artikel

Zorgplicht in de kou

Wetgeving

Een werkneemster werkt sinds 1991 als productiemedewerker bij een vleesverwerker op de afdeling snijden en verpakken. Zij plaatst hammen en worsten in een snijmachine, legt de gesneden producten in bakjes en weegt ze. Zij werkt aan een lopende band bij een temperatuur van 10 °C. Het is werk met een kortcyclisch karakter, vrij hoge werkdruk en korte pauzes. Midden 2001 krijgt zij last van haar polsen; na twee operaties volgt de diagnose RSI. Zij raakt geheel arbeidsongeschikt. In 2003 wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden met toekenning van een vergoeding van € 35.000. Zij vordert van haar werkgever schadevergoeding. De kantonrechter kent de vordering toe en de werkgever gaat in beroep.

 

De werkgever heeft het causaal verband tussen de rsi en het werk bestreden. Maar het hof is van oordeel dat dit oorzakelijk verband afdoende blijkt uit de verklaring van onder meer de bedrijfsarts. Rsi-klachten kunnen mede veroorzaakt worden door prive-activiteiten of anatomische factoren, maar de werkgever heeft onvoldoende aangevoerd om te bewijzen dat dit hier ook een rol heeft gespeeld. Dat de werkneemster vaak ziek thuis was, maakt dit niet anders. De werkgever vindt dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan. In april 1999 heeft elke werknemer een werkinstructie gekregen die ondertekend moest worden. Maar de Werkneemster was toen afwezig en het staat niet vast dat zij de instructie later wel heeft gekregen. Daarmee staat dus niet vast dat de werkneemster doeltreffend is geinstrueerd, zoals artikel 8 arbowet vereist. Het hof merkt nog op dat de instructie destijds ook niet tijdig is gegeven. De werkneemster werkte toen al acht jaar bij het bedrijf en de werkgever had sinds de jaren ’80 op de hoogte horen te zijn van de risico’s van rsi. Structureel toezicht op de naleving van de instructies is onvoldoende aangetoond. Het hof vindt verder dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met artikel 3, lid 1 onder d, arbowet: gedurende 1 uur en 45 minuten werd ononderbroken hetzelfde monotone en tempogebonden werk gedaan zonder pauze of taakroulatie.

 

Het hof meent verder dat het best zo kan zijn dat werknemers hun kortcyclische, staande taak als ‘normaal’ zien. Daardoor zullen zij minder snel over hun arbeidsomstandigheden klagen. Werkgevers moeten hiermee rekening houden en zo nodig de werknemers (blijven) wijzen op de risico’s. Bovendien is het de eigen verplichting van de werkgever om zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van de medewerkers en om een zo goed mogelijk arbobeleid te voeren. Zeker als de fysieke belasting leidt tot klachten en soms zelfs tot ziekteverzuim, mag van de werkgever verwacht worden dat hij maatregelen neemt om die te voorkomen dan wel te verminderen. Uit de afdelings-ri&e van 1999 bleek dat gestructureerde aandacht voor arbozaken ontbrak, de voorlichting onvoldoende was, er sprake was van een hoog werktempo en een slechte werkhouding en het klimaat aanleiding kon geven tot klachten. Maar een Plan van aanpak om de gesignaleerde knelpunten op te lossen of te verminderen bleef uit. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 5 arbowet.

 

Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de werkgever op ten minste vier essentiele onderdelen tekort is geschoten in zijn zorgverplichting. Het hoger beroep wordt verworpen.

 

De werkgever slaagt er niet in voldoende aannemelijk te maken dat hij zijn zorgverplichtingen (op grond van art. 7:658 lid 1 bw) met betrekking tot beperking van de risico’s van rsi, deugdelijk en tijdig is nagekomen. Daarbij spelen de bepalingen uit de arbowet een hoofdrol. In dit geval voorlichting en onderricht, toezicht, organisatie van de arbeid en de ri&e (en niet te vergeten: het plan van aanpak!). Te meer een reden voor de deskundigen om de werkgever daarop te wijzen.

 

Gerechtshof Arnhem, 8 april 2009, LJN BF5931

 

Reageer op dit artikel