artikel

Recente publicaties

Wetgeving

Het blijkt al uit vraag 2 van dit boekje (Wanneer is iemand ergonoom?): iedereen mag zich zo noemen. Natuurlijk is het wel handig om je even in te lezen. En wie de honderd vragen op evenzoveel pagina’s heeft doorgenomen, bezit in ieder geval de noodzakelijke basiskennis. De ergonoom in spe kan bijvoorbeeld vertellen hoe lang iemand mag staan (maximaal een uur achter elkaar en vier uur per dag) en hoe lang hij mag zitten (maximaal twee uur achter elkaar en zeven uur per dag). En in het verlengde hiervan weet hij ook dat er geen verplichte normen zijn voor een bureaustoel, maar dat hij er goed aan doet om bij de aanschaf de NPR 1813 in zijn achterhoofd te houden.

 

Wist u verder dat vrouwen zich minder gemakkelijk kunnen ontspannen dan mannen en mede daardoor een grotere kans hebben om RSI te krijgen?

 

En dat trillingen kunnen leiden tot onherstelbare schade aan botten, bloedvaten, zenuwen en gewrichtskraakbeen? En kunt u vertellen:

 

– of jonge mensen meer fysieke belasting aankunnen dan oudere,

 

– wanneer je niet meer alleen, maar met z’n tweeen moet tillen,

 

– of straling van een beeldscherm slecht is,

 

– wat een goede instelling is van een scherm,

 

– wat de gevolgen zijn van eenzijdige functies,

 

– wat goede zonweringssystemen zijn,

 

– welke grenswaarden er zijn voor te veel hinderlijk geluid en

 

– hoeveel ventilatie er nodig is per werknemer?

 

Voor (kandidaat-)ergonomen die dieper willen graven, geeft ieder hoofdstuk een overzicht van relevante normen, literatuur en internetsites.

 

C. Schilder en P. Voskamp, Ergonomie in 100 vragen, Kluwer Alphen aan den Rijn 2005, tel. 0570 – 67 33 57, ISBN 90 13 02412 2. Prijs: € 25.

 

Een bos in het voorjaar. Op de voorgrond zien we een paar takken met lichtgroene bladeren; even verderop ligt een stapel pasgekapte boomstammen. Een fris lentezonnetje verlicht het tafereel. Zo op het eerste gezicht lijkt er een groot contrast te zijn tussen deze fleurige coverfoto en de zakelijke titel van het boek ‘Inkoop AVR-dienstverlening in het post Arbo-tijdperk’. Maar er is een link. Want net als dit bos is de arbowereld weer gezond gemaakt sinds de verplichte aansluiting bij arbodiensten ten einde is. Hierdoor ontstaat er volgens de auteurs ruimte voor jonge aanplant en een nieuw evenwicht.

 

Mooi dus. Maar bedrijven hebben nu wel een keuzeprobleem. Kunnen ze hun arbo, verzuim en reintegratie zelf regelen? En zo nee: waar moeten ze de goede dienstverlening inkopen? Het boek presenteert vier modellen, vier manieren om de arbodienstverlening vorm te geven.

 

– In het eerste geval blijft alles ongeveer bij het oude. Vooral MKB-bedrijven zullen terugvallen op de vertrouwde arbodienst, die weer samenwerkt met brancheorganisatie en verzekeraar.

 

– In model II heeft de organisatie haar verzuimbegeleidingsproces voor een groot deel intern georganiseerd, vaak uit onvrede met de arbodienst. Toch zijn nog niet alle banden verbroken. Die arbodienst blijft een aantal zaken regelen: de termijnbewaking, het administratieve proces en de inschakeling van de bedrijfsarts in het Sociaal Medisch Overleg.

 

– De derde mogelijkheid is dat bedrijven de regie helemaal in eigen hand houden. Leidinggevenden zijn casemanager, en deskundige ondersteuning wordt intern georganiseerd of gericht ingekocht. Een organisatie kan bijvoorbeeld een paar bedrijfsartsen aanstellen. Die kunnen adviseren bij het inkopen en bovendien inspringen bij medische problematiek.

 

– In het vierde model ligt de coordinatie van het verzuimbegeleidingsproces minder bij leidinggevenden en meer bij de interne professionals: bedrijfsartsen, maatschappelijk werkers, fysiotherapeuten. Het voordeel is dat die maatwerk kunnen leveren. Maar de leidinggevenden zullen hun taken gemakkelijker kunnen afschuiven.

 

R.J. Pille, M.A.M. Beks, M.B. van der Mast, D.M. van der Putte, Inkoop AVR-dienstverlening in het post Arbo-tijdperk,

 

Falke & Verbaan B.V, tel. 040 – 265 61 61. ISBN 90 809769-1-1. Prijs: € 39,50.

 

Ondernemers zullen de afgelopen maanden regelmatig hebben geworsteld met de vragen die in dit boekje aan de orde komen. Hoe wordt bijvoorbeeld het niveau van de interne preventie vastgesteld? En waarop moet worden gelet bij het inschakelen van vrijgevestigde deskundigen?

 

Want sinds 1 juli mogen ondernemers bevrijd zijn van het korset van de verplichte arbodienst, ze hebben er wel een knellend keuzeprobleem voor teruggekregen. Moet ik de zorg voor arbeidsomstandigheden zelf regelen of mag ik een externe dienst inschakelen? En ga ik dan naar een arbodienst of naar een verzekeraar of een vrijgevestigde professional? Alles begint met de RI&E. Die geeft een overzicht van de risico’s in het bedrijf en van de maatregelen die het bedrijf heeft genomen (of zou moeten nemen) om die risico’s onder controle te krijgen. Op basis van die RI&E kan het management vaststellen welke kennis in het bedrijf aanwezig moet zijn. Of, concreter geformuleerd, welke opleiding de preventiemedewerker moet krijgen en met welke externe deskundigen het bedrijf een contract moet sluiten.

 

Sommigen van die deskundigen moeten strikte wettelijke bevoegdheden hebben: de bedrijfsarts bijvoorbeeld, of degene die de RI&E moet toetsen. Bij het aantrekken van anderen heeft de werkgever meer keuzevrijheid. Hij moet dan bijvoorbeeld letten op opleiding, ervaring, referenties en de kennis die de deskundige heeft van de bedrijfstak.

 

R.O.B. Poort en D. Speetjens, Arbowet in 100 vragen, Kluwer Alphen aan den Rijn 2005, tel. 0570 – 67 33 57, ISBN 90 13 02412 2. Prijs: € 25.

 

Reageer op dit artikel