artikel

Huisarts of hometrainer?

Geen categorie

In het literatuuroverzicht werden zes studies opgenomen. Vier studies onderzochten het effect van training op ziekteverzuim, drie daarvan bestudeerden tevens de effecten op klachten of beperkingen. Daarnaast richtten twee studies zich alleen op klachten of beperkingen.

 

Zo keken Lindstrom en zijn onderzoekers (1992a) naar een patientenpopulatie met lage rugklachten en acht weken verzuim. Ze vergeleken het effect van begeleiding door de huisarts met een individueel stapsgewijs oefenprogramma inclusief een gedragsmatige component. De resultaten waren positief: patienten die het oefenprogramma hadden gevolgd, hervatten het werk sneller dan patienten die door de huisarts waren behandeld (50% van de patienten binnen respectievelijk 35 en 61 dagen). Bovendien waren er in de groep die het oefenprogramma had gevolgd, minder mensen met langdurig verzuim (8%) dan in de groep die door de huisarts was behandeld (21%).

 

Ook de onderzoekers rondom Staal (2004) richtten zich op patienten met lage rugklachten en (gedeeltelijk) verzuim. De begeleiding van de huis- of bedrijfsarts werd geplaatst tegenover een individueel stapsgewijs oefenprogramma met een gedragsmatige component. Ook hier was het resultaat na zes maanden positief: de groep die het oefenprogramma had gevolgd, hervatte het werk sneller dan de groep die begeleid was door de huis- of bedrijfsarts (50% van de groep binnen respectievelijk 54 en 67 dagen). De groep die het oefenprogramma had gevolgd, scoorde eveneens beter op mate van klachten en beperkingen, maar het verschil met de controlegroep was klein.

 

Storro et al. (2004) richtten zich niet alleen op rugklachten maar ook op klachten aan nek of schouder. De interventie bestond uit een combinatie van lenigheids- en houdingsoefeningen, krachttraining, conditieverbetering, ontspanningsoefeningen en gedragsmatige therapie, en werd vergeleken met begeleiding door de huisarts. Drie maanden na de interventie hadden meer mensen in de interventiegroep dan in de controlegroep het werk hervat, respectievelijk 73 procent en 52 procent. Dit verschil werd zes en twaalf maanden na de start van de interventie nog groter in het voordeel van de interventiegroep.

 

De onderzoeksgroep rondom Turner (1990) keek naar patienten met chronische lage rugklachten (langer dan zes maanden) die als gevolg van hun klachten beperkingen ondervonden. Ze werden ingedeeld in drie groepen: een groep kreeg een behandeling met joggen, een andere een combinatie van joggen en een cognitieve gedragstherapie en een derde groep kreeg helemaal geen behandeling. Turner concludeerde dat een combinatie-interventie direct na de interventieperiode meer effect had op pijnintensiteit, beperkingen, fitheid en patienttevredenheid dan de controleaanpak. Maar alleen joggen bleek niet beduidend meer effect te hebben dan geen behandeling. Zes en twaalf maanden na de interventieperiode scoorde de combinatie-interventie nog steeds beter op dezelfde uitkomstmaten dan de controlegroep.

 

In de studie van Frost en anderen werd een rugschool in combinatie met specifieke oefeningen en fitnesstraining vergeleken met een rugschool en alleen specifieke oefeningen. De studiepopulatie bestond uit patienten met chronische lage rugklachten (minimaal zes maanden). Zes maanden na de interventie scoorde de groep die ook fitnesstraining had gekregen, beduidend beter op pijnintensiteit en mate van beperkingen (Frost 1995). Ook twee jaar na de interventie waren er nog steeds positieve resultaten te meten bij de mate van beperkingen (Frost 1998).

 

Slechts in een geval waren de resultaten minder hoopgevend. Torstensens onderzoeksgroep vergeleek fysieke training met fysiotherapie, dit keer bij patienten met chronische lage rugklachten en minimaal acht weken verzuim (Torstensens 1998). De fysieke training vond drie keer per week plaats en bestond uit een warming-up (cardiovasculaire training), specifieke kracht- en flexibiliteitstrainingen en specifieke oefeningen. Hier werd geen verschil gevonden in pijnintensiteit, beperkingen en tijd tot werkhervatting tussen de beide groepen.

 

Tabel 2 geeft een overzicht van de resultaten van alle studies. Drie van de vier studies bij rugklachten vonden positieve effecten op ziekteverzuim.

 

TABEL 2.OVERZICHT RESULTATEN BESTUDEERDE STUDIES

 

Klachten aan het bewegingsapparaat

 

Overige klachten aan het bewegingsapparaat

 

Rugklachten

 

Klachten en/of beperkingen

 

3 van de 5 studies positief, waaronder 1 hoog gewaardeerde

 

 

Ziekteverzuim

 

3 van de 4 studies positief, waaronder 2 hoog gewaardeerde

 

1 uit 1 studie positief

 

 

-: Geen informatie beschikbaar

 

Twee van deze drie studies waren goed vergelijkbaar met de fysieke training zoals beschreven in het begin van dit artikel. De studie van Torstensen en anderen, waarin geen effect op ziekteverzuim werd gevonden, was redelijk vergelijkbaar. Naast effecten op ziekteverzuim vonden drie van de vijf studies positieve effecten op klachten of beperkingen. Een van deze drie studies kwam goed overeen met de geschetste fysieke training. Er was echter ook een studie die geen effecten vond op klachten of beperkingen en eveneens goed overeenkwam.

