artikel

Productieproces moet anders

Wetgeving

Omdat daar een machine staat die als ontstekingsbron kan fungeren, is er volgens de Arbeidsinspectie gevaar voor een explosie. De werkzaamheden worden stilgelegd en het bedrijf wordt opgedragen de houtmot te verwijderen. Dit wordt begin juni 2009 schriftelijk bevestigd met de aankondiging dat als men weer op dezelfde manier gaat werken als voor de stofexplosie, het werk opnieuw kan worden stilgelegd.

 

Bezwaar wordt ongegrond verklaard, maar de rechtbank verklaart in maart 2011 het beroep van het bedrijf gegrond. Tenminste, voor zover gericht tegen dat deel van het besluit waarbij het productieproces zal worden stilgelegd, als dit wordt hervat op dezelfde wijze als voor de stofexplosie. Tegen deze uitspraak tekent de staatssecretaris hoger beroep aan. Volgens hem ging het om een informatieve mededeling en dat is geen besluit waartegen een juridische procedure kan worden gestart.

 

De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt als volgt. Op grond van art. 28 Arbowet kan de inspectie mondeling of schriftelijk bevelen dat het werk wordt gestaakt als die werkzaamheden naar haar redelijk oordeel ernstig gevaar opleveren voor personen. In het schriftelijke besluit van juni 2009 stond welke maatregelen moesten worden genomen.

Ook stond in de brief: ‘Buiten deze preventieve stillegging dient u zich te realiseren dat wanneer u het productieproces op dezelfde wijze wilt uitvoeren als voor de stofexplosie (waarmee bedoeld werd de aanvoer van houtmot in de bunker, waarmee het productieproces wordt begonnen), dit door de Arbeidsinspectie zal worden stilgelegd. Met als reden: te veel houtmot opgeslagen in een gesloten ruimte en werken met een directe ontstekingsbron (een zgn. verreiker), waardoor er nog steeds een zeer ernstig risico aanwezig was op een (nieuwe) stofexplosie.’

 

Het beroep van de werkgever was niet zozeer gericht tegen de stillegging als wel tegen deze mededeling in de brief. Volgens zowel de rechtbank als de Afdeling is deze mededeling een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom had de staatssecretaris inhoudelijk in moeten gaan op de bezwaren van de werkgever. De staatssecretaris voert aan dat uit de zinsneden ‘dient u zich te realiseren’ en ‘zal worden stilgelegd’ volgt dat voor het rechtsgevolg (de stillegging) nog een besluit genomen moet worden. Of dat besluit genomen wordt, is afhankelijk van een toekomstige mogelijke situatie, namelijk indien zich ernstig gevaar voordoet.

Maar de Afdeling vindt dat de mededeling wel degelijk publiekrechtelijke rechtsgevolgen heeft. Het bedrijf krijgt het bevel om niet te beginnen met de werkzaamheden zoals die werden uitgevoerd voordat de stofexplosie plaatsvond (art. 28, eerste lid Arbowet). Daar komt bij dat de Arbeidsinspectie op 24 oktober 2008 mondeling heeft bevestigd dat het productieproces niet mocht worden hervat op dezelfde wijze als voor de stofexplosie. Dat is niet anders dan een preventieve stillegging.

 

Tegen die beslissing mag en moet een bedrijf bezwaar kunnen maken. De staatssecretaris moet daarom binnen tien weken een nieuw besluit nemen op het bezwaar van de werkgever. Daarbij moet de staatssecretaris mede de stelling van het bedrijf betrekken dat andere bedrijven in Nederland die met houtmot werken en ook door de Arbeidsinspectie zijn gecontroleerd, het productieproces niet hoeven aan te passen, terwijl daar op dezelfde wijze wordt geproduceerd.

 

 

Wilt u meer jurisprudentie? Lees Vakblad Arbo>>

Reageer op dit artikel