artikel

Recente jurisprudentie

Wetgeving

ABC Engineering krijgt de opdracht van Domos BV om in een bedrijfshal een koelinstallatie en luchtbevochtigingsinstallatie aan te leggen. ABC legt zelf de koelinstallatie aan en gunt de aanleg van de luchtbevochtigingsinstallatie aan Machebo Engineering BV, die het werk uitbesteedt aan Machebo Techniek BV. Bij de aanleg verongelukt een werknemer van Machebo Techniek, als hij door een provisorisch afgedekte lichtopening in een koelkanaal valt.

 

De Arbeidsinspectie constateert dat de gaten op volstrekt onvoldoende wijze waren afgedekt, namelijk met te kleine platen die niet waren vastgelegd of beveiligd tegen wegglijden. Ook hadden de platen onvoldoende draagkracht. ABC stelt dat de platen los lagen vanwege brandveiligheidsvoorschriften. Bovendien zou Machebo ook niet willen dat de gaten werden afgedekt, omdat men nu door de openingen materiaal op het plafond kon leggen. De rechtbank meent dat zelfs als dit waar is, ABC ook in dat geval maatregelen had kunnen en moeten treffen, bijvoorbeeld door hekken rondom de gaten te plaatsen of door deugdelijke afdekplaten te gebruiken. ABC had immers een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid rond deze gaten, ook ten aanzien van de eigen werknemers die eveneens over het koelkanaal liepen. Dat ABC niet is vervolgd wegens een overtreding van de Arbowet, doet aan de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW niet af.

 

Ook Domos heeft onzorgvuldig gehandeld. De projectleider van Domos wist van de gevaarlijke situatie en had zijn werknemers gewaarschuwd om niet op de koelkanalen te lopen. Hij liet de gevaarlijke situatie echter voortbestaan, toen bleek dat de waarschuwingen niet hielpen. Als opdrachtgever had Domus een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de bouwplaats, op grond van onder meer artikel 2.23 en 2.34 van het Arbobesluit. De rechtbank concludeert dat het ongeval en de daardoor ontstane schade het gevolg zijn van en de schending van de zorgverplichting van Machebo en van de onrechtmatige daad van ABC en van de onrechtmatige daad van Domos. Daarom zijn op grond van artikel 6:102 BW alle drie bedrijven in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Alle omstandigheden tegen elkaar afwegend, komt de rechtbank tot een schadeverdeling waarbij Machebo voor vijftig procent en ABC en Domos elk voor twintig procent de schade moeten vergoeden. Omdat ook de werknemer onvoorzichtig is geweest, draagt hij voor tien procent bij.

 

(Rechtbank Breda, 26 mei 2004, LJN nr. AQ 5145)

 

Een Manager Overseas Projects Departments neemt deel aan een zogenaamde ‘technical meeting’ waar personeel van een Nederlands bedrijf kennismaakt met personeel van gelieerde bedrijven in Ivoorkust. Daarbij hoort ook een tochtje naar het strand in Assinie (Ivoorkust). Als de werknemer tot zijn knieen in het water staat, wordt hij omvergeworpen door een golf. Hij loopt nekletsel (whiplash) op, waardoor hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt. Hij stelt zijn werkgever voor het letsel aansprakelijk. Deze had moeten waarschuwen voor de golven of mogelijk zelfs het strandbezoek uit het programma moeten laten. De kantonrechter wijst de vorderingen af, omdat deelname aan het sociaal programma niet valt aan te merken als het uitoefenen van werkzaamheden. De werknemer gaat in hoger beroep. Het hof acht artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek wel van toepassing, omdat het uitstapje naar het strand deel uitmaakte van de technical meeting en, hoe luchtig ook, niet vrijblijvend was. Bovendien moest de werknemer wel het goede voorbeeld geven en aan het strandtripje deelnemen, gezien zijn hoge functie. Ten slotte stond op het programma ook aangegeven dat de avond pas vanaf 20.00 uur ‘ter vrije besteding’ was. Maar naar het oordeel van het hof is de werkgever niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW. Op de werkgever rustte geen bijzondere inventarisatie- en waarschuwingsplicht voor alle mogelijke gevaren van een dagje naar het strand in een toeristisch oord als Assinie. Een dergelijk bezoek brengt immers geen bijzondere gevaren met zich mee. Bovendien is het algemeen bekend dat in de zee, en zeker in de Atlantische Oceaan, onderstromen voorkomen. Ook hoeft een werkgever een volwassen 49 -jarige werknemer met een verantwoordelijke internationale managementfunctie niet te waarschuwen voor alle denkbare gevaren van pootje baden in de branding. De werkgever is evenmin aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap). Het ongeval is het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De gevolgen daarvan komen niet voor rekening van de werkgever, temeer niet nu hij de noodzakelijke zorgvuldigheid heeft betracht door voor zijn werknemers een ongevallenverzekering af te sluiten.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 juni 2004, JAR 2004, 37)

