artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een Martinair-stewardess verblijft tussen twee vluchten op Cuba. Rond middernacht rijdt haar gezagvoerder haar per ongeluk aan met een golfkarretje. De stewardess breekt haar kuit- en scheenbeen en spreekt Martinair en de gezagvoerder aan voor een schadevergoeding.

 

De rechtbank wijst de vordering toe. De gezagvoerder heeft een onrechtmatige daad begaan, omdat hij in de golfkar is gaan rijden zonder te weten hoe hij die moest besturen.

 

De rechtbank houdt Martinair aansprakelijk op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Daarbij volgt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2005 (RvdW 2005, 46). Martinair had niet gewaarschuwd voor mogelijke (financiele) gevolgen van risico’s die werknemers bij een buitenlands verblijf lopen. Evenmin had de luchtvaartmaatschappij geadviseerd om een ongevallenverzekering af te sluiten. Bovendien had Martinair zelf geen ongevallenverzekering voor de werknemers afgesloten. Daarom komt het ongeval voor rekening van de werkgever op grond van goed werkgeverschap. De rechtbank houdt Martinair niet aansprakelijk op basis van artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek (aansprakelijkheid voor ondergeschikten). Dit omdat er geen functioneel verband bestond tussen het rijden in een golfkarretje en de werkzaamheden van de gezagvoerder. Evenmin spreekt de rechtbank Martinair aan op haar zorgplicht (art. 7:658 BW). Dit omdat het sowieso maar de vraag is of het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Bovendien kan moeilijk van een werkgever worden verwacht dat hij een werkneemster waarschuwt om niet ‘s nachts in Cuba over straat te lopen, aldus de rechtbank.

 

(Rechtbank Alkmaar 25 januari 2006, JAR 2006, 43)

 

Een buschauffeur loopt door een ernstig auto-ongeluk een whiplash op. Daarna is hij vrij regelmatig ziek.

 

Aanvankelijk streeft zijn werkgever ernaar om hem in zijn eigen functie te reintegreren. Op initiatief van de bedrijfsarts start de werkgever echter later een reintegratietraject naar ander werk, vanwege de forse nek- en trillingsbelasting bij de functie van buschauffeur. Hierop meldt de werknemer zich tegen de zin van zijn werkgever weer arbeidsgeschikt en pakt hij zijn oude baan weer op.

 

Als de werknemer zich ruim een jaar later weer ziek meldt, verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hiervoor beroept hij zich op een intern verzuimprotocol. Hierin staat dat een finale beoordeling plaatsvindt bij een ziekmelding na een eerder gestaakte reintegratie. Wordt daaruit geconcludeerd dat de werknemer niet kan terugkeren in zijn eigen functie, dan moet de arbeidsovereenkomst worden beeindigd. Volgens de kantonrechter heeft de werkgever correct gehandeld conform het verzuimprotocol. Dat neemt echter niet weg dat hij niet zijn verplichting is nagekomen om een werknemer passend werk aan te bieden.

 

Hij heeft de werknemer enkel de optie geboden om te solliciteren naar functies binnen de organisatie, zusterbedrijven en elders. De werkgever had de werknemer echter een functie moeten aanbieden, in plaats van hem de concurrentie met anderen te laten aangaan. Door alleen maar te verwijzen naar de mogelijkheid om elders te solliciteren is de werkgever verder in gebreke gebleven. Daarom wijst de rechter het ontbindingsverzoek af.

 

(Kantonrechter Amsterdam 11 november 2005, JAR 2006, 520)

 

Een 42-jarige medewerker materiele services krijgt een schriftelijke waarschuwing voor ‘uitlatingen en gedrag dat fysiek geweld suggereert’. Herhaling kan leiden tot ontslag.

