negatieve gedragingen of dat van eventuele terechtwijzingen verslagen zijn gemaakt. Uit overgelegde verslagen blijkt juist goed en correct functioneren. De werkgever had de werknemer op zijn beweerde negatieve gedrag moeten aanspreken, dit vast moeten leggen en vervolgens concrete en controleerbare afspraken moeten maken met de werknemer om zijn functioneren te verbeteren. Daarbij komt dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om uit de impasse te geraken, bijvoorbeeld door het inschakelen van een mediator. Dit klemt temeer daar de bedrijfsarts de werkgever heeft aanbevolen om een in- of externe bemiddelaar in te schakelen. Volgens de rechter kan een mediator mogelijk een voor beide partijen aanvaardbare oplossing vinden. Mediation hoeft niet alleen gericht te zijn op het oplossen van het conflict, maar kan ook worden gebruikt om partijen meer inzicht te laten krijgen in hun eigen functioneren. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

 

(Kantonrechter Maastricht, 17 november 2005, JAR 2006, 110)

 

De gemeente Schouwen-Duiveland neemt zich voor om de enige rookkamer in het gemeentehuis te sluiten. Ondanks een negatief advies van de FO-afdeling legt de gemeente het voorgenomen besluit toch voor aan de OR, die instemming weigert. Vervolgens stapt de gemeente naar de kantonrechter met het verzoek om vervangende toestemming (art. 27 lid 4 WOR). Volgens de kantonrechter heeft de OR er terecht op gewezen dat het voorgenomen besluit geen onderdeel is van het arbobeleid. Er is geen RI&E gemaakt met een plan van aanpak. De gemeente heeft ook het eigen rookbeleid niet geevalueerd, hoewel zij dat jaarlijks moet doen. Bij het voornemen tot sluiting heeft B&W het wettelijke kader en het beleidskader genegeerd. Het voorgenomen besluit staat geheel op zichzelf. De gemeente wil uitdragen dat zij geheel rookvrij is en daarom moet de rookkamer gesloten worden. Daarmee wordt dit besluit in hoge mate symbolisch en politiek van aard. Er ligt geen afweging van de concrete belangen binnen de eigen organisatie aan ten grondslag. De zorgplicht van de gemeente als werkgever voor de gezondheid van werknemers gaat niet zover dat zij rokende werknemers ongevraagd tegen zichzelf mag beschermen. De Tabakswet dwingt niet tot het geheel rookvrij maken van het gemeentehuis. De gemeente heeft de diverse mogelijkheden om arbeidsverzuim door roken tegen te gaan niet onderzocht, hoewel constructief overleg met de OR waarschijnlijk wel tot een oplossing zou hebben geleid. Het belang van extra vergaderruimte is eveneens van onvoldoende gewicht. Volgens de kantonrechter is de beslissing van de OR niet onredelijk en ontbreken bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen om de rookkamer in het gemeentehuis te sluiten. De rechter wijst het verzoek af.

 

(Kantonrechter Zierikzee, 11 april 2006, JAR 2006, 113)

 

Een productieplanner/leider verkoop binnendienst komt volledig in de WAO met een burn-out. De werkgever zegt de arbeidsover

 

