artikel

De oogst van één jaar ARBO

Geen categorie

Engelen is blij met het SERcompromis dat in de maak lijkt en dat bedrijven met toestemming van de werknemersvertegenwoordiging de mogelijkheid geeft elders arbodienstverlening in te kopen. ‘Het is een stap in de goede richting. Het heeft mijn voorkeur boven de splitsingsnota van staatssecretaris Rutte.

 

Hij wil curatie en preventie uit elkaar halen. Wij zijn daar als A&O’ers niet voor. We hebben wel advies uitgebracht aan de commissie die dit splitsingsvoorstel voorbereidde. Als het dan per se moet doe het dan maar, hebben we gezegd. Wij horen als A&O’ers in beide certificaten thuis en kunnen zo de koppeling tussen curatie en preventie wel aanbrengen.’ Engelen brak in zijn artikel een lans voor de no cure, no profit gedachte. De arbodienst moet zichzelf bewijzen. Hij lijkt met het dalend verzuim op zijn wenken bediend. ‘Nee, dat denk ik niet. De financiele prikkels die nu bij de werkgevers liggen, zijn het meest verantwoordelijk voor de dalende cijfers. Op enige afstand gevolgd door de gevolgen van de Wet verbetering poortwachter.

 

Ook de recessie helpt nog een handje mee. Van de arbodiensten verwacht het bedrijfsleven nog steeds niet veel. Resultaatgerichtheid en het committeren aan dat resultaat door arbodiensten is nog steeds ver te zoeken. Ze moeten de telefoon snel aannemen en zorgen voor zieke werknemers.

 

Die regulering wordt verwacht van de arbodiensten. Dat de arbodiensten ook resultaat kunnen bieden in de preventie in verzuimbeheersing is nog steeds niet duidelijk.’

 

In ARBO nummer 3 van het afgelopen jaar mocht Monique Frings-Dresen, hoogleraar arbeidsgezondheidskunde aan het AMC, in een interview haar boosheid op voormalig staatssecretaris Hans Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid spuien. Ze voelde zich als voorzitter van de commissie RSI van de Gezondheidsraad gebruikt. Hoogervorst concludeerde uit een rapport van de commissie, volgens haar onterecht, dat driekwart van de RSI-gevallen niet objectief aantoonbaar is. De bewindsman stopte een voorlichtingscampagne. Driekwart jaar later is het er allemaal niet beter op geworden in de strijd tegen de werkgerelateerde bewegingsaandoening. ‘Nee, door verschuiving van de financiele prikkels naar de bedrijven, kiezen slechts de grote bedrijven nog voor een multidisciplinaire aanpak van RSI. De kleinere proberen het toch via bijvoorbeeld de fysiotherapeut aan te pakken. Veel bedrijven betalen liever twee jaar ziektekosten door dan dat ze investeren in de gezondheid van hun werknemers. En uiteindelijk gaat, ook als je niets doet, elke klacht aan het bewegingsapparaat wel weer over. Het tempo van genezing verschilt wel.’

 

De politiek koos in tijden van voorspoed voor een grondige aanpak van RSI. Maar dat is teruggedraaid, zo meent Frings-Dresen.

 

‘Er zou een programmeringsstudie komen om te kijken hoe je preventie, diagnostiek en behandeling van RSI het best zou kunnen stroomlijnen. Maar TNO is nu in opdracht van SZW bezig te kijken of zo’n studie noodzakelijk is. Zo voldoet SZW aan de wens van de Kamer, maar ik zie het als traineren van de RSIaanpak.

 

Het is een soort excuusonderzoek. Ik vrees dat die programmeringsstudie zoals ik die voor ogen had van de baan is en dat er geen geld voor vrijkomt. Het is het stilhouden van het volk.’ Frings-Dresen gaf ook een oorvijg aan de arbodiensten die zich onttrokken aan de eind jaren negentig ingevoerde verplichting om RSI, of onder deskundigen Wabbe’s (Werkgerelateerde) Aandoeningen Bewegingsapparaat Bovenste Extremiteiten, te melden. Het virtuele standje heeft iets geholpen. ‘Door toedoen van de nodige voorlichting meldt naar schatting vijftig procent van de bedrijfsartsen deze aandoeningen.

