artikel

Droogoefenen met gevaarlijke stoffen

Geen categorie

Wat betreft bereik en respons lijkt het VASt-programma een succes. Liefst 64 branches in 24 verschillende sectoren werkten samen. In totaal waren volgens SZW een slordige 150.000 bedrijven bij het project betrokken, waar samen een miljoen werknemers werken, van wie er meer dan 600.000 min of meer regelmatig worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Het VASt-programma leverde dan ook 24 verschillende actieplannen op.

 

De wonenbranche, de kunststofen rubberindustrie, de schoonmaak- en industriele schoonmaakbranche waren er snel bij, net als de handelaren van chemische producten. In de actieplannen van de branches staan allerlei initiatieven om bedrijven te informeren over de risico’s van stoffen. Zoals een kennissysteem over de gevaren van stoffen en de te nemen maatregelen. Deze database wordt de ‘Digitale stoffenmanager’ genoemd. Wie erop inlogt en vervolgens de naam van een stof intikt, krij gt subiet een werkinstructie op het scherm. Naast een algemene stoffenmanager hebben verschillende branches, zoals de bouw en de schoonmaak, ook een branchespecifieke versie ontwikkeld.

 

Uit eerder onderzoek bleek behoefte te bestaan aan nieuwe, beter toegankelijke en begrijpelijke communicatiekanalen, onder meer om aan de wettelijke RI&E-bepalingen te voldoen. Dat heeft geleid tot branchespecifieke websites en databases en tot de zogeheten Pimex-films. Deze voorlichtingsfilms vormen zeker een geslaagd voorbeeld van een nieuw communicatiemedium. Het zijn korte maar krachtige, ronduit spectaculaire videofilms die tonen hoe een werkhandeling wordt uitgevoerd en welke blootstelling aan stoffen daarbij optreedt. Bij de lasser die zonder afzuiging werkt, slaat een meter in beeld direct rood uit. In een volgend filmpje is er wel een afzuigkap boven de lastafel gemonteerd, maar is deze niet goed afgesteld. Opnieuw schiet de meter in het rood. Pas in het laatste filmpje gaat het goed, en staat de lasser nauwelijks bloot aan lasrook. In een ander filmpje werkt een tapijtlegger eerst met een lijm die (verboden) oplosmiddelen bevat. In een tweede sessie werkt hij met een oplosmiddelvrije, alternatieve lijm en blijft de blootstellingscurve beperkt. Waarschijnlijk maakt zo’n filmpje in enkele beelden meer duidelijk over nut en noodzaak van preventie dan een vlot geschreven voorlichtingsbrochure of veiligheidsinformatieblad.

 

Naast dergelijke leerzame filmpjes is in het kader van het VAStprogramma ook een flink scala aan meer conventionele voorlichtingsmiddelen ontwikkeld, zoals leaflets en informatiebladen. Dankzij het VASt-programma bestaan er intussen ook complete opleidingsmodules voor werknemers om veilig te leren omgaan met stoffen, zoals bijvoorbeeld voor de handelaren in chemische stoffen.

 

Alsof dat nog niet genoeg is, is ook een twaalftal ‘goede praktijken’ beschreven met succesvoorbeelden in een bepaalde bedrijfstak. Voorbeeld daarvan zijn de medische helpdesk voor kunstenaars, betere arbeidsomstandigheden voor natuursteenbedrijven en de gezamenlijke aanpak van gevaarlijke stoffen op bedrijventerreinen.

 

Het VASt-programma was gefundeerd in het Convenant Stoffen, dat op 30 januari 2004 werd afgesloten tussen de werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland en veertien verschillende branches. Maar liefst vijf ministeries ondertekenden het convenant. Doel van het convenant was om de branches snel aan te zetten tot het maken van actieplannen en de kennis omtrent gevaarlijke stoffen te verbeteren. Het convenant, dat 1 januari 2007 afliep, geldt als een succes. ‘Het Nederlandse bedrijfsleven heeft mede dankzij VASt en het convenant een voorsprong op andere landen in Europa waar het gaat om het kunnen voldoen aan REACH’, zegt SZW. ‘De bewustwording van risico’s van stoffen is vergroot en de kennisinfrastructuur ter beheersing van deze risico’s is verbeterd.’ Ook de communicatie tussen branche en bedrijven in een productieketen zou beter zijn geworden. Zoals bekend vormt communicatie een essentieel onderdeel van de REACH-methodiek.

 

Vanaf juli dit jaar vindt een definitieve eindevaluatie van het VASt-programma plaats, waarbij de resultaten worden vergeleken met die van de nulmeting in 2004. Bij de nulmeting bleek dat veel bedrijven al bezig waren met een stoffenbeleid, dat het gebruik van schadelijke gevaarlijke stoffen is verminderd en soms zelfs geheel uitgebannen door uitbesteding of vervanging door minder gevaarlijke alternatieven. Opmerkelijk genoeg gaf echter maar liefst 75 procent van de ondervraagde werkgevers aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet te meten. Weliswaar kenden veel geinterviewde werknemers sommige etiketten, toch zei ongeveer de helft hinder te ondervinden van gevaarlijke stoffen. 65 procent vindt dat de werkgever verdere maatregelen moet treffen. Daarbij moeten we de kanttekening plaatsen dat slechts 1575 ingevulde vragenlijsten van de 8000 verstuurde exemplaren terugkwamen, een niet echt hoge respons van ongeveer 20 procent.

 

Eerder dit jaar voerde het consultancybureau Ecorys een groot onderzoek uit naar de implementatie van tal van arboprojecten, waaronder VASt. Ecorys toonde zich aanmerkelijk kritischer dan het ministerie. ‘Diverse partijen geven als kritische noot bij het VASt-programma aan dat vooral sectoren en ketens zijn bereikt die toch al actief bezig waren met stoffenbeleid. Zij geven aan in het overzicht van uitgevoerde actieplannen ook een aantal branches uit de middengroep (‘meelopers’) te herkennen, maar de branches die uit zichzelf weinig doen op het gebied van arbo en stoffen zijn volgens hen niet bereikt’, aldus het rapport.

 

Ecorys voegt ter nuancering toe dat het VASt-programma niet tot doel had om achterblijvende branches te stimuleren. ‘Het ging er om branches en ketens aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid en die partijen die actie wilden ondernemen te faciliteren hierbij.’

 

Reageer op dit artikel