 

Ondanks deze positieve resultaten is nog niet overtuigend bewezen dat fysieke training inderdaad klachten en ziekteverzuim vermindert. Er zijn immers slechts weinig studies uitgevoerd naar het effect op verzuim. Bovendien onderzochten slechts twee hiervan fysieke training zoals eerder omschreven.Er zijn vooral studies uitgevoerd naar het effect van specifieke oefeningen en, in mindere mate, naar het effect van afzonderlijke cardiovasculaire training. Daarnaast zijn er studies uitgevoerd die een multidisciplinaire aanpak hebben beoordeeld, maar de gedragsmatige aanpak die daarin een onderdeel vormt, is vaak breed.

 

Bovendien zijn de meeste studies uitgevoerd bij personen met lage rugklachten, terwijl klachten aan het bewegingsapparaat ook in andere lichaamsdelen op kunnen treden. Ook voor deze klachten is het de vraag of fysieke training effectief is. Een ander aandachtspunt is dat de meeste studies zich richten op werknemers, terwijl het effect bij zelfstandigen mogelijk anders uitpakt. Die blijven wellicht langer doorwerken met klachten en zullen als ze arbeidsongeschikt zijn, sterker gemotiveerd zijn om het werk snel te hervatten dan werknemers.

 

Tot slot viel het op dat in veel studies de interventie slecht wordt beschreven. Veelal worden details over de cardiovasculaire component achterwege gelaten, evenals informatie over duur en frequentie van de training. Dit bemoeilijkt de vergelijkbaarheid tussen studies.

 

Maar omdat juist de twee hoog gewaardeerde studies positieve resultaten tonen, concluderen wij dat er wel aanwijzingen zijn dat fysieke training effectiever is dan reguliere behandeling.

 

Er is weinig kennis beschikbaar over het effect van fysieke training ten aanzien van verzuim door klachten aan het bewegingsapparaat. De uitgevoerde studies laten over het algemeen positieve resultaten zien, maar voor bewijs is meer onderzoek nodig. In antwoord op de titelvraag is het advies fysieke training waar mogelijk in te zetten bij personen die verzuimen vanwege klachten aan het bewegingsapparaat en gemotiveerd zijn om een intensieve training te volgen.

 

Dit onderzoek wordt financieel ondersteund door Interpolis en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Frost, H. et al. ‘Randomised controlled trial for evaluation of fitness programme for patients with chronic low back pain’, in: Br Med J 1995; 310: 151-154.

 

Frost, H. et al. ‘A fitness programme for patients with chronic low back pain: 2-year follow-up of a randomised controlled trial’, in: Pain 1998; 75: 273-279.

 

Heuvel, S.G. van den, et al. ‘Sporten, type werk, arbeidsverzuim en welbevinden: resultaten van een 3-jarige follow-up studie’, TSG 2003; 5: 265-264.

 

Lindstrom, I.et al., ‘The effect of graded activity on patients with subacute low back pain: a randomized prospective clinical study with an operant-conditioning behavioural approach’, in: Physical Therapy 1992a; 72: 279-293.

 

Staal, J.B. et al. ‘Graded activity for low back pain in occupational health care: a randomised controlled trial’, in: Ann Intern Med 2004; 140(2): 77-84.

 

Storro, S. et al. ‘Effects on sick-leave of a multidisciplinary rehabilitation programme for chronic low back, neck or shoulder pain: comparison with usual treatment’, in: JJJ Rehab Med 2004; 36 (1): 12-16. Turner, J.A. et al. ‘Effectiveness of behavioral therapy for chronic low back pain: a component analysis’, in: J Consult Clin Psychol 1990; 58: 573-579.

 

Torstensen, T.A. et al. ‘Efficiency and costs of medical exercise therapy, conventional physiotherapy, and self-exercise in patients with chronic low back pain: a pragmatic, randomized, single-blinded, controlled trial with 1-year follow-up’, in: Spine 1998; 23: 2616-2624.

 

Van Tulder, M.W. et al. ‘Exercise therapy for low-back pain (Review)’, in: The Cochrane Library 2004, Issue 4.

 

METHODE

 

De literatuur is gezocht op basis van de recente update van het Cochrane review van Van Tulder en anderen (2004)over het effect van bewegen op lage rugklachten.De studiepopulatie moest bestaan uit mensen met minimaal acht weken klachten aan het bewegingsapparaat. Primair zijn studies geselecteerd die qua interventie overeenkomen met voornoemde beschrijving van fysieke training en die verzuim als uitkomstmaat hadden.Secundair zijn studies opgenomen die alleen klachten of beperkingen als uitkomstmaat hadden,maar waarvan de interventie sterk overeenkwam met fysieke training.Daarnaast zijn nog twee relevante artikelen opgenomen die niet in het review van Van Tulder werden aangehaald. De kenmerken van alle studies worden weergegeven in tabel 1.Om binnen de geselecteerde studies te differentieren naar vergelijkbaarheid met de situatie bij eerdergenoemde verzekeringsmaatschappij, zijn de studies gewaardeerd op interventies in de controlegroep (huisarts/fysiotherapie of iets anders) en studiepopulatie (ongeveer acht weken klachten).Per item konden de studies een plus scoren;de score kon dus varieren van 0 tot 2.In tabel 1 is de uitslag van deze waardering te zien.Bij het formuleren van de conclusie is vooral waarde gehecht aan studies met meerdere plustekens.

 

 

TABEL 1. KENMERKEN VAN OPGENOMEN STUDIES

 

 

Reageer op dit artikel