artikel

Recente jurisprudentie

Wetgeving

Een zorginstelling besluit dat er minder BHV’ers nodig zijn tijdens de nachtdiensten: een in plaats van twee. De werknemers vrezen echter dat deze bezetting niet voldoende is om agressie en geweld te beteugelen en de veiligheidssituatie in het geval van brand te garanderen. Zij schakelen daarom de Arbeidsinspectie in. Die eist begin januari 2003 dat er inderdaad twee BHV’ers moeten zijn. De organisatie maakt in februari 2003 bezwaar bij de minister van SZW. Als dat in april 2004 (!) ongegrond wordt verklaard, stapt zij naar de rechtbank. Ze vindt dat de bedrijfshulpverlening in de nachtelijke uren wel degelijk goed is georganiseerd. Immers, de termijn waarbinnen de brandweer in het geval van brand aanwezig moet zijn, is naar aanleiding van de eis verkort van vijf naar drie minuten. Ook zijn arboregels primair geschreven voor de werknemers en hoeft een organisatie geen rekening houden met het aantal bewoners. Met dat laatste is de rechtbank het niet eens. Gelet op artikel 15 Arbowet en artikel 2.17 Arbobesluit moet een organisatie rekening houden met alle aanwezige personen en het aantal personen dat zich bij een ongeval of brand niet zelfstandig in veiligheid kan brengen. Bovendien is de rechter niet onder de indruk van de afspraken tussen de zorgorganisatie met de brandweer (dat deze binnen drie minuten aanwezig zal zijn). In het Brandbeveiligingsconcept gezondheidszorggebouwen staat immers dat bedrijfshulpverleners binnen twee minuten met minimaal twee personen bij de brandende ruimte moeten zijn aangekomen. Zij moeten de patienten vervolgens binnen twee minuten naar een veilige plaats hebben gebracht en de deur van de brandende ruimte hebben gesloten. De Arbeidsinspectie sluit zich hierbij aan. Die ene minuut verschil is van essentieel belang omdat bij brand het voorkomen van verstikking een van de belangrijkste zaken is. Het aantal werknemers en bewoners in de betrokken locatie van de organisatie is zodanig dat er daarom twee bedrijfshulpverleners in de nachtelijke uren tijdig aanwezig moeten zijn om bijstand te verlenen.

 

(Rechtbank Alkmaar, 29 april 2005, LJN: AT 5046)

 

Een werknemer krijgt een ongeval als hij bezig is met een cementpomp. Hij krijgt tijdens het verpompen met grote kracht cementresten in zijn oog. Of het oog weer normaal zal kunnen functioneren, is onduidelijk. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Een lastige vraag. De pomp is door Van der Hoek BV aan de werkgever verhuurd. Die werkgever, All Conserving (verder te noemen AC) was verzekerd bij Zurich. AC heeft Van der Hoek een paar dagen na het ongeval op de hoogte gesteld. Volgens hem werkten de slangen van de pomp niet goed. Van der Hoek is verzocht met een gedegen financieel voorstel te komen. De rechten uit de verzekeringsovereenkomst tussen AC en Zurich zijn aan de werknemer overgedragen, en die heeft vervolgens Zurich voor zijn schade aansprakelijk gesteld. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is aansprakelijkheid aangenomen.

 

Zurich heeft vervolgens een verklaring voor recht gevorderd dat Van der Hoek voor de schade aansprakelijk is omdat deze een ondeugdelijke cementpomp heeft geleverd. De rechtbank heeft de vordering van Zurich toegewezen. Van der Hoek gaat in hoger beroep bij het hof. Maar volgens het hof heeft het bedrijf inderdaad onrechtmatig gehandeld jegens de werknemer. Van der Hoek heeft bij de cementpomp namelijk twee slangen geleverd zonder daarbij te vermelden dat een hiervan uitsluitend geschikt was voor transport van water en niet voor cement. Ook tijdens een telefoongesprek met de werknemer dat voorafging aan de levering, heeft Van der Hoek hierover niets gezegd. Daarom is hij aansprakelijk voor de schade. Maar ook AC is voor deze schade aansprakelijk, zij het op grond van artikel 7:658 BW (zorgplicht van de werkgever) en niet op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). AC heeft de werknemer namelijk niet opgedragen om de cementpomp op staat van onderhoud en veiligheid te controleren. Niet uit te sluiten valt dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als zij dat wel zou hebben gedaan. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof mee dat Van der Hoek zeventig procent van de schade moet vergoeden en AC/ Zurich de overige dertig procent.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage 4 maart 2005, JAR 2005, 134)