 

Tijdens een schoolles valt een leerling door een duw van een medeleerling en loopt letsel op. De les vond plaats in twee verschillende ruimtes, waardoor de leraar niet voortdurend toezicht op alle leerlingen tegelijk kon houden. De ouders van de leerling stellen de gemeente, als werkgever van de leraar, op grond van artikel 170 Boek 6 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade. De school en de leraar zouden hun zorgplicht hebben geschonden. Volgens artikel 107 is de werkgever verantwoordelijk voor daden van zijn ondergeschikten. De kantonrechter oordeelt dat in het algemeen gesproken op een leraar een bijzondere zorgplicht rust voor de gezondheid en de veiligheid van zijn leerlingen. Dit betekent echter niet dat de leraar steeds op elk kind zodanig direct toezicht moet houden, dat hij elke onregelmatigheid onmiddellijk opmerkt en direct kan ingrijpen. Het stellen van een dergelijke eis aan een school en een leraar gaat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te boven. De kantonrechter wijst de vordering af.

 

(Kantonrechter Zutphen 12 augustus 2003, AM 3 september 2004, p. 51)

 

Een assistent-bedrijfsleider en planner bij een transportbedrijf wordt jarenlang ernstig overbelast en krijgt een burn-out.

 

De werknemer vindt dat de werkgever zijn zorgplicht volgens artikel 7:658 BW niet is nagekomen en vordert een schadevergoeding van bijna € 77.000,-. De werknemer heeft gedurende tien jaar vijftig weken per jaar gewerkt en heeft dus zeer beperkt vakantie en vrije dagen opgenomen. In de arbeidsovereenkomst van januari 1985 was een vaste overwerkvergoeding van tien uur per week opgenomen. De rechter acht het niet aannemelijk dat een dergelijke vergoeding wordt overeengekomen als een werknemer niet regelmatig een aanzienlijk aantal overuren maakt. De werknemer had in zijn woning een kantoor met een planbord ingericht voor zijn werkzaamheden. Bij stagnaties of onregelmatigheden viel het bedrijf op hem terug, zelfs ’s avonds, in het weekend en soms ook ‘s nachts. Hij werkte op het kantoor vaak van 7.00 uur tot vlak voor 18.00 uur, onderbroken door een lunchpauze thuis van drie kwartier. Vanaf 1985 regelde hij op zaterdag en zondagavond de planning en gaf die door aan de chauffeurs, die hem ’s avonds belden nadat zij hun vracht hadden gelost. Na uitbraak van de varkenspest in 1997 woonde de werknemer ‘s avonds veel vergaderingen ver van huis bij en was hij zeven dagen per week 24 uur per dag telefonisch bereikbaar. De kantonrechter stelt daarom vast dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden langdurig zwaar belast is geweest en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de ziekte veroorzaakt is door het werk. De werkgever was verantwoordelijk voor de organisatie van het werk, voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer en daarmee ook voor de werkbelasting van de werknemer. Dat de werkgever alles deed wat in zijn vermogen lag om te ontmoedigen dat de werknemer zaken naar zich toetrok en zich ook prive liet bellen, is te algemeen. Ook andere verweren acht de rechter ontoereikend. Het ligt volgens hem op de weg van de werkgever concreet aan te geven welke maatregelen hij heeft getroffen en welke aanwijzingen zijn verstrekt om overbelasting te voorkomen. De werkgever heeft niet aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Daarom is de werkgever aansprakelijk voor de schade. De rechter wijst de vordering toe.

