artikel

Een intergenerationeel contract?

Geen categorie

In een zaaltje boven het Tilburgse stadscafe ‘Meesters’ laten Bovenberg en Plantenga samen met gespreksleider Korver hun licht schijnen over de toekomst

 

van de sociale zekerheid. Meer specifiek luidt het discussiethema: verzorgingsstaat versus intergenerationeel contract. Hoogleraar economie Lans Bovenberg van de Universiteit van Tilburg wordt internationaal beschouwd als specialist op dit terrein. Hij werd vorig jaar onderscheiden met de Spinozaprijs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Het prijzengeld besteedde hij aan

 

de oprichting van het nieuwe onderzoeksnetwerk Netspar (Network for Studies in Pensions, Aging and Retirement), een prestigieus kenniscentrum op sociaal-wetenschappelijk terrein met internationale uitstraling.

 

Econoom Janneke Plantenga is als senior docent/onderzoeker verbonden aan de Utrecht School of Economics van de Universiteit van Utrecht. Daarnaast is Plantenga bijzonder hoogleraar sociaaleconomische aspecten van kinderopvang aan de Rijksuniversiteit Groningen. Gespreksleider Ton Korver, in het dagelijks leven onderzoeker en adviseur levensloopbeleid bij TNO Arbeid, schetst vooraf de huidige ontwikkelingen die, zoals hij zegt, op zijn minst in discussie zijn: het aantal gewerkte jaren moet omhoog, het aantal gewerkte uren moet omhoog en ouderen moeten meebetalen aan de kosten van de vergrijzing; ook de ouderen moeten zich houden aan het ‘intergenerationeel contract’. Korver: ‘Wat is dat intergenerationeel contract en vanwaar het pleidooi om ons daar allemaal aan te houden? Bovenberg: ‘Het intergenerationeel contract is de stilzwijgende afspraak tussen generaties waarbij elke generatie de volgende opvoedt, waarna zijzelf aan het einde van het leven wordt onderhouden door de generatie die zij heeft helpen opvoeden. Zo zorgt elke generatie twee keer: een keer voor de volgende generatie en een keer voor de vorige generatie. Ook wordt elke generatie twee keer verzorgd, eerst als kind en later als hoogbejaarde. Het is economisch bijzonder efficient. Het is een uitruil tussen verschillende generaties. Ik vind het waardevol om dat te behouden, maar wel op een nieuwe manier. De zorg voor kinderen ligt traditioneel vooral op de schouders van vrouwen. Die taakverdeling moet veranderen.’

 

Bovenberg beschouwt het intergenerationeel contract niet strijdig met de verzorgingsstaat. Bovenberg: ‘Vroeger bestond het intergenerationeel contract in familieverbanden, op microniveau. De verzorgingsstaat geeft op macroniveau vorm aan het intergenerationeel contract: het basisonderwijs is een investering in de jongere generatie waaraan iedereen bijdraagt en tegelijk profiteren ouderen via het publieke systeem van de AOW en gezondheidszorg.’

 

Volgens Plantenga regelt de verzorgingsstaat vooral de financiele overdracht tussen generaties. Maar naast een geldcomponent onderscheidt zij een tijdcomponent. Vrouwen zijn beter opgeleid en kiezen vaker dan vroeger voor een carriere. Voor kinderen krijgen is amper tijd, terwijl het hele omslagsysteem gebaseerd is op kinderen als menselijk kapitaal. Plantenga: ‘Tijd is naar mijn gevoel het meest knellende element. De kinderloosheid onder hoogopgeleiden vrouwen is twintig procent. De vraag is: investeer je als vrouw nog in zorg? Krijg je nog kinderen? Het tijdprobleem van vrouwen is niet zozeer ‘nemen ze wel deel aan de arbeidsmarkt?’ – hogere opgeleiden vrouwen doen dat wel en laten dat niet meer los – maar veel meer ‘participeren ze nog in de zorg?’. Als dat niet in balans komt, krijgen we of een zorggat of een participatiegat. Er wordt veel gesproken over het participatiegat als meest acute economische probleem, maar mij lijkt dat zorggat minstens zo acuut.’

 

Bovenberg: ‘Het zorggat moet zeker verminderen. Daarom vind ik het belangrijk dat mensen langer door kunnen gaan met werken. We studeren tegenwoordig langer, gaan eerder met pensioen en leven langer. Er ligt daardoor een grote carrieredruk in dezelfde periode dat je biologisch bepaald kinderen opvoedt. Dat zie ik als de belangrijkste reden dat mannen minder zorg op zich nemen: het betekent een enorme breuk in hun carriere. De waarde van hun menselijk kapitaal wordt aanzienlijk aangetast. Er moet minder carrieredruk liggen op die fase die gewoon zorgintensief is, namelijk de levensfase waarin je verantwoordelijk bent voor zorg voor kinderen tussen nul en vier jaar.’