 

Een scheepmaker, van 1948 tot 1983 in dienst van een Rijkswerf, wordt in 1988 geopereerd aan een longcarcinoom. In 1995 wordt hij genezen verklaard maar dan krijgt hij carcinoom in zijn slokdarm waaraan hij begin oktober 1998 overlijdt. In maart 1997 stelt hij het ministerie van Defensie aansprakelijk wegens blootstelling aan asbest. Pas in september 2001 krijgen de erven vijftig procent van de schade vergoed. Defensie geeft toe dat de werknemer zodanig intensief aan asbest is blootgesteld (meer dan 25 ‘vezeljaren’), dat de kans op longkanker aanzienlijk is vergroot. Maar de werknemer heeft ook gerookt en het beleid van Defensie is om aan beide factoren evenveel waarde toe te kennen. Daarom wordt het longcarcinoom voor vijftig procent toegerekend aan het roken. De erven van de werknemer gaan met succes tegen deze beschikking in beroep bij de rechtbank. Maar Defensie stapt op haar beurt naar de Centrale Raad van beroep. Volgens het ministerie kan niet goed worden vastgesteld of het longcarcinoom alleen door de blootstelling aan asbest is ontstaan of door de versterkende werking van het roken. Door het rookgedrag van de werknemer is er sprake van eigen schuld. Daarom is slechts vijftig procent van de schade voor rekening van Defensie. De Raad stelt dat er sprake was van onrechtmatig handelen van Defensie. Die heeft de werknemer langdurig blootgesteld aan asbest waardoor de kans op het ontstaan van een carcinoom aanzienlijk is vergroot. Dat risico heeft zich vervolgens verwezenlijkt. Daarmee is het causaal verband tussen dat handelen en de schade in beginsel een gegeven. Defensie is aansprakelijk voor de schade, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat die ook zonder haar handelen zou zijn ontstaan. Defensie probeert dit aan te tonen en beroept zich op het rookgedrag van de werknemer. Daarbij baseert zij zich op epidemiologische gegevens.

 

Maar daarmee valt niet aannemelijk te maken dat de schade ook zou zijn ontstaan als de werknemer niet zou zijn blootgesteld aan asbest. Dat is alleen anders als de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Defensie heeft erkend dat daarvan geen sprake is. Daarom ziet de Raad geen ruimte om het rookgedrag tot vermindering van de vergoedingsplicht te laten leiden. De Raad verklaart het beroep van Defensie ongegrond.

 

(Centrale Raad van Beroep, 12 mei 2005, LJN AT5582)

 

Bij het aansluiten van een verdeelkast komt een installateur in contact met spanningvoerende delen waardoor hij overlijdt. De man blijkt niet op een isolerende mat te hebben gewerkt, en ook geen handschoenen te hebben gedragen. De Arbeidsinspectie stelt een onderzoek in en maakt een proces-verbaal op tegen de werkgever, waarna de Officier van Justitie tot vervolging overgaat. Hij verwijt de werkgever dat hij door het overtreden van artikel 8 en 32 van de Arbowet en artikel 3.5 en 8.3 Arbobesluit een situatie heeft gecreeerd waarvan levensgevaar van een of meer werknemers te verwachten was. De Officier van Justitie vordert een geldboete van 10.000 euro waarvan 5.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vindt dat de primaire verantwoordelijkheid voor het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen bij de werknemer ligt. Maar de werkgever heeft de verantwoordelijkheid om zijn werknemers tegen zichzelf te beschermen.

 

Hij moet de werknemers blijvend attenderen en verplichten beschermingsmiddelen te gebruiken en daarop toezien. De werkgever in kwestie heeft dit ook gedaan, echter zonder een effectief controlesysteem te hanteren. De rechtbank neemt mee dat de werkgever nooit eerder is veroordeeld en dat hij maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen. De rechtbank veroordeelt de werkgever conform de eis van de Officier van Justitie.