 

(Kantonrechter Terneuzen, 29 september 2004, LJN nr. AR 4225)

 

Een uitzendkracht komt bij het fileren van kip met zijn arm achter een veiligheidsscherm van een fileermachine. Zijn arm wordt door de lopende band meegetrokken, waardoor de uitzendkracht ernstig, blijvend letsel oploopt. Op grond van de Arbowet krijgt de werkgever een bestuurlijke boete opgelegd van 12.000 (oude) guldens wegens het gebruik van een onveilige machine (artikel 16 lid negen van de Arbowet in samenhang met artikel 7.7, vijfde lid van het Arbobesluit). Ondanks dat de machine CE-gemarkeerd was, zou ze niet voldoen aan de eisen van het Besluit machines of de EGRichtlijn 98/37/EG. De werkgever maakt hiertegen bezwaar en als dat niet wordt gehonoreerd gaat hij in beroep. Volgens de rechtbank moet de Nederlandse overheid op grond van artikel 5, eerste lid van de Richtlijn de machine beschouwen als zijnde in overeenstemming met de Richtlijn. De in het Besluit Machines opgenomen nadere veiligheidseisen kunnen de werkgever niet worden tegengeworpen. Daarom kan evenmin worden aangenomen dat het vermoeden van conformiteit voldoende is weerlegd. Slechts als de inspectie de in artikel 6 en 7 van de richtlijn opgenomen procedure zou hebben gevolgd, zou dit anders zijn geweest. Dat is niet gesteld of gebleken. Het is ook niet zo, dat product- en arboregelgeving los van elkaar kunnen worden gezien. Tevens mag volgens het eerste lid van artikel 4 van de richtlijn het in bedrijf stellen van een machine niet worden beperkt. Die bepaling heeft volgens de rechtbank rechtstreekse werking. Daarom moet het opleggen van een boete wegens de onveiligheid van deze machine worden beschouwd als een beperking van het in bedrijf stellen in vorenbedoelde zin. Gezien de CE-markering en de overeenstemmingsverklaring mocht de werkgever immers uitgaan van de veiligheid van de machine. Daarom heeft de Arbeidsinspectie bij het opleggen van de boete gehandeld in strijd met een rechtstreeks werkende bepaling van het gemeenschapsrecht. Het beroep is daarom gegrond en het boetebesluit wordt vernietigd.

 

(Rechtbank Arnhem, sector Bestuursrecht, 14 oktober 2004, LJN nr. AR 5145)

 

Een management-trainee neemt deel aan een door de werkgever georga-niseerde bedrijfssportdag. Een jaar later wordt de man arbeidsongeschikt en is zijn arbeidsovereenkomst van rechtswege geeindigd. De werknemer vordert bij de kantonrechter dat de werkgever aansprakelijk is voor schade als gevolg van een ongeval dat hem is overkomen tijdens een sportdag. De kantonrechter wijst die vordering af. De werkgever ontkent dat de werknemer een ongeval op de sportdag heeft gehad. In hoger beroep gaat het hof er toch van uit dat de werknemer tijdens de sportdag een ongeval is overkomen. Daarom onderzoekt het of de werkgever hiervoor op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (de zorgplicht) , artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) of artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) aansprakelijk is. Het hof acht artikel 7:658 niet van toepassing, omdat de sportdag buiten de normale werktijd (namelijk op zaterdag) plaatsvond, buiten het kantoor om was georganiseerd, niet verplicht was en door een groot aantal werknemers ook niet is bezocht. Dat de werknemer zich vanuit zijn functie verplicht voelde aan de sportdag deel te nemen, leidt niet tot een ander oordeel. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW is slechts ruimte in bijzondere omstandigheden, die zich hier niet voordoen. De werknemer was immers niet verplicht deel te nemen aan de sportdag. Bovendien had hij kunnen afzien van deelname aan het programmaonderdeel waarbij hij, naar eigen zeggen, letsel heeft opgelopen. De werkgever is evenmin aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW, want dan had de werknemer moeten stellen dat de werkgever tijdens de bedrijfssportdag bepaalde veiligheidsnormen heeft overschreden. Daarbij komt dat in sport- en spelsituaties een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt. De rechter wijst de vordering ook in hoger beroep af.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 6 juli 2004, JAR 2004, 187)

 

Reageer op dit artikel