artikel

‘We doen geen uitspraken over het beleid’

Wetgeving

En ziehier de essentie van het werk van de AGS. De raad adviseert de regering gevraagd en ongevraagd over gevaarlijke stoffen en hun onhebbelijkheden die, als ze optreden, tot catastrofes kunnen leiden. Zonder zich overigens op het politieke domein te begeven. Kerstens: ‘Nee, wij doen geen uitspraken over het beleid. We reiken wel grondstoffen voor dat beleid aan. Je zou kunnen constateren dat de mens in een keten de zwakste schakel is. Dat zou kunnen betekenen dat je deregulering op een terrein afraadt. Bijvoorbeeld omdat de mens begrijpelijkerwijs geneigd is tot eigen initiatief, dat tot problemen kan leiden. Maar we zullen slechts adviseren. Nooit voorschrijven. Dat is onze taak niet.’

 

Kerstens heeft er zin in. Het enthousiasme straalt van hem af. Zoals zijn hele beroepscarriere zich leent voor een jongensboek van de Kijklezer. Kerstens studeerde af als werktuigbouwkundige, promoveerde in de technische mechanica en werkte zeven jaar als designmanager voor een telecommunicatiesatelliet bij Fokker Aerospace. ‘Ik voorzag problemen, een nogal visionaire gedachte, want een jaar nadat ik weg was ging het mis.’

 

De ‘probabilist’ was inmiddels aan de slag bij Shell als ontwerper van olieplatforms. ‘Nee, de Brent Spar heb ik niet ontworpen. (De Brent Spar zou worden afgezonken omdat dit volgens Shell minder schade aan het mi-lieu toebracht. Dit leidde tot heftige protesten en uiteindelijk demontage aan wal, red.). Shell is een bedrijf met weinig oog voor de omgeving. Ze zijn wel ongelooflijk integer. Ze zijn erg gefocust op de impact van hun werk op het milieu en de risico’s van gevaarlijke stoffen. Toen de Piper Alpha explodeerde (1988: 167 doden, red.), vroegen ze mij als projectmanager te onderzoeken hoe de platforms veiliger te krijgen.’

 

Kerstens maakte zijn werk niet af. Hij werd in 1989 door een headhunter benaderd voor de job van zijn leven. De technisch mechanicaspecialist werd gevraagd de stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg ‘te doen’. ‘Ik voelde me als een vis in het water. Dit werk lag echt op het snijvlak van theorie en praktijk. Dat moet ook, anders heeft de wetenschap geen nut. De faalkanseisen stonden in het design-construct contract. We kwamen tot de conclusie dat de mens in de keten voor overschrijding van die faalkanseisen zou zorgen. De mens is niet dusdanig te managen dat hij binnen het risicoprofiel valt. We hebben daarom besloten een manual override te maken en de beslissingen aan de IT over te laten. Als een stormvloed op komst is, kan het systeem prima bepalen dat de deuren dicht moeten. De mens zit in het secundaire traject. We hebben nu een hele lage faalkans bij de storm-vloedkering. Gelukkig zijn we nog steeds niet in staat om mensen te programmeren. Maar daarom heb je ook te maken met de risico’s van menselijk gedrag. Zo kan het feit dat iemand slecht heeft geslapen een risico zijn. Dat gevaar is nu uitgebannen.’

 

Die wijsheid brengt Kerstens ook in bij de adviesraad. ‘Je kunt als adviesraad prachtige richtlijnen maken, maar als mensen zich er niet aan houden, heb je er nog niets aan. We gaan dus niet alleen adviseren over goede richtlijnen, maar ook over opleiding en veiligheidsbewustzijn en veiligheidsmanagement. Je zult alles moeten doen om risico’s zo klein mogelijk te krijgen of te houden. Bij het inschatten van risico’s moet je kijken of de mens de verantwoordelijkheid aankan en of hij niet gaat knoeien door buiten zijn competentie te treden. In die zin kan het dus gebeuren dat we adviseren niet te dereguleren. Niet vanwege een politiek standpunt, maar puur vanuit een risicoanalyse. Vanzelfsprekend betrekken we ook het meest actuele onderzoek bij ons advieswerk. Doe je dat niet, dan droogt het aan de onderkant op.’