 

(Rechtbank ‘s-Gravenhage, 22 februari 2005, LJN AS8916)

 

Een werknemer valt uit met RSI-klachten en stelt zijn werkgever daarvoor aansprakelijk. De werkgever betwist het bestaan van causaal verband tussen de werkzaamheden – wikkelen van transformatoren – en de RSI. Ook verschillen de partijen van mening over de aard van de werkzaamheden en de arbeidsomstandigheden. De kantonrechter wijst de vordering toe. Later oordelen deskundigen dat er geen verband bestaat tussen de werkzaamheden en de RSI-klachten. Een door de werknemer ingeschakelde deskundige ziet dit verband wel. De rechtbank wijst in hoger beroep de vordering af. Dat de werknemer bij de werkgever heeft gewerkt en toen klachten heeft gekregen, is onvoldoende reden om een verband aan te nemen tussen klachten en werk. Dat de werknemer een andere beschrijving van zijn werkzaamheden geeft dan de werkgever, is voor de rechter geen reden om de omkeerregel toe te passen. Dit omdat de werkgever de stellingen van de werknemer betwist. De werknemer biedt aan om zijn verhaal te bewijzen, maar de rechtbank gaat hier niet op in. Deskundigen hebben immers al geoordeeld over het verband tussen RSI en de werkzaamheden. De rechtbank concludeert dat niet vaststaat dat de klachten veroorzaakt zijn door de werkomstandigheden. De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad stelt dat het in beginsel aan de werknemer is om een oorzakelijk verband tussen schade en werkzaamheden te stellen en zo nodig te bewijzen. Desondanks kan een onderzoek door (medische) deskundigen bepalend zijn om achter de schuldvraag te komen. Maar eerst moet worden vastgesteld om welke werkzaamheden het in een specifieke situatie gaat. In deze zaak zijn de werkzaamheden van de werknemer omstreden. De werknemer heeft aangeboden om de door de werkgever betwiste beschrijving van de werkzaamheden te bewijzen. De rechtbank is niet op dit aanbod ingegaan; hierdoor heeft zij of blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of haar oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het is namelijk niet vastgesteld of de deskundigen anders hadden geoordeeld als zij waren uitgegaan van de door werknemer gegeven omschrijving. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor verder afdoening.

 

(Hoge Raad, 20 mei 2005, JAR 2005, 155)

 

Een verzorgingshulp werkt bij een stichting. Zij fietst naar de hulpbehoevenden thuis. Deze fietstijd wordt beschouwd als werktijd en door de werkgever uitbetaald. In de winter glijdt ze uit met haar fiets, waardoor zij een dubbele fractuur van haar scheenbeen oploopt. Zij stelt haar werkgever voor de schade aansprakelijk, primair op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (de zorgplicht) en subsidiair op grond van art. 7:611 Burgerlijk Wetboek (goed werkgeverschap). De kantonrechter stelt vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Daarom is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de schade, tenzij hij aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De werkgever voert daartoe aan dat hij een procedure heeft voor slechte weersomstandigheden. Werknemers kunnen advies vragen aan hun leidinggevende; een taxi nemen als dat nodig is of eventueel de patient/client afbellen. Daarmee voldoet de werkgever volgens de rechter aan zijn zorgverplichting. Desondanks houdt de rechter de werkgever toch aansprakelijk voor de schade en wel op basis van goed werkgeverschap. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2005, overweegt de rechter dat de werkgever de risico’s van het fietsen tot een minimum had moeten terugbrengen. Hij had effectief moeten waarschuwen voor deze risico’s of de gevolgen daarvan voor zijn rekening moeten nemen. De werkgever heeft in dit geval niet specifiek genoeg gewaarschuwd voor het risico van niet extreme, maar plaatselijk optredende gladheid. Bovendien heeft hij een ontoereikende verzekering afgesloten (de verzekeraar erkent in dit geval geen aansprakelijkheid). Daarom veroordeelt de rechter de werkgever tot vergoeding van de schade van de werkneemster.

 

(Kantonrechter Delft 16 juni 2005, JAR 159)

 

Reageer op dit artikel