artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een productiemedewerker bij een vleesverwerkend bedrijf bespeurt in juni 2001 de eerste verschijnselen van een carpaal tunnelsyndroom. Zij wordt tweemaal geopereerd, maar in december 2002 wordt de diagnose RSI gesteld. In september 2002 staakt zij haar werk definitief.

 

De vrouw werkte sinds 1991 op de afdeling snijden en verpakken. Daar plaatste ze hammen en worsten in een snijmachine, legde de gesneden producten in bakjes en woog ze. Afwisselend vulde ze na elke pauze (vier keer vijftien minuten per werkdag) de voorraad halfproducten aan. De repeterende werkzaamheden maakten zeventig procent van de totale werkzaamheden uit. In februari 2003 wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden met toekenning van een vergoeding van 35.000 euro. De werkneemster heeft inmiddels een WAO- en WW-uitkering. Zij vordert nu van haar werkgever een voorschot van 10.000 euro op de materiele en immateriele schadevergoeding.

 

De werkgever betwist dat de klachten het gevolg zijn van het werk. Hij heeft eventuele gevaren voldoende beperkt en voldaan aan zijn zorgplicht. De werkneemster heeft ook een eigen verantwoordelijkheid, maar zij wilde na haar ziekteperiode alleen in haar eigen werk reintegreren. Het uitsluitend ontbreken van een RIE is niet voldoende om aansprakelijk te zijn. Maar volgens de rechter werd het werk uitgevoerd in een ruimte met een temperatuur van ongeveer 10° Celsius. Bij het productieproces werd gebruikgemaakt van een lopende band. Het ging om werk met een kortcyclisch karakter, de werkdruk was hoog en de pauzes waren kort. Ook moest vaak overwerk worden verricht. De werkzaamheden verhoogden de kans op het ontstaan van RSI wegens een eenzijdige, statische houding, repeterende bewegingen en verhoogde spierspanning.

 

Uit het Saltsa-rapport en het Arbo Convenant RSI in de vleessector blijkt dat 45 procent van de werknemers in de vleeswarenindustrie een verhoogde kans op RSI heeft. Volgens de rechter is absolute zekerheid over oorzaak en gevolg niet noodzakelijk om causaal verband tussen werk en RSI aan te nemen. Daarvoor is voldoende dat de klachten en het ziektebeeld met een voldoende mate van waarschijnlijkheid door de verrichte arbeid zijn veroorzaakt. Dat geven de aangevoerde rapporten aan.

 

De werkgever heeft onvoldoende duidelijk gemaakt of en zo ja hoe hij heeft voldaan aan de verplichting van artikel 3 lid 1 onder d Arbowet (kortcyclisch werk). Dit geldt ook voor de verplichtingen ten aanzien van de artikelen 5.2 en 5.3 Arbobesluit: de voorgeschreven RIE en kennelijk ook het Plan van Aanpak ontbraken. Het is daarom weinig aannemelijk dat de werkgever, zoals door hem is betoogd, een gestructureerd arbobeleid heeft gevoerd. Hij heeft op grond van dit alles niet voldaan aan zijn zorgverplichting.

 

Met de wens van de werkneemster om op haar eigen werkplek te reintegreren heeft zij niet gehandeld in strijd met een uitdrukkelijk advies van de bedrijfsarts. Daarom is van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werkneemster geen sprake. De rechter wijst de vordering van de werkneemster toe.

 

(Kantonrechter Deventer, 12 januari 2006, LJN AU9712)

 

Een accountingspecialist doet tijdens overwerk in november 2005 een ingeleende schoonmaakster een seksueel gericht voorstel. De vrouw gaat daar niet op in en dient een klacht in bij de (inlenende) werkgever. In de onderneming zijn regels gesteld ter voorkoming van seksuele intimidatie. Er wordt een gesprek gearrangeerd.

 

Aan het begin van dit gesprek krijgt de werknemer een op schrift gestelde waarschuwing (en enkele financiele sancties), maar aan het slot wordt meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zal worden beeindigd. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Er is een zodanig gebrek aan vertrouwen ontstaan dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk wordt geacht. De werknemer heeft de schoonmaakster seksueel geintimideerd. Hij is dicht bij haar gaan staan en heeft toegefluisterd ‘haar keihard te willen nemen’. Toen zij daar niet op reageerde, zei hij haar er met niemand over te praten. Aanvankelijk wilde de werkgever volstaan met geringere sancties maar voortschrijdend inzicht tijdens het gesprek bracht hem tot de conclusie dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Dit alles gezien het voorval zelf, de manier waarop de werknemer reageerde en de emotieloze wijze waarop hij de zaak afdeed als een hormonenkwestie. De werkgever moet zorgen voor een veilige werkomgeving en hij wil geen risico lopen dat zoiets nog een keer gebeurt. De kantonrechter kwalificeert de handelwijze van de werknemer als seksuele intimidatie. Het gaat om een oneervol en voor de schoonmaakster vernederend voorstel. Ook laat het zich indenken dat, gelet op de omstandigheden (in de avonduren, in een nagenoeg leeg kantoorgebouw), de grove bewoordingen en de wijze waarop het voorstel werd gedaan (de werknemer ging dicht bij de schoonmaakster staan), de vrouw angstig is geworden. Dergelijk gedrag is zonder meer verwerpelijk en hoeft niet geaccepteerd te worden, mede gezien de binnen het bedrijf vigerende regels. Maar het zou te ver gaan om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Natuurlijk is er sprake van een verandering in de omstandigheden. Dat de werknemer het vertrouwen van de werkgever heeft geschonden staat ook vast. Maar volgens de kantonrechter verliest de werkgever te snel alle vertrouwen en het zou dan ook niet billijk zijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het gaat om een werknemer met een vijfjarig dienstverband, die steeds goed heeft gefunctioneerd. Nooit eerder waren er negatieve signalen over zijn houding of gedrag naar andere medewerksters. Het lijkt er dan ook op dat het om een incident gaat. Weliswaar is herhaling niet uit te sluiten, maar er zijn geen aanwijzingen dat de kans daarop zo groot is dat het dienstverband moet worden verbroken.

