artikel

Kappers werken gezonder

Geen categorie

Voor de uitvoering van het Plan van Aanpak is het projectbureau healthy hairdresser opgericht. AStri verzorgt, in opdracht van dit projectbureau, de tussen- en eindmonitoring van het arboconvenant. Dit gebeurt door representatieve groepen werknemers en ondernemers periodiek te enqueteren. In de schriftelijke enquetes komen de volgende onderwerpen aan de orde: ziekteverzuim, fysieke belastingsklachten, huidklachten en luchtwegirritaties, preventieve maatregelen die in de kapsalon getroffen zijn, regels en begeleiding bij ziekteverzuim, zwangerschap en bekendheid met de healthy hairdresser campagne.

 

De eerste tussenmeting vond plaats in oktober 2003, een kleine twee jaar na het afsluiten van het arboconvenant. Hiervoor ontvingen zesduizend werknemers (kappers en leerling-kappers) en drieduizend ondernemers een vragenlijst op hun huisadres.

 

De groep ondernemers omvat zowel kapsalons met personeel als zelfstandigen zonder personeel. Deze laatste groep valt bij de kappers ook onder het arboconvenant. In samenspraak met het communicatiebureau is de formulering van de vragen afgestemd op de doelgroep. De kappers en leerlingen worden bijvoorbeeld met ‘je’ aangesproken in plaats van het gebruikelijke ‘u’.

 

Veel zorg is besteed aan de inhoud van de brief met de vooraankondiging en de brief bij de vragenlijst.

 

De respons was dan ook hoog voor dit type onderzoek: 50 procent bij de werknemers en 33 procent bij de ondernemers. Doel van de tussenmeting is na te gaan of er al eerste gezondheidseffecten zichtbaar zijn en vooral ook welke maatregelen inmiddels in de salons worden genomen. Met deze informatie kan de branchebegeleidingscommissie (BBC) gericht bijsturen en de accenten voor de komende periode bepalen.

 

Convenantmaatregelen hebben over het algemeen enige tijd nodig voordat ze effect sorteren. De weg die afgelegd moet worden voordat brancheafspraken kunnen resulteren in zichtbare effecten, is weergegeven in schema 2. Een deel van de instrumenten en maatregelen voor de kappers is pas in de loop van 2003 beschikbaar gekomen, of nog in ontwikkeling. Het proces van implementatie van maatregelen in de kapsalon en van ondersteunende voorzieningen buiten de kapsalon is nog gaande.

 

Wel worden de werknemers en leerlingen al vanaf begin 2003 rechtstreeks aangesproken met de healthy hairdresser campagne. De werknemers hebben dus in de tien maanden voorafgaand aan de tussenmeting al adviezen gekregen over preventie van fysieke en allergene belasting. Hoewel veel maatregelen dus nog effect moeten sorteren, is een eerste vermindering van gezondheidsklachten als resultaat van de healthy hairdresser campagne niet ondenkbaar.

 

In het arboconvenant is een groot aantal preventieve maatregelen afgesproken, die de kapsalons moeten gaan toepassen. De betrokken partijen streven ernaar deze maatregelen in de loop van 2004 vast te leggen in beleidsregels. In tabel 1 wordt de toepassing van een aantal belangrijke maatregelen ter preventie van fysieke en allergene belasting voor werknemers weergegeven. Met de stand van zaken twee jaar nadat het arboconvenant van kracht is geworden. Een deel van de afgesproken preventieve maatregelen, zoals een goed instelbare pompstoel, blijkt al op grote schaal te worden toegepast.

 

Sommige belangrijke maatregelen, zoals het gebruik van handschoenen bij het wassen en spoelen, worden echter nog nauwelijks toegepast.

 

SCHEMA 2.

 

 

TABEL 1.

