artikel

Bewegingsactiviteiten in bedrijven nemen niet toe

Geen categorie

In februari en maart 2004 hield TNO een telefonische enquete onder 1102 vestigingen van bedrijven en instellingen in Nederland. Hierin werd ingegaan op bekendheid met gezondheidsbevordering op de werkplek (GBW) en het bestaan van beleid gericht op bewegingsstimulering enerzijds en algemene bewegingsstimuleringsactiviteiten op de werkplek anderzijds. Het onderzoek werd uitgevoerd onder een aselecte, naar bedrijfsgrootte en branche gestratificeerde steekproef van werkgevers. In tegenstelling tot eerder onderzoek (Hildebrandt, 1997) werden ook vestigingen met minder dan vijftig werknemers in het onderzoek betrokken.

 

Een ruime meerderheid (75%) van de werkgevers vindt bewegingsstimulering van belang voor zowel de medewerkers als de organisatie. Bijna een kwart van de werkgevers denkt bovendien dat in het kader van gezondheidsbevordering de meeste behoefte bestaat aan bewegingsstimulering. Daarmee geven ze beweging een veel grotere prioriteit dan de aanpak van stress, RSI en roken. Bij 29 procent van de bedrijven met een GBW-beleid is dit beleid dan ook (deels) gericht op beweging. Dit is vooral het geval in de gezondheidszorg, de zakelijke dienstverlening en de overheid. De transportsector, het onderwijs en de vrije beroepsbeoefenaren blijven hierin achter (tabel 1). In de profit-sector (30%) is GBW-beleid op het gebied van bewegen gebruikelijker dan in de non-profitsector (20%).

 

In nog eens 25 procent van de bedrijven waar op dit moment GBW-beleid ontwikkeld wordt of waar concrete plannen bestaan voor de ontwikkeling van GBW-beleid, richt dit beleid zich op beweging. Het onderwijs, de gezondheidszorg en de horeca zijn wat dit betreft koplopers.

 

Het organiseren van bewegingsstimulering is volgens werkgevers vooral een taak voor het management of de directie (40%), gevolgd door personeelszaken (18%), de personeelsvereniging en de arbodienst of de arbocoordinator (alle drie 9%). In bedrijven met minder dan vijftig werknemers blijkt het management of de directie de hoofdverantwoordelijke, terwijl in bedrijven met meer dan honderd werknemers bewegingsstimulering vooral als een taak van personeelszaken wordt gezien. Bij grote bedrijven speelt de personeelsvereniging minder vaak een rol bij bewegingsstimulering.

 

Ook in bedrijven waar geen specifiek beleid op het gebied van bewegen is, vinden activiteiten op het gebied van bewegingsstimulering plaats. Vooral grote bedrijven kennen activiteiten op dit gebied. Ruim driekwart (77%) van de bedrijven met meer dan honderd werknemers is actief, tegen slechts twintig procent van de bedrijven met een tot vier werknemers.

 

TABEL 2. PERCENTAGE BEDRIJVEN EN INSTELLINGEN MET PLANNEN OM BEWEGEN TE STIMULEREN, UITGESPLITST NAAR HUIDIGE ACTIVITEITEN EN BRANCHE.

 

Branches

 

plannen bij organisaties die nog niets doen (%)

 

plannen voor uitbreiding bij organisaties die al iets doen (%)

 

Gezondheidszorg

 

2

 

19

 

Zakelijke dienstverlening

 

6

 

1

 

Overheid

 

6

 

27

 

Groothandel

 

7

 

20

 

Bouw

 

3

 

3

 

Detailhandel

 

1

 

26

 

Horeca

 

4

 

1

 

Verenigingen en stichtingen

 

1

 

19

 

Industrie

 

2

 

22

 

Vrije beroepsbeoefenaren

 

1

 

26

 

Transport

 

5

 

14

 

Onderwijs

 

0

 

7

 

TOTAAL

 

3

 

14

 

 

Tabel 2 geeft per branche weer welk percentage van de bedrijven en instellingen zonder huidige activiteiten op het gebied van bewegingsstimulering (waarschijnlijk) van plan is de komende twaalf maanden wel activiteiten op het gebied van bewegingsstimulering aan te bieden. Tevens wordt voor de organisaties waarin op dit moment wel activiteiten op het gebied van bewegingsstimulering plaatsvinden, weergegeven welk percentage (waarschijnlijk) van plan is om deze activiteiten uit te breiden.

 

TABEL 3. BELANGRIJKSTE ARGUMENTEN VOOR EN TEGEN BEWEGINGSSTIMULERING OP DE WERKPLEK, UITGESPLITST NAAR BEDRIJFS- EN INSTELLINGSGROOTTE

 

1-50 werk- nemers (%)

 

51-100 werk- nemers (%)

 

>100 werk- nemers (%)

 

Argumenten voor

 

Verbetering gezondheid en fitheid werknemers

 

31

 

34

 

33

 

Verbetering werksfeer

 

13

 

8

 

2

 

Terugdringing ziekteverzuim

 

11

 

29

 

44

 

Verhoging motivatie werknemers

 

10

 

9

 

6

 

Betere communicatie tussen werknemers/afdelingen

 

8

 

5

 

3

 

Argumenten tegen

 

Beperkt aantal werknemers

 

44

 

0

 

2

 

Voldoende bewegen is de verantwoordelijkheid van de werknemer

 

23

 

27

 

26

 

Het werk houdt al veel beweging in

 

14

 

15

 

11

 

Er is nog niet over nagedacht

 

10

 

16

 

22

 

 

Slechts drie procent van de bedrijven en instellingen waar momenteel geen enkele activiteit op het gebied van bewegingsstimulering plaatsvindt, is van plan om in de komende twaalf maanden wel hier iets aan te gaan doen. Organisaties met vijftig tot honderd werknemers (11%) en met meer dan honderd werknemers (10%) hebben het vaakst plannen. Veertien procent van de werkgevers die reeds beweegactiviteiten aanbieden, zegt van plan te zijn om deze activiteiten de komende twaalf maanden uit te breiden.Deze plannen voor uitbreiding zijn het sterkst aanwezig bij de overheid,de detailhandel en de vrije beroepsbeoefenaren.

