artikel

Geen daden maar woorden

Geen categorie

Op 19 december 2001 zetten de sociale partners in de branche Ziekenhuizen hun handtekening onder het Arboconvenant Ziekenhuizen. De ziekenhuisbranche telt ongeveer 150 instellingen met zo’n 180.000 medewerkers. Meer dan driekwart van de werknemers heeft bij aanvang van het convenant wel eens te maken met ongewenst gedrag, agressie of geweld in het werk. Daarnaast wieren rugklachten en andere aandoeningen van het bewegingsapparaat telig. Op de afdelingen orthopedie, neurologie en de intensive care heeft zelfs zeventig procent van de medewerkers jaarlijks rugklachten.

 

Tijdens de looptijd van het convenant dalen het ziekteverzuim en de WAO-instroom. Dat is deels te danken aan het arboconvenant. Maar ook de Wet Verbetering Poortwachter en de economische recessie deden hun duit in het zakje.

 

De blootstelling aan arbeidsrisico’s nam tijdens de convenantperiode niet meetbaar af. ‘Als je weet dat het arboconvenant in een hoog tempo de ziekenhuizen zou moeten bereiken, dan spreek je van een mission impossible’, vindt Nico Knibbe die als bewegingswetenschapper betrokken was bij diverse projecten met het onderwerp ‘fysieke belasting in de zorg’. Zo nam het gebruik van elektrische hooglaagbedden toe, kwamen er steeds meer ziekenhuizen met een ergocoach in dienst en is een flink aantal ziekenhuizen trainingen in het gebruik van tilhulpmiddelen gaan geven. ‘Maar als je middelt over de hele branche, zie je inderdaad geen significante verbeteringen. Dat neemt niet weg dat er veel ziekenhuizen zijn die heel actief bezig zijn gegaan of al waren en het convenant als een steun in de rug zien’, weet Knibbe.

 

In de eindevaluatie van het convenant wordt naar redenen gezocht voor het uitblijven van concrete resultaten. Een mogelijk vertraagd effect van de maatregelen is een. Maar daarnaast sloten de ontwikkelde producten niet altijd aan op de knelpunten in de eigen organisatie. Zeker tegen het eind van het arboconvenant kwam er een zodanige overvloed aan informatie dat sommige pakketten ‘linea recta in de papiercontainer’ zijn beland. Theo-Jan Heessen, destijds projectleider van het arboconvenant en nu adviseur bij het maken van de arbocatalogus, denkt dat nog niet alle ziekenhuizen rijp waren voor de ontwikkelde instrumenten. ‘Werkdruk, fusies en efficiencyverbetering fietsen altijd door arbo heen’, meent Heessen. Het lijkt een kip-eiverhaal. Een hoge werkdruk – een van de arbeidsrisico’s – wordt als belemmerend ervaren voor het doorvoeren van verbeteringen in de arbeidsomstandigheden.

 

Knibbe relativeert de term ‘overkill’ die in de eindevaluatie van het convenant valt: ‘Er zijn veel instrumenten ontwikkeld en die zijn misschien niet op het juiste moment gelanceerd. Als je er niet op zit te wachten, is alles overkill. Ziekenhuizen hebben hun eigen momentum en laten zich niet onder druk zetten.’ Knibbe weet dat de werkvloer pas verandert als er ‘probleembenul’ is. Hij geeft een voorbeeld. ‘Op een couveuseafdeling in een ziekenhuis in Amersfoort hadden de verpleegkundigen veel nek- en schouderklachten. In kleine groepjes verpleegkundigen zochten ze naar oplossingen en toen bleek dat ze de couveuse standaard te hoog zetten.’ Op lokaal niveau is volgens hem heel veel bereikt. ‘Dat moet gecommuniceerd worden zodat andere ziekenhuizen op het moment dat zij eraan toe zijn, er ook mee aan de slag kunnen gaan’, aldus een betrokken Knibbe.

