artikel

Trillend op de tractor

Wetgeving

Onderzoek naar de effecten van langdurige blootstelling aan lichaamstrillingen is samengevat in enkele systematische reviews. De belangrijkste conclusie is dat werknemers die blootstaan aan trillingen, een verhoogde kans hebben op lage rugklachten, hernia’s en vervroegde degeneratie van de wervelkolom. Risicogroepen zijn vooral mensen met chronische rugklachten, herniapatienten en zwangeren. Een machinist die vaak blootstaat aan een hoog trillingsniveau, verliest tijdens zijn werkzame leven gemiddeld 47 werkweken door ‘ziekteverzuim met rugklachten’[1] . Trillingen kunnen de pijn in de rug verergeren en de terugkeer naar werk bemoeilijken.

 

De belangrijkste effecten van hand-armtrillingen zijn perifere vaatafwijkingen (‘witte vingers’) en perifere zenuwafwijkingen: samen het ‘handarmvibratiesyndroom’ (HAV). Karakteristiek voor de witte vingers is het aanvalsgewijs optreden van scherp begrensde witte vingerkootjes. De perifere zenuwafwijking uit zich als een ‘doof ’ gevoel en tintelingen in de vingers.

 

Een kwart van de risicowerknemers heeft klachten. Eerst krijgen deze personen koude handen en pijn bij aanraking van koude voorwerpen. Dan verliezen ze hun fijne motoriek, wat kan leiden tot onveilige situaties. Op den duur hebben patienten vermindering van tast-, pijn- en temperatuurgevoel. Witte of ‘dode’ vingers leiden bij ernstige gevallen tot uitval. Omdat aanvallen meestal buiten werktijd optreden (bij kou of het aanraken van koude voorwerpen),

 

leggen slachtoffers vaak geen relatie met het werk. De kans op HAV neemt toe bij een grotere knijpkracht, lange werktijden, een koude en vochtige werkomgeving, roken en gelijktijdige blootstelling aan lawaai. Rugklachten door lichaamstrillingen en HAV door hand-armtrillingen zijn in Nederland en in de ons omringende landen erkend als beroepsziekte. In Belgie blijken rugklachten door lichaamstrillingen de meest voorkomende beroepsziekte. Dat is in Nederland niet het geval, waarschijnlijk door onderrapportage. Slachtoffers komen zelden spontaan met hun klachten bij een bedrijfsarts. Ook zijn bedrijfsartsen wellicht nog te weinig bekend met de materie. Bovendien komen rugklachten ook door andere oorzaken ontstaan.

 

De wetgeving geeft grenzen voor trillingen op de werkplek. Boven de actiewaarde (0,5 m/s2 voor lichaamstrillingen en 2,5 m/s2 voor hand-armtrillingen – beide gemiddeld over een acht- urige werkdag – moet een werkgever maatregelen nemen. De grenswaarde (1,15 m/s2 respectievelijk 5 m/s2) mag nooit worden overschreden. De keuze van de grenswaarden is omstreden. Deze waarden zijn niet gebaseerd op wetenschappelijke evidentie, maar op het resultaat van een Europees politiek onderhandelingsproces.

 

Aanvankelijk lag er een EU-voorstel voor een grenswaarde voor lichaamstrillingen van 0,7 m/s2. Dat bleek kennelijk politiek onacceptabel. Nog geen jaar voor het vaststellen van de Europese richtlijn werd ineens gesproken over 1,5 m/s2. Vooral de landbouw- en Oost-Europese lobby bleken verantwoordelijk voor het verhogen van de grenswaarde. Uiteindelijk kwam men uit op de algemeen te hoog geachte 1,15 m/s2. Toch zijn er voldoende onderzoeken die beneden deze waarde al een verhoogd risico van rugklachten aantonen[1] .

 

Ook de grenswaarde voor hand-armtrillingen beschermt niet volledig. In de ISO-norm 5349-1, die de algemeen erkende stand der techniek verwoordt, staat dat bij de grenswaarde 10 procent van de blootgestelde werknemers na minder dan zes jaar witte vingers zal ontwikkelen. Het is daarom vreemd dat de EU en ook de Nederlandse wetgeving deze waarde toch accepteren. Bij het opstellen van MAC-waarden worden extra veiligheidsmarges ingebouwd. Bij lichaams- en hand-armtrillingen worden grenswaarden aanvaard waarvan bekend is dat ze tot schade zullen leiden.