 

Dat zou honderd procent moeten zijn. Ik ben tevreden als het negentig procent is.’ De hoogleraar en voorzitter van de ‘slapende’ commissie (‘We gaan weer aan de slag als daar aanleiding toe is.’) is bezig met een onderzoek in opdracht van Zorgonderzoek Nederland (Zon) naar de heilzame werking van de multidisciplinaire aanpak van RSI. Volgende maand presenteert ze de resultaten. ‘Dat het voor gemotiveerde mensen werkt, is duidelijk. Maar wij onderzoeken of het voor iedereen een goede aanpak is. Vergelijk het maar met roken. Het stoppen door verslaafden die willen, gaat wel met de nodige moeite. Maar of een methode ook werkt voor mensen die niet willen, is een andere zaak.’

 

In een scherp artikel in ARBO nummer 6 zocht scheikundige en jurist Jacques Oostveen de confrontatie met het ministerie van SZW. Volgens Oostveen zijn arbobeleidsregels onrechtmatig.

 

Hij onderbouwde zijn stelling door te stellen dat beleidsregels interne instructies zijn en volgens de Grondwet en de Algemene wet bestuursrecht geen normen mogen bevatten die door de burger moeten worden nageleefd. Beleidsregels mogen volgens de auteur de wet niet aanvullen en dat doen ze wel, stelt Oostveen.

 

Bovendien leggen beleidsregels de wet en Europese richtlijnen onjuist uit. Hij geeft in het artikel twee voorbeelden.

 

Volgens Oostveen, die werkzaam is bij onderzoeks- en adviesbureau Miricon, is het commentaar van SZW niet meer dan een bevestiging van zijn eerste stelling dat beleidsregels niet bindend zijn voor burgers maar wel voor de Arbeidsinspectie. ‘In een reactie op de nieuwspagina’s van nummer 7/8 van ARBO bevestigt SZW alleen dat beleidsregels niet bindend zijn voor burgers, wel voor de Arbeidsinspectie. Op de overige stellingen wordt wijselijk niet in gegaan. Maar heel arboland is ervan doordrongen dat arbobeleidsregels wel degelijk bindend zijn voor de burger.

 

Dit blijkt ook uit de inhoud en de manier waarop de beleidsregels zijn opgesteld. Zo is de tilnorm echt niet bedoeld voor de Arbeidsinspectie, maar voor werkgevers en werknemers.’

 

Oostveen verbaast zich erover dat SZW slechts op een van zijn argumenten ingaat. ‘Op mijn overige argumenten heb ik geen antwoord gekregen. Met mijn stellingen torpedeer ik het belangrijkste beleidsinstrument van het ministerie. Ik wacht nog steeds op een inhoudelijke reactie op de andere stellingen.’

 

Oostveen blijft ook op andere terreinen vraagtekens zetten bij het beleid van het ministerie. Zo is het handhaven van doelvoorschriften voor arbeidsomstandigheden door bestuurlijke boetes volgens hem een doodgeboren kindje. ‘De rechter heeft onlangs in een uitspraak gezegd dat je geen boete kunt opleggen als je niet uitdrukkelijk voorschrijft hoe een voorschrift moet worden nageleefd. Een bestuurlijke boete voor het nietnaleven van een doelvoorschrift kan dus door iedereen met succes worden aangevochten.’

 

In ARBO nummer 4 presenteerde de oud-voorzitter van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, oud-voorzitter parlementaire enquetecommissie sociale zekerheid, en oud-Tweede-Kamerlid voor de PvdA Flip Buurmeijer zich als freelancer. Een drukke freelancer. Zozeer zelfs dat hij zijn vrouw inmiddels beloofde het het komende jaar iets rustiger aan te doen. Iets, want hij blijft natuurlijk de vraagbaak bij uitstek als het om de sociale zekerheid gaat. In ARBO hekelde hij de Nederlandse ‘lafheid’. Een werknemer die vaak om allerlei vage redenen ziek is, moet ook een keer de zak kunnen krijgen, zo stelde hij. Hij ziet een kleine progressie. ‘De aandacht voor verzuim is toegenomen, maar er zit nog te veel onmacht tussen werkgever, werknemer en begeleidende instanties. Daar moet men een heldere koers in varen en als iemand echt niet meewerkt, moet je het ontslag niet schuwen.’ Buurmeijer is uit pragmatisch oogpunt tegen het invoeren van een nieuw WAO-stelsel.