 

Kerstens werd in 1993 na zijn werk aan het zevende wereld-wonder, zoals hij de stormvloedkering noemt, hoogleraar technische mechanica aan de TU Eindhoven. ‘Ik vroeg me af of er nog leven is na de stormvloedkering en kon kiezen tussen Eindhoven en Delft. Het is uiteindelijk Eindhoven geworden.’ En nu dus voorzitter van de AGS. De hoogleraar en voorzitter formuleert behoedzaam. Hij wil zijn handen niet branden aan de politiek. ‘Wij houden ons bezig met de inhoud. We willen de laatste stand der techniek inbrengen. We lopen voorop in Nederland, maar het kan altijd beter. We streven naar een ‘Soll’-situatie. Dat betekent dat we naar een hoger niveau willen. Kijken of we onze veiligheid met hulp van de nieuwste ontwikkelingen op een nog hoger plan kunnen brengen. Wij houden het de politiek voor en die heeft de beslissing. Wij houden de politiek slechts de mogelijkheden voor en wat de consequenties zijn in de vorm van kosten en andere effecten als milieu en omgevingsbelasting. Welke afweging de politiek maakt, is niet onze zaak.’

 

Toch schrijft de adviesraad in zijn beleidsplan dat in toenemende mate het bedrijfsleven op accountability voor risicobeheer-sing wordt aangesproken en dat de raad dit ziet – samen met internalisering van kosten – als belangrijke ontwikkeling. Maar daar vangen we de voorzitter niet op. ‘Dat is toch een belangrijke ontwikkeling? Blijkbaar leest u dat we het een goede ontwikkeling vinden. Dat is niet zo. Wij signaleren slechts.’

 

De raad heeft onafhankelijkheid hoog in het vaandel. De overheid erkent het belang hiervan, zeker na eerdere ervaringen met raden die belangen hadden op ministeries omdat ambtenaren zitting hadden in adviesraden. De adviesraad vindt zijn legitimatie in de Wet adviesraad gevaarlijke stoffen van 30 januari 2003. Deze wet werd weer ingegeven door het advies van de Commissie onderzoek vuurwerkramp (Commissie Oosting) en het kabinetsstandpunt over de ramp. Om toch gebruik te kunnen maken van alle beschikbare kennis, en dus ook die van gemeenten en ambtenaren, maakt de raad gebruik van commissies en klankbordgroepen. ‘Daarin zitten mensen met afhankelijke kennis. Die willen we ook graag aan boord. Zonder dat ze overigens een stem hebben. Ze ondertekenen wel, net als de elf leden van de adviesraad en de medewerkers, een gedragscode, een verklaring van belangeloosheid. Je moet denken aan ambtenaren, maar ook vertegenwoordigers van bedrijven. Om alle kennis te mobiliseren wil ik ze er graag bij hebben. De commissie is onafhankelijk, maar maakt ook gebruik van de klankbordgroepen. Mocht bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van een fabrikant van persoonlijke beschermingsmiddelen een goed advies hebben over gezichtsmaskers, dan kan het zo zijn dat we bijvoorbeeld adviseren maskers met koolstoffilters voor te schrijven. Zonder naam van de fabri-kant en in volle overtuiging van belangeloosheid. We willen ook onze adviezen toetsen. Als er geen consensus is over beslissingen of als we niet alle beschikbare kennis hebben verzameld, zijn we niet goed bezig. Natuurlijk blijft er wel ruimte voor minderheidsstandpunten, maar het streven is eensgezindheid.’