 

Bij het meten en beoordelen van trillingen worden drie richtingen onderscheiden: voor-achterwaarts (x), zijwaarts (y) en verticaal (z). Enige tijd geleden werd bij het bepalen van de belasting vaak de vectorsom berekend (de vierkantswortel uit de som van de gekwadrateerde trillingswaarden in drie richtingen). Een chauffeur van een shovel (wiellader) heeft immers last van trillingen uit alle richtingen. De huidige wetgeving neemt echter alleen de richting met de hoogst gemeten waarde als uitgangspunt voor het berekenen van de dagelijkse blootstelling. Dit heeft grote gevolgen. In het Vibrisks-onderzoek, een onderzoek dat gelijktijdig in zes Europese landen werd uitgevoerd, vonden wij bij 11 procent van de populatie een overschrijding van de actiewaarde (0,5 m/s2) als we uitgingen van de dominante richting[1] . Als we de vectorsom als uitgangspunt namen, dan steeg dat naar maar liefst 66 procent. Italiaanse onderzoekers meldden hetzelfde. De angst voor praktische consequenties in de productiesfeer lijkt een grotere rol gespeeld te hebben dan wetenschappelijke evidentie voor gezondheidsschade. Een aanzienlijk deel van eerder epidemiologisch onderzoek is gebaseerd op de waarde van de vectorsom. Ook de ISO-norm 2631-1 voor het meten van lichaamstrillingen, staat het gebruik van de vectorsom toe. De wetgeving zelf echter niet; ook dat lijkt vooral een politieke keuze.

 

Meten is weten. Toch is meten niet altijd nodig. Producenten van (recente) voertuigen en werktuigen moeten immers, in het kader van de Europese machinerichtlijn en de Warenwet, trillingswaarden verstrekken. Een waarschuwing is hierbij wel op zijn plaats. De opgegeven waarden zijn vaak verza-meld onder gestandaardiseerde testcondities en houden dikwijls geen rekening met ongunstige situaties of slijtage. Voor schattingen kan men ook gebruikmaken van databanken met trillingswaarden van veelgebruikte voertuigen en gereedschappen.

 

Vooral kortdurende trillingen met een hoge intensiteit hebben een nadelig effect op de gezondheid. Maar deze schokken worden bij de bepaling van de dagdosis ondergewaardeerd. Door de (piek)waardes over een langere meetperiode te middelen daalt de blootstelling aanzienlijk. Dit betekent dat het risico wordt onderschat. Daarom gebruikt de wetgever onder andere in Groot-Brittannie de Vibration Dose Value (VDV). Deze trekt niet de wortel uit de versnelling in het kwadraat, maar de vierdemachtswortel uit de versnelling in de vierde macht. Hogere waarden in de vorm van pieken – zoals bij schokken – krijgen zo dus veel meer gewicht. De EU-richtlijn geeft ook actie- en grenswaarden voor deze VDV-methode. Nederland heeft de VDV niet opgenomen in de wetgeving. Hierdoor is dus de kans op onderwaardering van de schadelijkheid van trillingen en schokken groter.

 

Bepalingen over trillingen zijn nog maar kort in de Nederlandse arbowetgeving opgenomen. Handhaving door de Arbeidsinspectie zal zich vermoedelijk beperken tot het nagaan of de RI&E aandacht besteedt aan trillingen. Hoewel de wetgeving (nog) niet ver genoeg gaat, liggen er nu toch ook duidelijke mogelijkheden tot verbetering[1] . Ook zou de arboprofessional bestaande risico-inventarisaties weer eens kunnen doorlichten. Trillen blijkt bij veel bedrijven als risico nog geen plaats te hebben gekregen, laat staan dat er een plan van aanpak is. Het woord is nu aan de bedrijven, ondersteund door hun arbo-adviseurs. Kansen liggen er genoeg!

 

Reageer op dit artikel