 

‘Het verstrekken van een uitkering aan louter geheel arbeidsongeschikten en loondoorbetaling in het tweede ziektejaar zijn goede voorstellen. Maar we maken het op basis van het SER-voorstel te ingewikkeld. We krijgen drie wetten.

 

De nieuwe WAO, de werkhervattingsregeling en de extra garantieberoepsregeling die het beroepsrisico in ons sociale zekerheidsstelsel introduceert. Ik ben heel pragmatisch. Ga door met het ontwikkelen van plannen, maar kijk ook eens goed naar de huidige praktijk. De instroom in de WAO daalt fors.

 

We hebben dat de afgelopen jaren niet meegemaakt. De maatregelen van de afgelopen jaren hebben hun effect. Zo ben ik erg positief over de Wet verbetering poortwachter.’

 

Buurmeijer pleitte ook voor het loslaten van de fase-indeling van makkelijk tot moeilijk te reintegreren arbeidsgehandicapten.

 

‘Er zit beweging in. Het CWI nam al afstand van dit fasemodel.

 

In plaats van vier fasen maakt men een veel grovere schifting dan de afgelopen jaren is toegepast. Het CWI onderscheidt nog maar twee categorieen: mensen die snel weer aan de slag kunnen en mensen die wat langer tijd nodig hebben. Dus ook daar zit verbetering in.’

 

Dick Spreeuwers, directeur van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) mag niet klagen. In het geboortenummer van ARBO schreef hij dat de bedrijfsarts de speelbal van de politiek was. Nu, een jaar later, lijkt die speelbal wat meer een eigen wedstrijd te spelen. ‘Het gaat niet verkeerd. Ik ergerde me aan het negatieve imago van de bedrijfsarts. In het buitenland is het normaal dat de bedrijfsarts zich ook met curatieve taken bezighoudt. We zijn in Nederland nu ook bezig met zaken als verwijsfunctie, vergroting van de kennisinfrastructuur, een kwaliteitsbureau en nieuwe richtlijnen. Opmerkelijk is echter dat die ontwikkelingen door de bedrijfsartsen uit eigen zak worden betaald. De arbodiensten betalen nauwelijks mee.’

 

Spreeuwers sprak zich eveneens uit voor het invoeren van een risque professionel in ons stelsel. De vervuiler betaalt. Hij lijkt met de komst van de Extra Garantie Beroepsregeling (EGB) zijn zin te krijgen. ‘Goede zaak. Het buitenland kent al tientallen jaren zo’n systeem. Je voorkomt een claimcultuur en toch betaalt de veroorzaker van de schade. Bovendien krijg je beter inzicht in de schade die beroepsziekten aanrichten. Dat was tot voor kort onduidelijk. Inmiddels weten we uit signaleringsrapporten van het NCvB dat die schade aanzienlijk is. Met deze gegevens in de hand kun je ook de kennis over beroepsziekten vergroten en meer aan preventie doen.’ Het bevreemdde Spreeuwers dat uit contacten met bedrijfsartsen bleek dat beroepsziekten niet leven bij de diensten. ‘Daar snap ik niks van. Ik heb met een aantal grotere arbodiensten afgesproken daar wat aan te doen.’ Want registreren is een, melden is twee en tot nu is die meldingsbereidheid van bedrijfsartsen door allerlei oorzaken niet groot.

 

‘Maar dat gaat veranderen. Met de komst van de EGB worden bedrijfsartsen meer achter de broek gezeten door werkgevers en werknemers. Zij hebben namelijk beiden een belang dat het wel gemeld wordt. Bovendien wordt na zes weken ziekte explicieter gevraagd of het om een beroepsziekte gaat.’

 

En dus doet het risque professionel zijn intrede in het sociale zekerheidsstelsel. Tot grote tevredenheid van Spreeuwers.

 

‘Dat is altijd een taboe geweest. Als je het woord risque professionel maar in de mond nam, stonden velen al op de achterste benen. Ik heb dat nooit begrepen.’

 

Reageer op dit artikel