 

De LVO is een van de beroepsgroepen die betrokken is geweest bij het convenant. De vierduizend operatieassistenten die werkzaam zijn in algemene en academische ziekenhuizen, worden geplaagd door klachten aan rug, nek en knie. Het zijn veelal jonge vrouwen die na het krijgen van kinderen een parttime baan hebben. Maatjens vindt dat het convenant nagenoeg geen toegevoegde waarde heeft gehad voor haar beroepsgroep: ‘Er is een gedegen inventarisatie gemaakt, maar van een prominent effect op de werkvloer is geen sprake. Er zijn nog steeds ziekenhuizen waarin gepoederde latexhandschoenen worden gedragen, die slecht omgaan met de verdeling van werkaanbod en onvoldoende begrip hebben voor de minimale rusturen na nachtelijk werken.’

 

In 2004 deed de beroepsgroep mee aan een onderzoek naar statische fysieke belasting. Om rugklachten te voorkomen, zou een patient met minimaal vier mensen getild moeten worden. Maar dat is geen praktijk van alledag. ‘Wellicht als chirurgen en anesthesiologen gaan meewerken. Het zijn voornamelijk de operatieassistenten die tillen’, weet Maatjens.

 

Het onderzoek leidde verder tot de aanbeveling om bij onafgebroken statijden van langer dan 1 uur micropauzes in te lassen. Even in een andere houding gaan staan, even ontspannen. Om micropauzes hoef je in principe niet te vragen. Maar wil je om een langere pauze durven vragen, dan moet je aardig sterk in je schoenen staan. ‘Dan moet je wijzen op het recht op pauze conform de cao, want de medisch specialist wil doorwerken, zeker wanneer de planning te veel patienten bevat of het aantal spoedingrepen groot is’, aldus Maatjens.

 

In de arboconvenanten zijn veel bruikbare producten ontwikkeld. ‘Maar als je de producten niet in een borgingscyclus verwerkt,

 

dan worden ze na verloop van tijd niet meer toegepast’, weet Huub Luyten, manager arbo in het Academisch Ziekenhuis in Maastricht (AZM). In het inspectierapport wordt het AZM geroemd als voorloper in het realiseren van een doorzichtig gecertificeerd arbozorgsysteem. Zou het als voorbeeld kunnen dienen voor de gewone ziekenhuizen? ‘Zeker’, zegt Luyten, ‘de scheiding tussen academische en gewone ziekenhuizen is een kunstmatige.’

 

Luyten licht de gang van zaken in Maastricht toe. ‘We hebben de organisatie op zijn kop gezet’, zegt hij terugkijkend. ‘We ontwikkelden een eigen RIE-instrument op basis van zelfwerkzaamheid en maatwerk en leerden preventiemedewerkers om deze zelfstandig uit te voeren.’ Omdat de afdelingen zelf aan de slag gaan, staan er alleen dingen in die voor die afdeling van toepassing zijn. ‘In een jaar tijd hadden alle afdelingen een RIE’, zegt een trotse Luyten.

 

De essentie van een arbozorgsysteem zit ‘m daarin dat er een zelfverbetering ingebakken zit: ‘Plan, do, check, act’. Na de RIE volgt het Plan van Aanpak. Vervolgens wordt de uitvoering ter hand genomen. De evaluatie die daarop volgt, is de basis voor de bijstelling van het Plan van Aanpak.

 

‘Niet het wat gaan we doen staat centraal, maar het hoe’, zegt Luyten. Zo zijn er trainingsprogramma’s ontworpen waarbij medewerkers in daluren via de computer kunnen leren. ‘Dit concept is op grote schaal toegepast. Denk aan onderwerpen als fysieke belasting, psychische belasting, verzuimmanagement, KANS (RSI), gevaarlijke stoffen.‘

 

Omdat het AZM een gecertificeerd arbozorgsysteem heeft, moet het ziekenhuis periodiek aantonen dat de hele borgingscyclus is doorlopen. ‘En de audits zijn ook maatwerk. Dat is borging in optima forma’, aldus Luyten.