 

De raad centraliseert de komende tijd rond een aantal thema’s zogenaamde werkgroepen. Voor de komende jaren zijn dat het beoordelen van CPR-richtlijnen (Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen). Deze commissie voldoet niet meer aan de eisen die het kabinet stelt, onder meer omdat er afhankelijke vertegenwoordigers, (bedrijfsleven, overheid) in zitten. Maar de CPR-richtlijnen worden nog volop gebruikt. De adviesraad gaat onderzoeken of de gedetailleerde middelvoorschriften van de CPR nog wel effectief zijn als het gaat om het vergroten van de veiligheid in het omgaan met gevaarlijke stoffen. Zeker nu de Arbowet sinds 1998 steeds meer uitgaat van doelvoorschriften. De richtlijnen ammoniak (CPR 13), chloor (CPR 10), LPG/Propaan (CPR-8 en CPR-11) en de in 1999 ingetrokken, maar inmiddels vanuit het werkveld gemiste richtlijn springstoffen (CPR-7) worden op hun merites beoordeeld. ‘En dat doen we onbevooroordeeld. Dat betekent dat we kijken of doelvoorschriften haalbaar zijn. Je moet kijken of de mens als zwakke schakel daarmee om kan gaan en of middelvoorschriften niet beter zijn. Maar we zullen dus nooit zeggen dat het kabinet voor middelvoorschriften dient te kiezen. We kunnen wel na het houden van diverse interviews en het inwinnen van kennis constateren dat er risico’s zitten aan doelvoorschriften. Het advies zou dan kunnen zijn dat deregulering niet verstandig is omdat mensen de verantwoordelijkheid niet kunnen dragen. Maar we zullen nooit zeggen: ‘Kabinet, ga alsjeblieft niet dereguleren’. Dat is onze taak niet. We houden ze wel voor wat de consequenties zijn van het kiezen voor hetzij doel, hetzij middelvoorschriften. Wij maken geen keuze.’

 

Dat het menselijk gedrag een niet te onderschatten factor is, bewijst het gebruik van LPG. Particulieren zijn de grootste afnemers van het gas. Als de AGS de richtlijn voor het gebruik van dit gas onder de loep neemt, zal het veiligheidsbewustzijn en het vergroten daarvan een prominente rol krijgen. ‘We brengen in kaart waar de meeste ongevallen plaatsvinden. In de productie, het transport of het gebruik. We weten dat particulieren het grootste deel van het LPG-budget opslokken. Met ‘Gij zult niet’ kom je er niet als je constateert dat gasflessen verkeerd gemonteerd worden. Je zult dan ook moeten werken aan het vergroten van veiligheidsbewustzijn in de opleidingen.’

 

Kerstens grijpt toch even terug op zijn probabilistische inborst. ‘We zullen als leden van de adviesraad dag in dag uit bezig zijn om te kijken waar mogelijke risico’s gereduceerd kunnen worden, waar kennis zit en waar kennis ingezet moet worden om daarvoor te zorgen. We bereiken nooit het einddoel, maar proberen het wel. Maar als wij als samenleving welvaart wensen, nemen we risico’s. Vrijwillig dan wel onvrijwillig. Veiligheidsbewustzijn is heel belangrijk. Die bevorder je in de opvoeding en op school. Het is niet alleen werktuigbouwkunde met mathematische statistiek en toxicologie.’

 

De verschillende werkgroepen van de raad worden voorgezeten door een lid van de adviesraad.

 

Deze wordt bijgestaan door een secretaris/projectleider. ‘We zijn absoluut geen vergaderraad. De leden hebben allemaal een baan.

 

Dus we zullen slagvaardig en effectief zijn. Wat als de politiek onze adviezen frequent naast zich neerlegt? Nou, we worden natuurlijk niet alleen door het kabinet serieus genomen, maar ook door het parlement. Mochten we desondanks vaak nul op het rekest krijgen, dan kijken we eerst naar de kwaliteit van onze adviezen. Is die goed, dan heeft dat wel consequenties voor onze raison d’etre.’

 

Reageer op dit artikel