 

Het belangrijkste argument om aan bewegingsstimulering te doen,blijkt het verbeteren van de gezondheid en fitheid van de werknemers (zie tabel 3).Grotere bedrijven en instellingen leggen meer nadruk op het terugdringen van ziekteverzuim,terwijl bij kleinere organisaties het verbeteren van de werksfeer een belangrijk argument is. Tussen branches bestaan grote verschillen in de argumenten om beweging te stimuleren.Zo noemt 51 procent van de respondenten uit de bouw het terugdringen van het ziekteverzuim een reden, terwijl slechts 2 procent van de werkgevers uit de transportsector met dit argument komt.Saillant detail daarbij is overigens dat het verzuim in de transportsector al sinds 1995 hoger is dan in de bouw. Het is niet verrassend dat het beperkte aantal medewerkers voor veel kleine bedrijven de belangrijkste reden is om niet aan bewegingsstimulering te doen (tabel 3).Slechts een beperkt deel van de werkgevers (23-27%)vindt dat voldoende bewegen de verantwoordelijkheid van de werknemer zelf is en stimuleert daarom beweging binnen de organisatie niet.Eerder bleek bovendien dat slechts een beperkt percentage werkgevers sporten ontmoedigt vanwege het vermeende verzuimrisico ten gevolge van sportblessures (Urlings &Hildebrandt, 1998).De argumenten voor en tegen bewegingsstimulering op de werkplek verschillen niet tussen werkgevers die niets doen en ook niet van plan zijn op korte termijn iets te gaan doen en de andere werkgevers. In zowel grote als kleine bedrijven en instellingen worden het aanpassen van de werkomgeving (zoals het bevorderen van het gebruik van de trap in plaats van de lift),het organiseren van sportieve evenementen en de actie fietsen naar het werk vaak aangeboden als activiteit op het gebied van bewegingsstimulering (tabel 4).Vooral bij de overheid en in de gezondheidszorg wordt een breed spectrum aan bewegingsmogelijkheden aangeboden.

 

De meeste werkgevers blijken het belang van voldoende bewegen te onderkennen,niet alleen voor hun werknemers,maar ook voor de organisatie.

 

TABEL 4. BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN OP HET GEBIED VAN BEWEGINGSSTIMULERING, UITGESPLITST NAAR BEDRIJFSEN INSTELLINGSGROOTTE

 

1-50 werk- nemers (%)

 

51-100 werk- nemers (%)

 

>100 werk_nemers (%)

 

Activiteiten

 

Aanpassingen werkomgeving (stimuleren trapgebruik, lopen naar printer, enz.)

 

10

 

21

 

22

 

Regelmatige sportieve evenementen zoals een sportdag, sporttoernooi of fietstocht

 

7

 

39

 

9

 

Actie ‘fietsen naar het werk’

 

4

 

22

 

29

 

Korting op lidmaatschap sportschool of sportvereniging

 

3

 

15

 

26

 

Bedrijfsfitness

 

2

 

14

 

28

 

Fitheidstest met individueel beweegadvies

 

3

 

7

 

14

 

Faciliteiten op het bedrijf (tafeltennistafel, voetbalveldje)

 

3

 

9

 

15

 

Wekelijks sporten in bedrijfsverband

 

2

 

6

 

14

 

Actie ‘lunchwandelen’

 

2

 

4

 

7

 

Stimuleren van fietsen naar het werk

 

1

 

3

 

3

 

Het werk zelf houdt veel beweging in

 

2

 

4

 

2

 

RSI-beleid

 

0

 

1

 

3

 

Massage/yoga

 

0

 

1

 

2

 

Anders

 

2

 

1

 

3

 

 

Het is dus niet zo dat werkgevers bewegen zuiver als een prive-aangelegenheid van de individuele werknemer beschouwen.Des te opmerkelijker is dat het percentage bedrijven dat bewegen actief stimuleert,beperkt is en ook in de nabije toekomst niet lijkt te gaan groeien.Slechts drie procent van de bedrijven waar op dit moment geen bewegingsactiviteiten plaatsvinden,is van plan om in de komende twaalf maanden wel iets te gaan doen op dat gebied.Wellicht kan de grote bewegingsstimuleringscampagne van het ministerie van VWS, FLASH!,die zich de komende maanden ook op bedrijven richt, werkgevers motiveren wel activiteiten te gaan ondernemen. Het werk is immers een ideale setting om grote groepen Nederlanders te bereiken en tevens de omgeving waar de meeste Nederlanders een groot deel van de dag vertoeven. Het bereik van bewegingsstimuleringsprogramma’s zal in die omgeving dan ook relatief groot zijn.

 

Reageer op dit artikel