 

Plantenga: ‘Het is niet alleen een uitruil tussen mannen en vrouwen. Er moet ook ruimte zijn voor het uitbesteden van zorg. Ik vind het vreemd dat niemand in het kader van de levensloopregeling de deeltijdaanstelling van vrouwen ter discussie stelt. Vrouwen vormen een enorm arbeidspotentieel. Maar dan moeten er wel mogelijkheden zijn voor het uitbesteden van zorgtaken. We moeten vrouwen niet opzadelen met het idee dat je een slechte moeder bent als je je kind tussen 0 en 4 jaar meer dan drie dagen naar kinderopvang brengt. Het wordt nog altijd gezien als second best arrangement. ‘Zoals het theezakje thuis trekt, trekt het nergens’, zei Melkert eens. En tussen vier en twaalf jaar is kinderopvang in Nederland over het algemeen nog steeds een slecht product. Bovenberg: ‘Nederland is wel een voorbeeld voor andere landen als het gaat om deeltijdwerk. Dat maakt de combinatie van arbeid en zorg een stuk beter mogelijk.’ Plantenga: ‘Maar niet in de verdeling van deeltijdwerk. Van de mannen tussen 20 en 40 jaar werkt maar zo’n vijf procent deeltijd. Het komt bijna zonder uitzondering voor rekening van vrouwen. Van de vrouwen met kinderen werkt bijna negentig procent in deeltijd. Ik vind echt dat er meer uren gewerkt moeten worden, met name door vrouwen. En misschien inderdaad minder door mannen. Maar de smeerolie is dat een deel van zorg wordt uitbesteed. Als de totale zorg voor kinderen niet minder wordt, zal ook de gelijke verdeling binnenshuis niet plaatsvinden.’

 

Bovenberg: ‘Schooltijden hebben voor mij hogere prioriteit dan kinderopvang. Omdat dat voor laagbetaalden ontzettend belangrijk is. Het is lastig werken als je kind tussen de middag en om drie uur ’s middags naar huis wordt gestuurd. Schooltijden zijn echt onderbelicht. Voor laaggeschoolden is kinderopvang ook niet heel efficient, want erg duur ten opzichte van wat deze vrouwen op de markt kunnen verdienen. Ik kies er liever voor om faciliteiten aan kinderen te binden, zodat mensen zelf de keuze kunnen maken om drie jaar voor hun kinderen te zorgen. Je kunt je beter direct richten op de kinderen.’ Plantenga: ‘Achtduizend euro voor de geboorte van een kind, zoals jij onlangs voorstelde, is een valkuil voor laagopgeleiden vrouwen. Ik ben huiverig als je zo’n lumpsumachtige constructie koppelt aan kinderen, maar niet aan de arbeidsparticipatie van vrouwen. Laagopgeleide vrouwen kiezen dan zo’n arrangement voor twee of drie jaar. Terwijl hoger opgeleiden gebruik maken van kinderopvang en blijven werken. Omdat de keuze voor zorg uiteenloopt, ontstaat er een groter verschil in human capital. Laagopgeleiden trekken zich dan terug uit de arbeidsmarkt en keren steeds moeilijker terug. Dat is een valkuil. Mijn angst met lumpsum is dat laaggeschoolden vrouwen nooit meer op de arbeidsmarkt terugkeren.’ Bovenberg: ‘Ik heb er niet zoveel zorgen over als laagopgeleiden vrouwen er drie jaar tussenuit gaan. Die keuzevrijheid moet er zijn. Voor laaggeschoolde vrouwen is een voortdurende band met de arbeidsmarkt minder belangrijk dan voor hoger geschoolde vrouwen.’

 

Plantenga: ‘Je vindt eigenlijk gewoon dat het minder duur moet zijn om kinderen te krijgen.’

 

Bovenberg: ‘Ik maak me inderdaad zorgen over het aantal kinderen. Kinderen krijgen wordt steeds duurder, zowel in gemiste kansen als in de benodigde investeringen in geld en tijd. Een kenniseconomie vraagt dat we veel in kinderen investeren. In onze huidige arbeidsmarktarrangementen zijn kinderen gewoon erg duur. Maar ons hele omslagstelsel is gebaseerd op kinderen, op kapitaal. Daarom zijn jonge ouders zo belangrijk.’

