artikel

Vernieuwd gereedschap voor de bedrijfsarts

Wetgeving

De gebrekkige uitvoering, maar ook het gemis aan wetenschappelijke bewijzen voor de effectiviteit, was reden voor de NVAB om de uitvoeringspraktijk te vernieuwen en te ‘protocolleren’. De vereniging wilde het PAGO weer aantrekkelijk maken voor werkgevers en werknemers. Daartoe moesten doelen, methoden en kwaliteitscriteria zorgvuldig op elkaar worden afgestemd. Dat resulteerde eind 2005 in een nieuwe leidraad. Gezien het grote verschil met het oude PAGO werd besloten de leidraad ook een nieuwe naam mee te geven: Preventief Medisch Onderzoek voor werkenden (PMO). Het PMO is bedoeld voor alle werkenden, vanuit het idee dat preventie het meest effectief is voordat gezondheidsproblemen en ziekteverzuim ontstaan.

 

Het PMO verschilt op vijf punten essentieel met het PAGO:

 

1. opdrachtgevers zijn actief bij de voorbereiding en uitvoering betrokken;

 

2. vooraf worden expliciet doelstellingen geformuleerd;

 

3. er wordt ook aandacht besteed aan de fysieke en psychische conditie en de leefgewoonten van de deelnemer;

 

4. eventuele verplichte keuringen (op grond van wet of CAO) kunnen in het PMO worden opgenomen;

 

5. het PMO draait niet alleen om onderzoek, maar ook om acties naar aanleiding van dat onderzoek (interventies).

 

Hierna gaan we nader op deze vijf punten in.

 

Een PMO is van en voor een organisatie en haar medewerkers. Daarom is het management eindverantwoordelijk voor de inhoud en de realisering. De bedrijfsarts speelt een centrale rol als voornaamste adviseur en, deels, uitvoerder.

 

Voorbereiding, uitvoering, evaluatie en vervolgplanning van PMO vragen om effectieve coordinatie. De Leidraad PMO legt de coordinatie neer bij een projectgroep van het bedrijf zelf. Het management stelt deze projectgroep in. De bedrijfsarts is adviserend lid van deze projectgroep. Een alternatief, vooral voor kleine bedrijven, is dat het management een personeelslid aanwijst als coordinator of projectmanager. Deze functionaris is tevens contactpersoon voor de bedrijfsarts en andere deskundigen. Overal waar in dit artikel ‘projectgroep’ staat, kan men dus ook lezen: ‘coordinator’ of ‘projectmanager’.

 

Het management beslist uiteindelijk over de doelstellingen, de inhoud en de uitvoering van het preventief medisch onderzoek.

 

PMO kent drie kerndoelen:

 

1. preventie van beroepsziekten en arbeidsgebonden aandoeningen bij individuele en groepen werknemers;

 

2. bewaken en bevorderen van de gezondheid van individuele en groepen werknemers in relatie tot het werk;

 

3. bewaken en verbeteren van het functioneren en de inzetbaarheid van individuele medewerkers.

 

De drie kerndoelen gelden voor elk PMO. Afhankelijk van de bedrijfssituatie en de gezondheidsrisico’s kan een kerndoel een hogere prioriteit krijgen.

 

De kerndoelen stimuleren werkgever, werknemers en deskundigen om van tevoren goed na te denken over wat men nu precies met een PMO wil bereiken voor de organisatie.

 

Naast de kerndoelen formuleert de opdrachtgever eigen doelstellingen. Deze moeten passen binnen een of meer van de kerndoelen. Organisatiespecifieke doelen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de aanpak van specifieke problemen in het bedrijf, bijvoorbeeld werkstress, klachten aan het bewegingsapparaat, of een hoog ziekteverzuim op een afdeling.

 

De klassieke risico-inventarisatie en -evaluatie is niet langer het exclusieve uitgangspunt voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Dit is een welbewuste verruiming in vergelijking met de opvattingen uit het verleden, zoals uitgedragen door de overheid (PCA) en neergelegd in de Leidraad PAGO van de SKB (1997).

 

Naast de in de arbeid gelegen gezondheidsrisico’s, wegen nu ook de aanwezige persoonsgebonden risico’s mee, zoals een matige fysieke of psychische conditie, een chronische aandoening, en ongezonde of riskante leefgewoonten. Deze laatste factoren zijn maar al te vaak van invloed op het (dis)functioneren in arbeid.

