artikel

Risico’s inventariseren

Wetgeving

Met de recente wetswijziging van 1 januari zijn er nog wat zaken bijgekomen. Of schoon het arbeidsomstandighedenspreekuur is komen te vervallen, moet er in de RIE nu staan hoe medewerkers een beroep kunnen doen op (externe) deskundigen, zoals de bedrijfsarts.

 

Verder is er in de nieuwe wet sprake van PSA, Psycho-SociaIe Arbeidsbelasting. Daar vallen pesten, agressie, seksuele intimidatie en werkdruk onder. Nu zijn dat risico’s die je niet met een beheers maatregeltje hier en een afspraakje daar onder controle brengt, dus moet je als werkgever een beleid voeren. Mensen die geconfronteerd worden met seksuele intimidatie, moeten daar ergens mee naartoe kunnen (een meldpunt of vertrouwenspersoon). En mensen die werkdruk ervaren, moeten weten dat die aangepakt kan worden. Dat betekent dat RIE het risico moet identificeren en evalueren, en dat het Plan van Aanpak dat daaruit voortvloeit, iets moet zeggen over wat het bedrijf of de werkgever eraan doet.

 

Van de bhv is in de nieuwe Arbowet weinig overgebleven. Zo erg is dat niet. De afgelopen jaren hebben we ons blindgestaard op ‘een bhv’er per vijftig medewerkers’, een regel die volstrekt inadequaat was. Bij bedrijfshulpverlening gaat het namelijk niet om het aantal bhv’ers, maar om de eis dat er binnen enkele minuten na de rampzalige gebeurtenis hulp komt. Dat laat de jurisprudentie inmiddels wel zien. De RIE zal in de toekomst, eigenlijk vandaag ai, uitspraken moeten bevatten over de taakstelling van de bhv, de omvang, de uitrusting en de opleiding. Geen eenvoudige opgave voor degenen die de afgelopen jaren slechts in algemene standaardoplossingen hun heil hebben gezocht.

 

De RIE is dus een stuk belangrijker geworden. Zij komt precies op de plek waar ze hoort, namelijk aan het begin en in het centrum van goede zorg voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

 

Met de nieuwe eisen die aan de RIE gesteld worden, voldoet waarschijnlijk geen enkele RIE in Nederland meer aan de gewijzigde wet. Zij is dus aan een grondige herziening toe.

 

De volgende vragen kunnen als leidraad dienen:

 

1 Wat is de aard van onze bedrijfsvoering en de daarmee gepaard gaande veiligheids- en gezondheidsrisico’s?

 

2 Wat is er veranderd in ons bedrijf sinds de laatste RIE is uitgevoerd?

 

3 Wat ging er toen wel en niet goed?

 

4 Wat is de status van de in het Plan van Aanpak vastgelegde verbetermaatregelen? Welke werken er, welke werken er niet?

 

Bij de eerste vraag is het nuttig om na te gaan of er een door sociaIe partners goedgekeurde branche-RIE is. Dan ben je als bedrijf al een eind op weg. Het is mogelijk dat de bedrijfsactiviteiten niet helemaal in een branchestandaard passen. Wanneer iemand bijvoorbeeld een meubelfabriek heeft en ook aan particulieren verkoopt en levert, is de branche-RIE voor de meubelindustrie waarschijnlijk niet helemaal toereikend.

 

Het hangt van de mate van verandering af sinds de laatste RIE of het beter is een geheel nieuwe RIE uit te voeren of dat men kan volstaan met een aanvulling (actualisering) op de bestaande. Bij die beslissing is het ook van belang te checken of dat wat er in de oude RIE staat, nog wel overeenstemt met wat we vandaag de dag weten.

 

Bij het op- of bijstellen van een RIE, is het goed om de ervaringen met de uitvoering van de vorige RIE mee te laten wegen. Wat ging er toen goed of fout, en waarom? Het proces dat een bedrijf doorloopt om tot een deugdelijke RIE te komen is minstens zo belangrijk als de uiteindelijke RIE zelf. We zien erg vaak RIE’s van enkele jaren oud die na oplevering bijna nooit meer geopend zijn. Dat is niet alleen zonde van het geld, maar ook nog eens heel gevaarlijk. Want dat betekent dat de ge·inventariseerde risico’s niet of onvoldoende zijn aangepakt.

 

De laatste vraag (4) heeft alles te maken met de effectiviteit van het gebruik van de RIE. Een ingevoerde beheersmaatregel kan op zich heel juist zijn, maar misschien ‘niet lekker zitten: Ais er een andere deugdelijke oplossing bekend is die prettiger werkt, ligt het voor de hand om die in te voeren. Verder is het goed om eens te kijken of het gebruik of de uitvoering van het Plan van Aanpak wel naar wens verloopt.

 

In de praktijk komen we vaak halve plannen tegen, of RIE’s die nooit in een Plan van Aanpak zijn omgezet. Maar ook hele doortimmerde en uitgebreide plannen, die juist daarom als een last worden ervaren. Wil een Plan van Aanpak werkelijk effect sorteren, dan moeten de aard van het bedrijf en de manier waarop men met elkaar omgaat, daarin herkenbaar zijn. Een Plan van Aanpak mag niet als een verplicht nummer worden beschouwd, dat vervolgens in een la verdwijnt.

 

Wij ervaren vaak dat het uitvoeren van een RIE als eng, ingewikkeld, vervelend en moeilijk wordt gezien. In de praktijk valt dat best mee. Je moet er gewoon ervaring mee opdoen. Een RIE is niks anders dan met een arbobril naar het bedrijf kijken. Wie dat goed doorheeft, kan die bril ook weer afzetten en dan met de dagelijkse bedrijfsvoeringsbril naar de RIE kijken. Dan zal men waarschijnlijk veel overeenkomsten zien tussen het ‘mooie’ dat RIE heet en de prioriteiten waar men samen iedere dag mee worstelt. Het in elkaar schuiven van arbo en de bedrijfsvoering leidt onderaan de streep tot lagere kosten, en niet alleen door minder ongelukken of een lager ziekteverzuim. Mensen die veilig en gezond kunnen werken, worden minder snel moe en produceren meer en beter.

 

Reageer op dit artikel