 

Als hij vervolgens een collega op luide toon toespreekt onder het maken van wilde armbewegingen, stelt zijn werkgever hem op non-actief. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

 

De kantonrechter vindt dat de eisen van goed werkgeverschap met zich brengen dat de werkgever in deze situatie eerst een gedegen feitenonderzoek uitvoert. Pas nadat het feitenonderzoek is afgerond en de werknemer met de geconstateerde feiten is geconfronteerd, kan de werkgever beslissen over eventueel te nemen maatregelen. De werkgever heeft deze procedure niet gevolgd, daarom ziet de rechter geen dringende reden voor ontbinding. Maar omdat de werkgever zeer nadrukkelijk het vertrouwen in de werknemer heeft opgezegd, is er sprake van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst moet worden beeindigd. Ofschoon de werknemer het ontslag aan zichzelf te danken heeft, kent de rechter hem een vergoeding toe op basis van een correctiefactor C = 1. Dit omdat de werkgever is tekortgeschoten bij zijn feitenonderzoek en ten dele in verband met de fictieve opzegtermijn.

 

(Kantonrechter Enschede 17 januari 2006, JAR 2006, 55)

 

Bij zijn werkzaamheden is een verwarmingsmonteur mogelijk aan asbest blootgesteld. Dertig jaar later wordt bij hem mesothelioom geconstateerd. Hij stelt zijn toenmalige werkgever aansprakelijk.

 

Die verweert zich door te stellen dat hij indertijd geen maatregelen hoefde te treffen, omdat naar de toenmalige inzichten de blootstelling te gering zou zijn geweest. Als de rechtbank dit verweer verwerpt, gaat de werkgever in beroep.

 

Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank het verweer van de werkgever op onterechte gronden verworpen. Dat tijdens het dienstverband van de werknemer bekend was dat blootstelling aan asbeststof gevaar voor asbestose opleverde, leidt nog niet tot het oordeel dat op de werkgever dus de verplichting rustte om veiligheidsmaatregelen te nemen. Op grond van artikel 7:658 lid 2 Burgerlijk Wetboek rust op de werkgever de bewijslast en daarmee het bewijsrisico ter zake van de juistheid van zijn verweer. Vanwege de verstreken tijd, hoeft de werkgever alleen maar aannemelijk te maken dat hij er in de betrokken periode van mocht uitgaan dat de blootstelling geen risico van asbestose opleverde.

 

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak voor afdoening naar het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

 

(Hoge Raad 17 februari 2006, JAR 2006, 67)

 

Bij de renovatie van het Catshuis gebruikt een schildersbedrijf binnenshuis verboden thinner voor het verwijderen van de waslaag op de vloeren. Door de waakvlam van een kachel ontstaat een explosie en brand, waarbij een van de schilders omkomt. Volgens het OM wist de werkgever dat er met thinner werd gewerkt. De officier van justitie eist op grond van overtreding van de Arbowet artikel 32 en het Arbobesluit artikel 3.5d, 4.2, 4.4 en 4.62b een geldboete van 25.000 euro. Volgens de rechtbank wist het schildersbedrijf dat binnenshuis niet met thinner mag worden gewerkt en werd de stof bewust ingezet om de waslaag van de houten vloeren op te weken. Hiervoor was geen nieuwe RI&E gemaakt. De ramen konden niet open en de waakvlammen in de kachels brandden. Ofschoon de waslaag eigenlijk had moeten worden weggeschuurd, heeft de directeur zelf een behandelplan opgesteld voor het opweken. Daarom is de werkgever ernstig tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheid tegen de werknemers en derden.

 

De rechtbank acht het tevens onbegrijpelijk dat geen van de andere bij het project betrokken partijen heeft ingegrepen. Betrokken ambtenaren van de Rijksgebouwendienst en het ministerie van Algemene Zaken wisten dat het verwijderen van de waslaag niet eenvoudig was. Bovendien hadden de schilders maar weinig tijd, omdat ze niet op alle dagen konden werken en het Catshuis al weer snel in gebruik moest zijn. Maar de Rijksgebouwendienst heeft in alle vier de weken dat de schilders bezig waren geen enkele controle uitgevoerd. Daarom vermoedt de rechter dat men het gebruik van thinner gewoon niet wilde weten.

