Jan Dul: “Is de crisis wel groot genoeg?”

We zitten met corona in een critical event. Nemen de arboprofessionals de juiste afslag of blijven ze steken in de status quo? De toekomstvisie van hoogleraar Jan Dul.
Delen:

Jan Dul is van beroep hoogleraar technology en human factors en dus niet ergonomie. Een interview via Teams zoals nu, was twee jaar geleden nog ondenkbaar. Verandering door nood ingegeven gaat snel. Of zijn vakgebied ook snel gaat? Helaas, Jan Dul ziet het nog te weinig. Arboprofessionals zijn vooral reactief. Terwijl ze eigenlijk aan de basis van de veranderingen moeten staan die nu in het bedrijfsleven door corona versneld worden.

“In de kennis- en dienstverleningsindustrie vindt nu pas een revolutie plaats. Je ziet vaak dat veranderingen plaatsvinden uit noodzaak. Dat zie je hier ook. In de maakindustrie is al langere tijd en voortdurend verandering gaande. Als daar iets efficiënter kan, dan gebeurt dat ook. In de kennis- en dienstenindustrie moest eerst deze crisis plaatsvinden om nieuwe technologie te implementeren alsook de bijbehorende nieuwe manieren van werken en organiseren.”

De arbodeskundige hobbelt achteraan

Privé en werk integreren. Maar arbodeskundigen bewegen nog niet mee

De arbodeskundige hobbelt daar nog eens achteraan, meent de hoogleraar aan de Erasmusuniversiteit en docent van de Collegereeks Bedrijfskunde voor arboprofessionals. “Die status quo van flink wat jaren is weg. De arbeidsomstandigheden wijzigen. Mensen uit de dienstverlening- en kennisindustrie werken deels op kantoor, deels elders. Dat blijft. Werkverbanden veranderen snel. Twee jaar geleden mocht je echt niet tijdens werk boodschappen voor thuis doen. Nu is het doodnormaal. Privé en werk integreren. Maar arbodeskundigen bewegen nog niet mee. Nog veel te veel wordt louter naar de werkplek gekeken. Die is verplaatst naar thuis en dus kijken professionals of die plek daar in orde is.”

Breng in kaart waar mensen werken

Terwijl er een aardverschuiving plaatsvindt. Mensen werken nu overal. Thuis is het vaak te druk met jonge kinderen, op kantoor werken mag niet of komt niet uit. Dus er zijn nieuwe plekken en ook nieuwe partners. Wie werk ondersteunt, zorgt voor kinderopvang en boodschappendiensten en creëert parkeerplaatsen voor personeel. Alleen het advies dat er een stabureau moet komen als alternatief voor de keukentafel voldoet niet meer. “De arboanalyse moet breder. Kijk naar patronen. Dat kun je als zelfstandige adviseur doen, maar ook natuurlijk als interne arboadviseur. Waar werken mensen? Thuis, op kantoor, wandelend, in cafés? Breng dat in kaart en zeg de werkgever wat nodig is om het beste uit mensen te halen. De verantwoordelijkheid ligt veel meer bij het individu. Ondersteun daarin.”

Te laat betrokken bij vernieuwingen

Arbodeskundigen worden te laat betrokken bij vernieuwingen

Dan kan het dus zo zijn dat de gemeente die zich profileert als dé plek om te werken of hotelketen Van der Valk die zijn lobby werkvriendelijk maakt, ook gesprekspartner wordt. “Onze sector moet zich eerder mengen in dit proces. Dat geldt trouwens ook voor de maakindustrie. Nu worden we te laat betrokken bij vernieuwingen. Komt ook omdat arbomensen te veel geassocieerd worden met veiligheid, gezondheid en welbevinden.

De mechanisatie, automatisering en digitalisering in de industrie is vooral gericht op prestatieverhoging. Men kijkt eerst wat een machine kan en wat er dan overblijft is voor de mens. En dat mag de arbodeskundige dan repareren. Dat kan anders. Kijk in een vroeg stadium vooral naar het bredere systeem van machine, mens en organisatie en laat mensen alleen zinnig werk doen waar ze goed in zijn. En kijk in de kennis- en dienstenindustrie naar de beste omstandigheden voor werknemers om optimaal te functioneren.”