 

PMO staat voor het preventief medisch onderzoek van personen die beroepsarbeid verrichten. Daaronder valt vanzelfsprekend het vrijwillig arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 18 van de Arbowet. Maar PMO kan ook betrekking hebben op medisch onderzoek waaraan de werknemer zich moet onderwerpen op grond van andere wet- en regelgeving, zoals de Wet personenvervoer, Spoorwegwet, Wet luchtvaart en het Besluit stralingsbescherming. Deze ‘verplichte periodieke keuringen’ hebben een doelstelling die uitstekend past binnen de hierboven geformuleerde kerndoelen. Hun doelstelling is zelfs nog iets ruimer: het gaat bij een aantal functies niet alleen om de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemer zelf, maar ook om die van derden. Aanstellingskeuringen zijn overigens niet in het PMO opgenomen. Hier is de Wet op de Medische Keuringen van toepassing; de Leidraad Aanstellingskeuringen (2005) beschrijft de te volgen procedure.

 

Een verwijt dat men het traditionele PAGO kan maken, is dat het in onderzoek en signalering blijft steken. Onderzoek alleen leidt niet tot gezondheidswinst. Daarom omvat de nieuwe Leidraad niet alleen het gezondheidsonderzoek van werknemers, maar ook de interventies die daaruit voortvloeien.

 

Het is een hulpmiddel voor de opzet van preventieve gezondheidsprogramma’s in bedrijven, die niet alleen vroege signalering, maar ook – waar nodig – diagnostiek en preventieve activiteiten omvatten.

 

Een PMO is maatwerk. Er valt geen recept voor een standaard-PMO te geven. De vorm en inhoud van het PMO worden bepaald door de kerndoelen, de specifieke bedrijfssituatie, en de doelen die het bedrijf zelf formuleert. In principe kan men op brancheniveau een PMO beschrijven voor bepaalde veelvoorkomende functies, zoals ziekenhuisverpleegkundige of vrachtwagenchauffeur. Die beschrijving kan echter niet volledig zijn, in verband met de bedrijfsspecifieke omstandigheden en eigen doelstellingen van een bedrijf. Omdat deze van invloed zijn op de functiekenmerken en de belasting in het werk, kunnen ze consequenties hebben voor het PMO.

 

De gekozen onderzoeksmethoden en interventies moeten gebaseerd zijn op de kerndoelen. Daarmee wordt het mogelijk om de effectiviteit van een PMO te bepalen, omdat men bij de evaluatie kan nagaan in hoeverre de kerndoelen zijn bereikt.

 

Hoe komt een PMO tot stand? De bedrijfsarts adviseert allereerst de projectgroep over de inhoud van het PMO. Voor zijn advies maakt de bedrijfsarts gebruik van:

 

– kerndoelen voor PMO;

 

– de bedrijfseigen doelstellingen;

 

– informatie over algemene gezondheidsrisico’s in het bedrijf;

 

– een recente risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E);

 

– informatie vanuit de sociaal-medische begeleiding van werknemers van het bedrijf;

 

– informatie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, bijvoorbeeld registratierichtlijnen en adviezen ten aanzien van gezondheidsbewaking bij de preventie van beroepsziekten;

 

– richtlijnen van de NVAB en van andere organisaties: NHG-Standaarden, richtlijnen van het CBO en richtlijnen van de Nederlandse Hartstichting;

 

– wettelijke eisen ten aanzien van arbeidsgezondheidskundig onderzoek;

 

– voor het bedrijf relevante wettelijke eisen ten aanzien van het geschiktheidsonderzoek voor specifieke functies.

 

Tevens adviseert de bedrijfsarts over de wenselijkheid van inzet van een aantal PMO-onderdelen. Dat betreft vooral:

 

screening: de bedrijfsarts gaat na of er een indicatie is voor een screenende vragenlijst of een screeningtest. Zo ja, dan kijkt hij of er een vragenlijst of test voorhanden is die aan de criteria voor screening voldoet, zoals uitgewerkt in de Leidraad PMO; en

 

onderzoek naar de functionele geschiktheid: de bedrijfsarts gaat na of er in het bedrijf sprake is van functies waarvoor een medisch onderzoek wettelijk verplicht is. Zo ja, dan zoekt hij uit welke specifieke functie-eisen er voor deze functies zijn en welke aspecten van de belastbaarheid aan de orde moeten komen.

 

Vervolgens verwerkt de projectgroep de adviezen van de bedrijfsarts. Dan legt zij haar voorstel voor aan het management en de werknemersvertegenwoordiging. Het management kan wijzigingen aanbrengen in de inhoud. De reden hiervan wordt schriftelijk vastgelegd ten behoeve van de evaluatie. Ten slotte stelt het management de inhoud van het PMO vast.

 

De Leidraad PMO is een procesbeschrijving. Per fase wordt geschetst hoe een preventief medisch onderzoek wordt gerealiseerd. De ene fase levert steeds de bouwstenen voor de volgende. Dit proces – zie het kader – is gebaseerd op consensus en praktijkervaring, en geldt als best practice zolang wetenschappelijk bewijs ontbreekt.