 

De kantonrechter vindt het ook van belang dat de werknemer steeds open kaart heeft gespeeld, het boetekleed heeft aangetrokken en een excuusbrief heeft geschreven. Eventuele ontbinding van de arbeidsovereenkomst met alle negatieve financiele gevolgen zou de werknemer, afgezet tegen de aard en omvang van het voorval, disproportioneel hard treffen. De emotieloze opstelling die de werknemer wordt verweten, maakt dat niet anders omdat de rechter daar tijdens de zitting niets van is gebleken. Er is daarom weliswaar sprake van een vertrouwensbreuk, maar het is niet gebleken dat die breuk onherstelbaar is. Het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen.

 

(Kantonrechter Lelystad, 10 februari 2006, LJN AV1908)

 

Een Gezinspaviljoen van een zorginstelling brengt in een van de panden de bezetting van de bedrijfshulpverlening (BHV) tijdens de nachtdienst van twee personen naar een. De werknemers zijn het daar niet mee eens en schakelen in augustus 2002 de Arbeidsinspectie in. De inspecteur van de AI vindt het aantal BHV’ers in de nachtdienst ontoereikend en stelt daarom een eis. De zorginstelling vecht die aan.

 

De rechtbank oordeelt in april 2005 dat BHV’ers binnen twee minuten bij een brandende ruimte moeten zijn om praktische hulp te kunnen bieden. Bovendien bevinden zich zoveel werknemers en bewoners in de betrokken locatie dat in de nachtelijke uren twee BHV’ers aanwezig moeten zijn om de benodigde bijstand te kunnen verlenen. Maar de zorginstelling gaat in beroep. Zij vindt dat de bepalingen van de Arbowet primair bedoeld zijn voor de werknemers. Het gaat in de nachtdienst slechts om een werknemer. Die moet zich op grond van artikel 2.19 lid 2 Arbobesluit in veiligheid kunnen brengen en daaraan is voldaan. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft echter, net als de rechtbank, een andere uitleg van Arbowet en Arbobesluit. De Raad is van oordeel dat niet alleen moet worden gelet op de aantallen werknemers, maar ook op de feitelijke situatie in het Gezinspaviljoen. Een en ander in samenhang met de uitgangspunten van het Brandbeveiligingsconcept gezondheidszorggebouwen met betrekking tot gezondheidszorggebouwen met niet-zelfredzame patienten. Daarom vindt de Raad de eis van de Arbeidsinspectie terecht. Ook het laatste beroep van de zorginstelling is daarmee verworpen.

 

(Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 1 februari 2006, LJN: AV0978)

 

Als een politieagent in juni 1999 deelneemt aan een teambuildingsdag van zijn korps, krijgt hij een ongeluk met een quad. Hij loopt ernstig letsel op en wordt daardoor geheel arbeidsongeschikt.

 

De korpsleiding heeft het ongeval indertijd aangemerkt als een dienstongeval, de medische kosten vergoed en een smartengeld toegekend van (nu) ruim 136.000 euro. De agent wil echter dat de korpsleiding aansprakelijkheid voor het ongeval erkent. Hij vindt dat de werkgever niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan omdat hij door deelname aan het quadrijden nodeloos is blootgesteld aan een gevaarzettende activiteit. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat in dit soort gevallen als norm geldt dat een ambtenaar recht heeft op vergoeding van zijn schade. Dit is alleen anders als de korpsleiding aantoont dat ze haar verplichtingen is nagekomen. Die leiding moet het werk van de agent op zodanige wijze inrichten als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de agent schade lijdt. Anders moet de werkgever aantonen dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de agent. Maar dit uitgangspunt geeft geen absolute waarborg: de enkele omstandigheid dat een ongeval zich heeft voorgedaan, kan niet tot de conclusie leiden dat de korpsleiding alleen daarom al haar zorgplicht heeft veronachtzaamd. De Raad vindt dat in dit geval de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Doorslaggevend is daarbij dat gebruik is gemaakt van de diensten van een professioneel bedrijf met een ruime ervaring. Van tevoren heeft men er zich van vergewist dat voldoende veiligheidsnormen in acht werden genomen. De deelnemers zijn vooraf uitvoerig geinstrueerd, er stonden waarschuwingsborden bij de baan en er was een toezichthoudende instructeur aanwezig die bij problemen kon ingrijpen door gebruik van een vonkonderbreker. Dat is bij het ongeval ook gebeurd. De agent heeft aangevoerd dat de baan na het ongeval is aangepast en dat daaruit voortvloeit dat de baan onveilig was. De eigenaar van de baan heeft dat weersproken en aangegeven dat deze aanpassing uitsluitend een organisatorische achtergrond had. De Raad ziet geen aanleiding die verklaring in twijfel te trekken. Het beroep wordt afgewezen.

 

(Centrale Raad van Beroep, 2 maart 2006, LJN: AV3977)

 

Reageer op dit artikel