artikel

Terug bij af

Wetgeving

Daarnaast wil Van Hoof de overheid een andere, vooral beperktere sturingsrol geven op het gebied van de arbeidsomstandigheden. De overheid moet zich allereerst niet meer bemoeien met de lage risico’s. Dat zijn risico’s waaraan niemand blijvend letsel kan overhouden houden of sterven, die niet tot grote maatschappelijke kosten leiden en waar de gemeenschap zich verder ook niet druk over maakt. Van Hoof wil de huidige regelgeving voor deze risico’s zo veel mogelijk schrappen. Omdat een deel van deze regels op Europese richtlijnen is gebaseerd, kan hij ze echter niet allemaal overboord gooien. Noodgedwongen laat hij er een aantal in stand. De middelvoorschriften hieronder wil hij de Arbeidsinspectie niet meer laten handhaven.

 

Van Hoofs terugtredende overheid krijgt scherpe tanden. De staatssecretaris wil de Arbeidsinspectie zwaardere handhavingsinstrumenten geven. Boetes moeten omhoog en daarnaast moet de Arbeidsinspectie hardleerse werkgevers publiekelijk aan de schandpaal kunnen nagelen in haar inspectieresultaten, een praktijk die Van Hoof modieus ‘naming and shaming’ noemt.

 

Verder streeft Van Hoof nog twee doelen na. Hij wil de regeldruk terugdringen en resterende regels vereenvoudigen. Ook is hij van plan om werkgevers en werknemers te stimuleren om de zogenaamde voorzieningen voor zelfwerkzaamheid verder te ontwikkelen. Dergelijke voorzieningen, zoals de RI&E en het Plan van Aanpak, vormen volgens Van Hoof succesfactoren voor het voeren van een goed arbobeleid binnen ondernemingen.

 

Voor de SER gaan de plannen van de staatssecetaris echter veel te ver. Steen des aanstoots is allereerst de voorgenomen indeling in lagere en overige (hoge) risico’s. De raad wijst Van Hoof er fijntjes op dat een eerder kabinet ook al eens heeft geprobeerd om een dergelijk onderscheid aan te brengen. Ook toen had de raad daar de nodige bezwaren tegen. Deze bezwaren gelden nog steeds en zijn er zelfs een paar bijgekomen. Zo merkt de raad op dat professionele organisaties uit het veld hun bedenkingen hebben bij de manier waarop de staatssecretaris de omvang van risico’s wil beoordelen. Ook is het bezwaarlijk dat Van Hoofs omschrijving van het begrip risico afwijkt van de gebruikelijke definitie in de veiligheidskunde.

 

Evenmin kan de raad zich vinden in de beoogde beperktere rol van de overheid. Dat de primaire verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenbeleid bij de sociale partners ligt, is volgens de raad nog geen reden voor minder overheidsbemoeienis. Integendeel. De SER vindt juist dat de overheid een duidelijke en nadrukkelijke rol dient te vervullen als opsteller en handhaver van heldere en concrete doelvoorschriften. Bovendien meent de raad dat het juridisch gezien helemaal niet mogelijk is dat de overheid zich minder met de arbeidsomstandigheden gaat bemoeien. De Grondwet en de Europese Kaderrichtlijn staan dit in de weg. In de Grondwet staat immers dat de overheid de lichamelijke integriteit en gezondheid van zijn ingezetenen beschermt, terwijl de Kaderrichtlijn overheden opdraagt om voor een adequaat beschermingsstelsel van de werknemer te zorgen. Verder is de SER weinig gelukkig met de beoogde invoering van het instrument ‘naming en shaming’. De negatieve gevolgen voor de publiekelijk aan de schandpaal genagelde werkgevers kunnen onevenredig groot zijn. Bovendien heeft de raad zijn twijfels over de effectiviteit van het instrument. Deze kritiek neemt niet weg dat de raad het op een aantal punten eens is met Van Hoof. De SER onderschrijft dat er aanleiding is om de toegenomen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers nader vorm te geven. Daarbij toont hij zich, net als de staatssecretaris, voorstander van maatwerk. Ook staat de raad achter het kritisch doorlichten van het bestaande gedetailleerde regelgevingscomplex op overbodige en onduidelijke regels, althans voorzover het om regels uit de zogenoemde Nationale Kop gaat (regels die niet op een Europese Richtlijn zijn gebaseerd). De SER is ervoor om echt overbodige regelgeving te schrappen en om de structuur van de overblijvende regelgeving te verhelderen. Ook heeft de SER geen enkele moeite met het idee om de boetes van de Arbeidsinspectie te verdubbelen. Resumerend concludeert de SER echter toch dat de voorstellen van het kabinet niet de meest geschikte weg naar een nieuwe arbostructuur vormen.

 

Maar de raad stuurt Van Hoof niet helemaal met lege handen naar huis. De bewindsman krijgt een alternatief plan mee.

