artikel

Door de zoldervloer gevallen

Wetgeving

Op een keer vraagt de client om de zolder te stofzuigen en spinrag te verwijderen. De zolder is 1.90 meter breed en kan alleen in het midden op een strook van ongeveer 60 cm breed belopen worden. Aan de kopse kant is de vloer over een strook van ongeveer 90 cm dicht gelegd met hardboardplaten ondersteund door schrootjes. Dit gedeelte is niet sterk genoeg om op te staan of te lopen. De vrouw gaat op het wel beloopbare deel zitten en reikt met de stofzuigerslang naar de hoek van het onbeloopbare deel. Om daar goed bij te kunnen, steunt zij op het niet-draagkrachtige deel waardoor zij door het hardboard ruim 5 meter naar beneden valt. Zij loopt ernstig en blijvend letsel op.

 

De Arbeidsinspectie legt een boete op van 6750 euro wegens overtreding van art. 3.2, eerste lid Arbobesluit. Dat artikel geeft kortweg aan dat arbeidsplaatsen veilig moeten zijn en dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk moet worden voorkomen.

 

De werkgever maakt bezwaar. De zolder was geen arbeidsplaats en er is tevoren een check op de veiligheid gedaan. De minister van SZW verklaart het bezwaar ongegrond. Op grond van art. 1 Arbowet is een arbeidsplaats iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt. Stofzuigen behoort tot de standaardwerkzaamheden van een thuiszorgster.

 

Het schoonmaken van een zolder valt onder de ‘extra’ werkzaamheden die niet van tevoren zijn bepaald, maar door de client mogen worden gevraagd. De zolder is dus een arbeidsplaats in de zin van de wet. Een groot deel van de vloer was niet beloopbaar. De zolder kon dus niet veilig worden betreden, waarmee overtreding van art. 3.2 Arbobesluit vaststaat.

 

De werkvoorbereider heeft een arbochecklist nagelopen en geconcludeerd dat er veilig kon worden gewerkt. Maar de checklist was beperkt tot de gangbare ruimtes als woonkamer, slaapkamer en badkamer. De zolder is niet gecontroleerd op veiligheid en toegankelijkheid. Voor de extra werkzaamheden heeft geen inventarisatie en evaluatie van de risico’s plaatsgevonden. Daarom heeft de werkgever niet voldaan aan de eerste matigingsgrond van Beleidsregel 33, vierde lid onder b. Er is dan ook geen reden om het boetebedrag te matigen.

 

Reageer op dit artikel