 

De procesbeschrijving is goed toepasbaar op middelgrote en grote organisaties (50+-bedrijven). Overigens zullen niet voor alle organisaties steeds alle activiteiten binnen de beschreven procesfasen van toepassing zijn. Kleine bedrijven kunnen veel baat hebben bij ondersteuning door brancheorganisaties, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de inhoud van het PMO, het te kiezen instrumentarium, en het doorlopen van de cyclus.

 

PMO wordt uitgevoerd door professionals. Deze kunnen verbonden zijn aan een externe arbodienst. De werkgever mag het PMO ook zelf regelen, door voldoende gekwalificeerde mensen aan te trekken. Bij de uitvoering speelt de bedrijfsarts een centrale rol. Maar ook de arboverpleegkundige, arbeids- en organisatiedeskundige, laborant/functieassistent en doktersassistent kunnen bij PMO een taak hebben. In de uitvoeringsfase is het van belang dat bedrijfsfunctionarissen en professionals goed samenwerken. Dit is vooral belangrijk op het gebied van de planning van de onderzoekstijden en van de terugkoppeling van individuele adviezen, evenals de rapportage aan het bedrijf als geheel.

 

Het is de bedoeling dat het PMO verder wordt ontwikkeld. Hierbij zijn verschillende partijen betrokken. Allereerst de NVAB, de wetenschappelijke beroepsvereniging van bedrijfsartsen. Die werkt aan nieuwe richtlijnen en leidraden voor het professioneel handelen, en houdt de bestaande richtlijnen en leidraden up-to-date. Daarnaast heeft de NVAB een reeks instrumenten gepubliceerd die de invoering van PMO in de dagelijkse praktijk vergemakkelijken, van een kennistoets tot casuistiek en flyers voor werkgevers en werknemers. Andere partijen zijn het Amsterdamse Coronel Instituut en het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten die samen bezig zijn met een wetenschappelijk beter onderbouwd PMO voor verschillende beroepsgroepen. Zij doen dit in het kader van de preventie van de meest voorkomende beroepsziekten. Ook brancheorganen spelen een rol bij de doorontwikkeling van het PMO. Zij kunnen bedrijven binnen de branche stimuleren en ondersteunen bij de uitvoering van het PMO. Tevens kunnen zij instrumenten (laten) ontwikkelen die voor PMO in de betreffende branche worden ingezet. SKB Vragenlijst Services (SVS) ten slotte is voortdurend actief bij de verdere verbetering van de verwerking van geaggregeerde PMO-gegevens tot nuttige informatie voor het bedrijf.

 

» Weel, A.N.H. Leidraad Preventief MedischOnderzoek voor werkenden, Kwaliteitsbureau NVAB, Utrecht 2005. De leidraad is te vinden op www.nvab-online.nl, klik op Richtlijnen en Leidraden.

 

» Werven-Bruijne, I. van en P. Heitling, ‘Arbodiensten dokteren aan PAGO’, Maandblad voor Arbeidsomstandigheden, 1997 nr. 5:232-235.

 

» Fortuin, R.J. en E.A. Goedhard, Leidraad PAGO, SKB, Amsterdam 1997.

 

» Weel, A.N.H. en J.C.M. Duijn, ‘Het kind en het badwater. PAGO in Nederland anno 2004’, Kwaliteitsbureau NVAB, Utrecht 2004.

 

» Zwart, B.C.H. de en A.N.H. Weel, C.W.G. Rayer, M.W. Heymans, C.T.J. Hulshof en J.A. Duvekot, Leidraad Aanstellingskeuringen. Handelen van de arbodienst en de keurend arts bij een aanstellingskeuring, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag 2005.

 

HET UITVOERINGSPROCES VAN PMO IN VIJF FASEN

 

Fase 1. Orientatie en besluitvorming

 

a. projectgroep opzetten en consulteren

 

b. doelen kiezen

 

c. budgettaire mogelijkheden vaststellen

 

d. beslissing nemen

 

Fase 2. Voorbereiding

 

e. taken verdelen

 

f. inhoud vaststellen

 

g. instanties en professionals contracteren

 

h. uitvoering plannen

 

Fase 3. Uitvoering: individugerichte activiteiten

 

i. screeningstest uitvoeren

 

j. signaleringsvragenlijst invullen

 

k. functionele geschiktheid onderzoeken

 

l. aanvullende diagnostiek uitvoeren

 

m. individugerichte interventies adviseren

 

Fase 4. Uitvoering: groepsgerichte activiteiten

 

n. groepsanalyse en groepsrapportage opstellen

 

o. groepsinterventies uitvoeren

 

Fase 5. Evaluatie en vervolgplanning

 

p. evalueren en vervolg plannen

 

 

Reageer op dit artikel