 

Plantenga: ‘Ik ben het erg eens met de stelling dat er meer ruimte moet komen voor jonge ouders. Maar ook hier is mijn stelling: houd de relatie met de arbeidsmarkt in stand. Ik pleit dus vooral voor verlof. Wij hebben internationaal gezien echt een minimale regeling: drie maanden onbetaald ouderschapsverlof. Binnen de nieuwe levensloopregeling wordt dat dan betaald, maar vijftig procent van het minimumloon is nog steeds niet erg uitbundig. En na de periode van verlof – die wat mij betreft dus best iets langer mag zijn – moet je de kinderopvang toegankelijker maken. Ik heb gepleit voor een drie-pijlermodel in de kinderopvang. Een collectief arrangement voor kinderopvang voor twee dagen per week, voor iedereen toegankelijk. Als je meer uren nodig hebt omdat je werkt, zou dat via de werkgever kunnen lopen. Bijvoorbeeld voor lengte van de arbeidsduur. Heb je nog meer nodig, neem je nog meer af. Dat is de derde pijler.’ Bovenberg: ‘Voor mij is het en/en’. ‘Maar heel belangrijk vind ik het verminderen van de carrieredruk. Dat weerhoudt mannen van het op zich nemen van meer zorgtaken. Je moet arbeidsorganisaties zo inrichten dat mensen hun arbeid veel flexibeler over hun leven kunnen verdelen, zonder hun carriere op het spel te zetten. Het faciliteren van arbeid en zorg is voor mij niet alleen de kinderopvang, maar heeft consequenties voor de hele levensloop. De keuze voor kinderen schaadt nu te veel de rest van een carriere. Daar moeten we vanaf. Dat is de grote uitdaging.’

 

De kinderen naar de opvang of thuis en als ouder(s) langer blijven werken. Maar hoe creeer je flexibiliteit? Hoe zorg je dat mensen in een langer werkzaam leven inzetbaar blijven en kunnen leren, werken en zorgen? En staan de beschikbare regelingen feitelijk wel voor iedereen open, of zijn deze minder toegankelijk voor laaggeschoolden dan hoogopgeleiden, vraagt gespreksleider Ton Korver zich af. Bovenberg: ‘Laaggeschoolden hebben sowieso een groter probleem. In de moderne kenniseconomie is minder vraag naar hun vaardigheden. Het klinkt heel naar, maar voor elke werkgever – niet maatschappelijk – is het gewoon efficienter om te investeren in leren door hooggeschoolden. Leren kent enorme schaalvoordelen. Scholing is rendabeler voor wie op jonge leeftijd heeft geleerd te leren. Daarom is de eerste fase van het leven zo belangrijk: dat mensen leren om te kunnen leren. Dan wordt het goud van de kenniseconomie gedolven. De eerste vier levensjaren zijn cruciaal. Daarin wordt zoveel gevormd. Om de inzetbaarheid van laaggeschoolden op peil te houden, zie ik vooral een taak weggelegd voor werkgevers en de vakbeweging. Dat moet op de praktijk van werkvloer gebeuren. Goed werkgeversschap wordt in de toekomst een issue. Dat gaat dan niet alleen gaat over arbeid en zorg, maar ook over scholing. En werknemers doen er denk ik goed aan om rond hun 45e jaar met de werkgever om tafel te gaan om te bekijken hoe zij nog minstens twintig jaar hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Ik denk ook dat mensen meerdere carrieres gaan krijgen. In die zin is het levensloopdebat zeker belangrijk voor laaggeschoolden: hoe blijf je op latere leeftijd op een plezierige manier aan het werk?’

 

Plantenga: ‘Het debat wel, maar niet zozeer de huidige levensloopregeling.’ Bovenberg: ‘Laaggeschoolden beginnen eerder met werken en kunnen daarom best wat sparen voor ze kinderen krijgen. Maar je moet zeker niet alles van die ene regeling verwachten. De overheid maakt de toegang tot de WAO, WW, VUT en prepensioen moeilijker. De sociale partners moeten daardoor zuiniger worden op menselijk kapitaal. In die zin wordt levensloopbewust beleid, ook binnen het HRM-management, een item. Een kernaspect van het levensloopdenken is dat je je beter voorbereidt op de volgende fase in je leven. Dat geldt heel sterk voor laaggeschoolden. De vakbeweging moet dat op cao-niveau oppakken. Dat gebeurt nog te weinig. De toekomst van de vakbeweging is erbij gebaat als zij meehelpt bij het beheren en koesteren van menselijk kapitaal en zich niet alleen inspant voor het vervroegd afschrijven van talenten van mensen via allerlei vervroegde uittredingsregelingen, maar ook meer betekent voor jongere mensen die in zichzelf en hun kinderen willen investeren. Richting de vergrijsde leden staan de bonden voor een dilemma, maar de leiders zelf zien de noodzaak wel degelijk in dat men meer moet gaan inspelen op de wensen en zorgen van jongeren.