 

Knibbe denkt dat de beste impulsen om arbeidsomstandigheden te verbeteren van de ziekenhuizen zelf komen. Het project Veiligezorg® – in oorsprong afkomstig van de werkvloer van het Westfriesgasthuis – is hier in ieder geval een goed voorbeeld van.

 

‘Op de afdeling spoedeisende hulp werd heel veel agressie ondervonden zoals schelden, bedreigen, krabben, bijten, slaan’, schetst Carlo Nannings, hoofd BHV in het Westfriesgasthuis. ‘Medewerkers voelden zich niet meer veilig.’ De agressie wordt vaak veroorzaakt door drank, drugs en (lange) wachttijden. Als deel van het project Veiligezorg® verscheen er een dvd met de titel ‘Spoedeisende Hulp, de dagelijkse praktijk’. Patienten krijgen te zien wat er gaande is op deze afdeling en waarom ze soms moeten wachten. En zo gauw een patient zich meldt, krijgt deze een indicatie van de wachttijd. Daarnaast verhogen camera’s en een bewakingsdienst het gevoel van veiligheid. Als klap op de vuurpijl leren medewerkers in een training ‘Omgaan met agressie’ om zichzelf geen geweld meer aan te doen. ‘Veiligezorg® is communicatie’, zegt Nannings. Voor het geval agressie dan toch nog uit de hand loopt, is er – in samenwerking met justitie en politie – een lik-op-stuk-beleid. Dit maakt het mogelijk om patienten, begeleiders en bezoekers een officiele waarschuwing te geven of zelfs de toegang tot het ziekenhuis voor een bepaalde tijd te ontzeggen.

 

Het project bleek een groot succes. ‘Al na een jaar was het aantal geweldsincidenten met dertig procent verminderd’, zegt het hoofd BHV. De Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen (StAZ) heeft het concept in 2005 geadopteerd en ingebed in een beleidscyclus. Na de signalering van een probleem volgt een intentieverklaring, een probleemanalyse, wordt beleid ontwikkeld, een convenant ondertekend met politie, ziekenhuis, Openbaar Ministerie en gemeenten en daarna volgt de implementatie en evaluatie. Een intern projectleider – die steun kan krijgen van het Landelijk Team Veiligezorg® – zorgt voor draagvlak en uitvoering.

 

Inmiddels werken meer dan zestig ziekenhuizen en zorginstellingen met Veiligezorg®. Om te bepalen of de aanpak effectief is, is er een Ziekenhuis Incident Registratiesysteem (ZIR) gemaakt. Dat is een webapplicatie waarmee incidenten centraal worden geregistreerd. ZIR maakt inzichtelijk waar de agressie zich voordoet en met deze gegevens wordt het mogelijk een gefundeerd beleidsadvies te geven aan het ziekenhuis. Sinds begin 2007 maken er zo’n vijftig ziekenhuizen gebruik van. Het concept is mede een zodanig groot succes geworden door de maatschappelijke discussie over veiligheid. Deze werkte volgens Nannings als katalysator.

 

Veiligezorg kon een groot succes worden dankzij de maatschappelijke ontwikkelingen rondom veiligheid. Zal de maatschappelijke wind ook nu weer bepalen waar de aandachtspunten in het arbeidsomstandighedenbeleid komen te liggen? Luyten denkt van wel: ‘Drie, vier jaar geleden zagen we vergrijzing, concurrentie, zelfstandige maatschappen, globalisering. Mensen gaan met hetzelfde gemak naar Aken, Luik of Tongeren. Wat j e dus nodig hebt, zijn hele goede, gezonde en gemotiveerde medewerkers met een goede balans tussen werk en prive.’ Het AZM is daartoe een project Integraal Gezondheidsmanagement gestart: ‘Hoe kunnen we mensen fysiek en mentaal zo gezond mogelijk houden?’ Er wordt geinvesteerd in health-checks, iedere werknemer van boven de vijftig mag darmonderzoek laten doen en er is een project HAPPY dat onder meer de kans op een hartinfarct in kaart brengt. ‘Goed werkgeverschap is een voorwaarde om de concurrentie voor te zijn’, aldus Luyten.