 

Dit ontslaat de werkgever weliswaar niet van zijn eigen verantwoordelijkheid, maar door het (niet) optreden van de andere partijen is matiging van de op te leggen straf op z’n plaats. Tevens rekening houdend met de financiele positie van het bedrijf, legt de rechter een geldboete op van 15.000 euro.

 

(Rechtbank ‘s-Gravenhage, 20 maart 2006, LJN AV5904)

 

Bij het laden van gasflessen in een bestelauto vindt een gasexplosie plaats waardoor drie werknemers gewond raken. Bij nader onderzoek blijkt een gasfles te ontbreken. Uit getuigenverklaringen maakt de Arbeidsinspectie op dat de werknemers met gas naar elkaar hebben gespoten. Drie maanden later verklaren de gewonde collega’s dat de afdelingschef het ongeval heeft veroorzaakt. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij tijdens het ‘dollen’ niet ingegrepen en conform de voorschriften de gasfles later helemaal leeg laten lopen. De werknemers verklaren echter dat hij daarbij in de richting van een werknemer heeft gespoten, waarna de explosie volgde. De chef zou er daarna op hebben aangedrongen om niets te zeggen over het voorval omdat het slachtoffer toch niet zou worden geloofd. Na onderzoek ontslaat de werkgever de afdelingschef alsnog op staande voet.

 

De man roept de nietigheid van zijn ontslag in en vordert loondoorbetaling en toelating tot zijn werk. Hij ontkent opzettelijk of uit balorigheid de gasfles te hebben leeggespoten. Bovendien zou hij niet op staande voet mogen worden ontslagen drie maanden na het eigenlijke voorval.

 

De rechter meent dat dat afhangt van de ernst van de reden en van alle omstandigheden. Mocht bewijsvinding nodig of onderzoek door externe instanties vereist zijn, dan kan de termijn wel degelijk langer worden. De afdelingschef heeft lange tijd ontkend zelf met gas te hebben gespoten. Daarom was nader onderzoek nodig naar de juiste toedracht. Dat onderzoek omvatte bovendien inzet van Arbeidsinspectie en politie. Volgens de rechter heeft de werkgever daarbij voortvarend genoeg gehandeld. Daarnaast lagen enkele collega’s in een ziekenhuis en waren er twee ook bang voor represailles. Dat de afdelingschef naderhand nog heeft gewerkt, betekent niet dat het ontslag te laat is aangezegd. De rechter wijst de vorderingen van de afdelingschef af.

 

(Kantonrechter Rotterdam 10 januari 2006, Prg 2006, 47)

 

Zonder vooraf de temperatuur te controleren, tilt een medewerkster van een zorgcentrum een meervoudig gehandicapte vrouw in een veel te heet bad. De vrouw loopt zware brandwonden op en overlijdt een week later.

 

De officier van justitie gaat over tot vervolging op grond van dood door schuld wegens aanmerkelijk onachtzaam en nalatig handelen (artikel 307 Wetboek van Strafrecht). Subsidiair legt hij lichamelijk letsel door schuld ten laste (art. 308 Wetboek van Strafrecht). De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De werkneemster heeft noch de ingestelde hoogte van de thermostaatkraan gecontroleerd, noch op het display gekeken noch fysiek de temperatuur van het water gecontroleerd. Daardoor heeft zij aanmerkelijk onachtzaam en nalatig gehandeld.

 

Er rustte op haar een bijzondere zorgplicht. Zij werkte immers met clienten die onvoldoende in staan zijn voor zichzelf te zorgen. De officier van justitie vordert een werkstraf van 140 uur. De rechtbank acht een strafrechtelijke sanctie op zijn plaats en veroordeelt de werkneemster tot een werkstraf van honderd uur. Mocht deze straf niet naar behoren worden uitgevoerd, dan wordt die vervangen door vijftig dagen hechtenis.

 

(Rechtbank Breda, 6 april 2006, LJN AV8715)

 

Reageer op dit artikel