Meegaan met andere prestatie-indicatoren

Dat zit hem dan vooral in creativiteit en ideeënrijkdom, zo betoogt Jan Dul. Prestatie-indicatoren veranderen. En dus moet je als professional ook mee. “Bijvoorbeeld in functioneringsgesprekken. Wat heeft iemand nodig om creatieve oplossingen te bedenken? Leidinggevenden moeten daarin ook veranderen. Stel als eis dat iemand bijvoorbeeld met minstens drie bruikbare ideeën komt. Waar dat gebeurt en wanneer is minder van belang.”

Arbo gekaapt door de Arbowet

Grootste winst is voor de arbosector wel te halen in een herpositionering. ‘De arbo’ is gekaapt door de Arbowet, concludeert Jan Dul. “Mag niet van de arbo, je kent het wel. Maar arbo is een afkorting van arbeidsomstandigheden. Omstandigheden waarin je het beste functioneert. Veilig en gezond is daar een onderdeel van en we weten dat dan de prestatie ook omhoog gaat. Maar de werkgever associeert het vooral met kosten.

Veel prestatieverhogende investeringen zijn ook goed voor de veiligheid en de gezondheid

We hebben drie jaar lang onderzoek gedaan in de metaalindustrie. Honderd bedrijven volgden we. Wat bleek: 82 procent van alle verbeteringen in het productieproces waren prestatiegericht. 14 procent gericht op verhoging van het welbevinden en gezondheid. Gemiddelde kosten 140.000 euro per verbetering voor de prestaties, 4000 euro voor de verbetering van de gezondheid. Wil je tien procent van de eerste of van de tweede? Er is inmiddels meer literatuur die bewijst dat veel prestatieverhogende investeringen ook goed zijn voor de veiligheid en de gezondheid. Verkoop het dan ook als prestatieverhogend. En dan daarbij ‘oh ja, het is ook goed voor het welbevinden.”

Marginaliseert de arbosector?

We moeten herpositioneren door ons als een onmisbare partner te profileren

Gebeurt dat niet, dan marginaliseert de arbosector nog verder, aldus de van oorsprong ergonoom. De laatste tien jaar is dit al ingezet en als we zo doorgaan, blijft er niets meer over. “Dan wordt arbo er bijgedaan door bijvoorbeeld een leanmanager. We staan nu op een punt dat we op tijd kunnen inspringen op ontwikkelingen en weer onmisbaar kunnen worden door terug te gaan naar de oorspronkelijke betekenis. De sector is lui geweest omdat werkgevers wettelijk verplicht waren arboprofessionals in te huren. Als we nu niet inspringen, is het te laat. We moeten herpositioneren door ons als een onmisbare partner te profileren met kennis van zaken over hoe mensen het beste kunnen presteren en dat zonder ziek te worden.”

Andere naam zoeken

Daar kan ook de terminologie een rol bij spelen. In zijn vakgebied is dat al gebeurd. Zeker in een land als Amerika waar iedereen het over human system integration heeft. “Ergonomie associëren ze daar vooral met spieren en skeletten en meubels die comfortabel zijn. Het woord arbo is ook niet goed, ik weet niet zo gauw een oplossing, maar we zouden het anders moeten noemen.”

De vlag dekt straks als het goed is de lading helemaal niet meer, zo hoopt Jan Dul. “Focus op prestatieverhogende omstandigheden en laat zien dat gezondheid en veiligheid een mooie bijvangst kan zijn. Kan, want dat is natuurlijk niet standaard zo. Ik zie al goede zaken. Steeds meer bedrijfskundige termen komen ook in de arbovocabulaire voor. Daarmee overtuig je, zeker als je levert wat je belooft.”

Er moeten visionairs komen

De urgentie om te veranderen is er, maar graag nu ook nog binnen de arbosector. “We zitten in een critical event. Maar ik weet niet of de crisis groot genoeg is. Ik hoop echt op visionairs binnen verenigingen, vakbladen of individuen. Er zou eigenlijk een arbocomité moeten komen die een plan voor de komende jaren maakt om het beroep van arbodeskundige op een hoger plan te tillen. Maar dan geen arbo-meerjarenplan van de overheid met daarin hoe de inspectie te werk gaat, maar een plan hoe deze sector te herdefiniëren en relevant te maken.”

Tekst | Ton Bennink

Jan Dul verzorgt een onderdeel van de Collegereeks Bedrijfskunde voor arboprofessionals van Arbo en Nyenrode Business Universiteit.

Tip: volg de serie Kopstukken over Arbo