 

Ook Margot Eekhout, werkzaam bij de StAZ als projectleider voor de ontwikkeling van de arbocatalogus, denkt dat de maatschappelijke wind van belang is bij de aandacht voor arbeidsrisico’s. ‘Het zijn nu vooral de vragen over levensfasegericht personeelsbeleid en de ontwikkelingen rondom de arbocatalogus die maken dat arbo weer op de agenda staat.’

 

Maatjens heeft haar reserves: ‘Men spreekt en spreekt over de toekomst in de zorg, vergrijzing van patient en personeel, maar waar blijven de concrete maatregelen?’ aldus haar oproep richting het ministerie en de NVZ vereniging van ziekenhuizen.

 

Heessen ziet de arbocatalogus als borgingsinstrument voor het arboconvenant. ‘Er zijn goede, bruikbare instrumenten ontwikkeld zoals de Praktijkrichtlijn fysieke belasting, werkdruk quickscan, werkboek gevaarlijke stoffen. We hebben expliciet de opdracht om de catalogus te vullen met materiaal uit het convenant.’

 

De ontwikkelingen rondom de arbocatalogus bevinden zich nog in een pril stadium. In juni 2007 kwamen de sociale partners voor het eerst bijeen met een klankboordgroep van twintig arbocoordinatoren uit diverse ziekenhuisinstellingen. ‘Het bijzondere aan de wensen van deze groep mensen is dat zij niet alleen een oplossingenboek willen, maar ze willen ook een set van criteria identificeren waaraan de oplossingen getoetst zouden moeten worden’, zegt Heessen. Een van de criteria is bijvoorbeeld de patientencategorie. ‘Op een poli met veel doorloop tref je andere maatregelen dan op een afdeling waar patienten twee maanden zijn’, licht Heessen toe.

 

Eekhout benadrukt dat de arbocatalogus goed aan moet gaan sluiten bij waar de ziekenhuizen zelf behoefte aan hebben. Ze verwacht dat de arbocatalogus in de loop van volgend jaar in de vorm van een website het daglicht zal zien.

 

Maatjens denkt dat een arbocatalogus pas gaat werken als er geld en formatie beschikbaar is om concreet aan de slag te gaan. ‘De weg via OR, cao of intern via de leidinggevende is een lange weg’, weet Maatjens. Ze somt een aantal factoren op die nodig zijn om de werkvloer echt te kunnen bereiken: ‘Een uitbreiding van de gelegenheid om met arbo bezig te zijn, een praktische benadering, scholing, het aanwenden van financien en daadwerkelijk draagvlak bij medisch specialisten en raden van bestuur.’ Pas dan zal de tijd echt alle wonden helen.

 

MEER WETEN?

 

http://www.arbobondgenoten.nl/arbothem/arboconv/sektdoku/ziekenhuizen/ziekenhuizen.htm.

 

Voor het inspectierapport zie: http://www.vnvn.nl/uploaded/FI LES/Nieuws/Rapport-Ziekenhuizen.pdf.

 

Instrumenten voor fysieke belasting: http://www.locomotion.nu/instrumenten/index.htm.

 

www.veiligezorg.nl

 

 

In de ziekenhuisbranche zijn academische en gewone ziekenhuizen twee gescheiden werelden. We nemen in dit artikel de gewone ziekenhuizen onder de loep, maar maken ook een uitstapje naar het Academisch Ziekenhuis in Maastricht.

 

In 2004 is de Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen (StAZ) opgericht. Het is een samenwerkingsverband van sociale partners (NVZ vereniging van ziekenhuizen en een vijftal werknemersorganisaties) in de branche Ziekenhuizen. Veiligezorg®, de databank gevaarlijke stoffen, de RI&EZorg en de verzuimregistratie vonden bij de StAZ een veilig onderkomen (www.staz.nl).

 

 

Reageer op dit artikel