eenkomst op. De werknemer vindt zijn burn-out werkgerelateerd en stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de schade. Hij stelt dat de werkdruk jarenlang toenam zonder dat de werkgever – ondanks zijn klachten – beschermende maatregelen nam. De werkgever vindt dat hij niet in zijn zorgplicht is tekortgeschoten en dat er geen causale relatie is tussen ziekte en werk. De kantonrechter stelt vast dat er bij burn-out sprake is van een verstoring van de balans tussen belasting en belastbaarheid die gedurende een langere periode is ontwikkeld. Volgens de Arbowet moet een werkgever zo’n verstoring zo veel mogelijk voorkomen. De normen van de Arbowet – het zo veel mogelijk aanpassen van het werk aan de persoonlijke eigenschappen van een werknemer en het zorgen voor een adequaat evenwicht tussen belasting en belastbaarheid in fysieke en psychische zin – moeten worden gezien als veiligheidsnormen in de zin van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek. Als die niet zijn nageleefd, maar wel specifiek waren bedoeld om schade aan de werknemer te voorkomen, dan treedt bij het bewijs van causaal verband de omkeringsregel in werking. Dit is niet het geval als alleen vaststaat dat een werknemer is blootgesteld aan risicofactoren voor burn-out, maar dat er van een tekortkoming nog geen sprake is. De rechter neemt aan dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn zorgplicht, omdat vaststaat dat de werknemer zijn taken onvoldoende goed uitvoerde. Daardoor moesten zaken steeds op het laatst worden gecorrigeerd en werkte de werknemer steeds onder stress. In zo’n situatie mag een werkgever een werknemer niet jarenlang laten aanmodderen, maar moet hij hem bijscholen, begeleiden of desnoods in een andere functie plaatsen, ook als de werknemer niet klaagt over de werkdruk. Daarom neemt de rechter aan dat de burn-out het gevolg is van het werk, tenzij de werkgever aantoont dat de burn-out ook zou zijn ontstaan als hij zijn zorgplicht wel was nagekomen. Maar de werkgever heeft er ook gemotiveerd op gewezen dat de werknemer is uitgevallen door een combinatie van een burnout en maligne hypertensie. Als dat zo is, zou er aanleiding kunnen zijn voor proportionele aansprakelijkheid. Partijen krijgen de gelegenheid zich daarover nog uit te laten.

 

(Kantonrechter Heerlen, 19 april 2006, JAR 2006, 108)

 

Een 35-jarige slagwerkdocent bij een muziekschool wordt in januari 2006 ziek met knieklachten. Een door de werkgever ingeschakeld verzuim- en reintegratiebedrijf acht de werknemer na een telefonisch consult in staat om te werken, zij het met beperkingen voor autorijden, langdurig staan en lopen, et cetera. De werkgever verzoekt de drumleraar weer aan het werk te gaan. Het drumstel zal worden opgebouwd en er wordt vervoer aangeboden. De werknemer weigert, waarop de werkgever ontbinding verzoekt wegens weigeren van passende arbeid zonder deugdelijke grond. Daarna schakelt de werkgever de bedrijfsarts in. De bedrijfsarts acht de werknemer gedeeltelijk inzetbaar voor zijn eigen werk. De kantonrechter vindt de verzuimbegeleiding in strijd met de regels omdat die niet is verzorgd door een zelfstandig gecertificeerde externe arbodienst. De werkgever heeft een bedrijf ingeschakeld dat op basis van een overeenkomst met een arbodienst gebruikmaakt van de certificering van deze arbodienst. Omdat dit bedrijf zelf geen gecertificeerde arbodienst is, wordt aan zijn bevindingen geen betekenis toegekend. Daarom is niet vastgesteld of de werknemer tot enige werkhervatting in staat was en was van werkweigering geen sprake. Mogelijk is door de gang van zaken en de reactie van de werkgever de arbeidsrelatie onder druk komen te staan en iets verstoord geraakt. Dat is dan echter vooral toe te schrijven aan de werkgever. Voorlopig is onvoldoende aannemelijk geworden dat de arbeidsrelatie zodanig uit evenwicht is geraakt dat het tussen de partijen niet meer tot een vruchtbare samenwerking kan komen. Bovendien wil de werknemer zijn dienstverband graag continueren. Van de werkgever mag als goed werkgever worden verwacht dat hij zich ‘herpakt’. Van verandering in de omstandigheden is geen sprake. Daarom wijst de kantonrechter het ontbindingsverzoek af.

 

(Kantonrechter Haarlem, 15 mei 2006, LJN AX1808)

 

Reageer op dit artikel