 

Ik vind het ook heel goed dat het kabinet nu regelingen dichtschroeft die sociale partners aanmoedigen om menselijk kapitaal vervroegd af te schrijven. Met het oog op de vergrijzing moeten we veel zuiniger worden op mensen. En er ligt een enorme uitdaging om de arbeidsorganisatie zodanig in te richten dat ook ouderen zich op hun gemak voelen. Dat vergt flexibiliteit. Meer deeltijdwerk kan daarin een zegen zijn. Mensen moeten bijvoorbeeld straks de mogelijkheid hebben om met deelpensioen te gaan en na hun vijftigste iets heel anders te gaan doen.’

 

Plantenga: ‘Het zou ook schelen als oudere vrouwen langer werken. Dat percentage is nu heel laag. Daar ligt een heel groot arbeidspotentieel. In het huidige debat wordt veel nadruk gelegd op dat mensen vroegtijdig de arbeidsmarkt verlaten. Maar voor vrouwen is het ook belangrijk dat herintreding makkelijker wordt. Dat debat wordt weinig gevoerd. Daar zit buitengewoon weinig ambitie in. Je moet de mogelijkheid hebben er een tijdje tussenuit te gaan en daarna weer terug te keren. Ook als oudere.’

 

Het intergenerationeel contract is gebaseerd op nationale solidariteit, waarbij de staat in meer of mindere mate actief is. In hoeverre is het realistisch om in een steeds opener economie te vertrouwen op die solidariteit?

 

Bovenberg: ‘Daarin hebben de verschillende landen nog voldoende eigen invloed. Ik vind paniekverhalen over vergrijzing ook overbodig. Ik zie eerder de kansen: er is veel talent in huis, zowel bij vrouwen als bij ouderen, en zeker bij oudere vrouwen. Er moeten wel dingen veranderen. De overheid moet een zeker minimumniveau bieden in de verschillende fasen van een levensloop. Daarnaast heb je het middenveld en het individu. Mensen moeten weerbaarder worden. Zij moeten ervoor zorgen dat zij inzetbaar blijven, ook als sommige werkgelegenheid naar het buitenland vertrekt. China is nu een geweldig succes en dat wilden we ook heel lang: miljarden mensen delen in de welvaart.

 

Het vereist wel dat we hier in Nederland andere dingen gaan doen. Het levensloopmodel is erop gericht dat mensen voldoende in zichzelf blijven investeren en zelf wat meer verantwoordelijkheid nemen voor hun inzetbaarheid.’ [zie ook het artikel ‘Hoe blijft de werknemer anno 2005 (er)bij?’, elders in deze bijlage; red.] De maatschappelijke verschillen tussen laag- en hooggeschoolden zullen ook van invloed zijn op het einde van carrieres, meent Bovenberg. Sommige ouderen zullen een sterkere positie hebben dan anderen, voorspelt hij.

 

Bovenberg: ‘Hoe organiseer je overgang van activiteit naar inactiviteit in een samenleving waarin oudere werknemers heel heterogeen zijn? Ook daar is straks flexibiliteit nodig. En als het gaat om meebetalen aan de vergrijzing, moet er meer solidariteit komen binnen de oudere generatie zelf. Mensen met een goed pensioen moeten gewoon meer meebetalen aan bijvoorbeeld de AOW. Maar dat ligt nog heel gevoelig en ouderen zijn electoraal een heel belangrijke groep.’

 

En de levensloopregeling? Plantenga: ‘Het wordt teveel als de grote vernieuwing van de sociale zekerheid gelabeld. De regeling is te beperkt. Er moeten meer dingen gebeuren om de problemen die hier staan op te lossen.’

 

Bovenberg: ‘Het levensloopdenken is veel belangrijker dan de regeling.’

 

Plantenga: Ja, precies. Het levensloopdenken is een heel ander verhaal. Veel breder. De feitelijke regeling is buitengewoon beperkt.’

 

Bovenberg: ‘Het is wel een heel goede stap.’ Plantenga: ‘Het is belangrijk, maar nog maar een onderdeel van een breder pakket dat we nog moeten vormgeven. Bovenberg: ‘Ja, het gaat uiteindelijk om een andere cultuur, waarin mensen bewuster met hun levensloop omgaan en meer kunnen investeren in zichzelf en in hun kinderen. Juist daarom is de levensloopregeling belangrijk. Mensen gaan nadenken over de volgende fase in hun werkzame leven. Er worden misschien teveel dingen verwacht van de regeling, maar het kan een belangrijke katalysator zijn voor een nieuwe manier van denken over carriere, personeelsbeleid, inzetbaarheid, arbeid en zorg, en sociale zekerheid. Het is een belangrijk symbool.

 

Plantenga: ‘Absoluut. Maar het is geen panacee’.

 

Reageer op dit artikel