 

De SER stelt voor dat een duidelijk onderscheid tussen het publieke en het private domein wordt aangebracht. In het publieke domein zorgt de overheid voor heldere en concrete doelvoorschriften. Deze voorziet zij van duidelijke wetenschappelijk onderbouwde gezondheids- of veiligheidskundige (grens)-waarden. De Arbeidsinspectie handhaaft hier op. Waar de overheid nog geen handhaafbare doelvoorschriften kan formuleren, zorgt zij voor procesnormen. In het private domein maken werkgevers en werknemers afspraken over hoe ze aan de doelvoorschriften kunnen voldoen. Dat kunnen zij op centraal, op sectoraal en op ondernemingsniveau. Middelvoorschriften verdwijnen compleet uit het publieke domein. De overheid zet ze om in doelvoorschriften, of hevelt ze over naar het private domein, waar ze hun formele status van voorschrift verliezen.

 

Dit onderscheid tussen de twee domeinen wil de SER niet alleen in Nederland invoeren, maar op de langere termijn ook in de hele Europese Unie. De raad staat een Europees ‘level playing field’ voor, een gelijk beschermingsniveau voor alle Europese werknemers. Om dat te bereiken wil de SER dat alle EU-landen enkel Europese regels in hun publieke domeinen opnemen. Deze moeten alle relevante arbeidsrisico’s afdekken via publieke normering. Voor ‘nationale koppen’ is in dit plan dus geen plaats meer. De uniformering van de Europese arboregelgeving mag niet ten koste gaan van het beschermingsniveau in de lidstaten. Vooral in de nieuwe lidstaten zal het beschermingsniveau omhoog moeten, aldus de raad. In hun private domeinen kunnen afzonderlijke landen vervolgens de middelen of procedures opnemen die ze willen. Zodoende houdt ieder land de ruimte voor maatwerk op nationaal, sectoraal of bedrijfsniveau.

 

De SER realiseert zich dat het Europese ‘level playing field’ voorlopig nog een utopie is.

 

Dat weerhoudt de raad er echter niet van om Van Hoof voor te stellen om alvast een begin te maken met de uitvoering van het alternatieve SER-plan. De raad stelt voor om alvast de arbobeleidsregels uit het publieke domein te verwijderen, met achterlating van de doelschriften. Verder wil de raad middelvoorschriften, toelichtingen of onnodige detailleringen uit Arbowet, Arboregeling en Arbobesluit overbrengen naar het private domein. Daarbij maakt de raad noodgedwongen een uitzondering voor op Europese regelgeving berustende middelvoorschriften. Verder moet er een begin worden gemaakt met het dereguleren en verduidelijken van de ‘nationale kop’.

 

Ook in het private domein kunnen de handen uit de mouwen. De SER wil dat werkgevers en werknemers samen overzichten opstellen van erkende middelen om aan doelvoorschriften te voldoen. Het liefst ziet de SER elke sector zijn eigen arbocatalogus schrijven. Deze catalogi moeten uitgroeien tot richtinggevende, praktische en toegankelijke hulpmiddelen. Overigens ziet de SER de catalogi niet als limitatieve opsomming van mogelijkheden: werkgevers en werknemers mogen ook met andere middelen werken.

 

Voor de inhoud van de catalogi denkt de raad allereerst aan de huidige arbobeleidsregels, de arboinformatie-bladen, NEN-normen en afspraken uit arboconvenanten. Ook uit het publieke domein verwijderde middelvoorschriften, normerende documenten en praktische handleidingen en CAO-afspraken kunnen een plek in de arbocatalogi krijgen. De raad wil werkgevers- en werknemersorganisaties belasten met het samenstellen en bijhouden van de catalogi. Daarbij denkt de raad onder andere aan sectororganen, zoals die in het kader van arboconvenanten zijn opgebouwd, of aan al langer bestaande gezamenlijke organen, zoals de Stichting Arbouw.

 

Staatssecretaris Van Hoof moet nu beslissen: legt hij het SER-advies naast zich neer of neemt hij het over? Die keuze lijkt zo op het eerste gezicht niet moeilijk. Niet-opvolgen van het advies leidt tot een moeizame relatie met de sociale partners die zo’n cruciale rol spelen in Van Hoofs eigen plannen. Daardoor dreigt een onwerkbare situatie. Bovendien sluit het SER-voorstel voor een deel aan bij de doelstellingen van de staatssecretaris. Werkgevers en werknemers krijgen meer verantwoordelijkheden en er wordt gedereguleerd. Overname van het advies betekent echter wel dat de overheid een dominante rol blijft spelen, terwijl Van Hoof daar geen voorstander van is. Bovendien gaan de dereguleringsplannen van de raad schijnbaar minder ver dan die van de bewindsman. Met het schrappen van de arbobeleidsregels schrapt de raad immers regels die toch al geen bindende kracht hebben. Van Hoof heeft dus de keuze tussen verminderd draagvlak bij de sociale partners en meer overheidsbemoeienis dan hem lief is.

 

MEER INFO

 

Kijk op www.ser.nl voor de complete tekst van het SER-advies. Nadere informatie over Van Hoofs adviesaanvraag is te vinden in ARBO 12/2004.

 

 

Reageer op dit artikel