 

 

Van de leerlingen verricht 60 procent meer dan de helft van de werktijd nat werk en 52 procent doet op een dag wel eens langer dan een half uur achtereen nat werk. Volgens de in te voeren beleidsregels zou dit niet mogen voorkomen. Bij de werknemers liggen beide percentages veel lager, namelijk op elf. Van de leerlingen en werknemers die meer dan de helft van de werktijd nat werk verrichten, heeft 34 procent huidklachten gehad in de voorgaande twaalf maanden. Onder degenen die binnen de normen blijven, is dit maar twintig procent. Dit maakt duidelijk dat degenen die langdurig worden blootgesteld aan nat werk – wat vooral bij leerlingen veel voorkomt – ook meer huidklachten hebben. Het advies is dan ook om vanuit het arboconvenant een extra accent te leggen op het stimuleren van het gebruik van handschoenen tijdens het wassen en spoelen en de reductie van de blootstellingtijd aan nat werk.

 

Hoewel de leerlingen verhoudingsgewijs vaak (te) veel nat werk doen, dient de campagne niet alleen op hen gericht te worden. Omdat er 3,5 keer zo veel werknemers als leerlingen in kapsalons werken, is het aantal werknemers dat aan te veel nat werk is blootgesteld, toch nog bijna even hoog als het aantal leerlingen.

 

Er blijkt ook een duidelijk verband tussen de instelbaarheid van de wastafel en rug- of RSI-klachten.

 

Degenen die de wasbak zo kunnen instellen dat ze zelf een goede werkhouding kunnen aannemen, hebben minder klachten. Hetzelfde geldt voor de instelbaarheid van de pompstoel.

 

 

Voor een groot deel van de maatregelen tegen fysieke belasting zijn de werknemers afhankelijk van hun werkgever: ze kunnen niet direct de aanschaf van nieuwe stoelen of wastafels beinvloeden. Een deel van de maatregelen hebben de kappers wel zelf in de hand. Ze kunnen zelf beslissen om een schaar met pinksteun aan te schaffen, beschermende creme te gebruiken of geen sieraden te dragen.

 

En aan het verzoek pvc-handschoenen (vinyl) aan te schaffen in geval van huidklachten, zal ‘de baas’ meestal wel gehoor geven. Uit de analyses blijkt dan ook dat juist werknemers met huidklachten relatief vaak dergelijke beschermende maatregelen tegen allergene belasting toepassen. De huidklachten vormen kennelijk de aanleiding hiervoor. Het is echter helaas nog niet zo dat ook alle werknemers met huidklachten de beschermende maatregelen toepassen: hier is zeker nog gezondheidswinst te behalen.

 

Bij de nulmeting fysieke belasting in 2000 zijn alleen vakbondsleden aangeschreven. De steekproef voor de tussenmeting is getrokken via het sociaal fonds (ondergebracht bij Relan), en daarmee uit alle kappers en leerlingen in loondienst. In de vragenlijst is wel nagegaan of men al dan niet lid is van de vakbond. Uit de tussenmeting blijkt nu dat vakbondsleden meer rug- en RSI-klachten hebben dan degenen die geen lid zijn. Daarom wordt in de vergelijking met de nulmeting alleen naar de vakbondsleden gekeken. Vergeleken met de nulmeting uit 2000 is het aandeel vakbondsleden met werkgebonden rugklachten met vijftien procent en het aandeel met werkgebonden RSI-klachten met twaalf procent gedaald (tabel 2).

 

Ook de huidklachten zijn verminderd. In 2000 werd het percentage kappers dat op een willekeurige dag last heeft van huidklachten, geschat op vijftien tot twintig. In de huidige meting is dit twaalf procent.

 

Deze ‘daling’ moet echter met voorzichtigheid worden geinterpreteerd: de nulmeting van 2000 is grotendeels op (buitenlandse) literatuur gebaseerd.

 

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingen in huidklachten, rugklachten en RSI bij de kappers gunstig zijn, en zich bewegen in de richting van de afgesproken targets. Of deze ontwikkelingen ook aan het arboconvenant toegeschreven mogen worden, is – vooral wat allergene belasting betreft – onduidelijk, maar zeker ook niet uitgesloten.

 

LITERATUUR

 

Deursen, C.G.L. van en C. van der Burg, Monitoring arboconvenant kappers: de resultaten na twee jaar, AStri, Leiden 2004. Veerman, T.J., Molenaar P.G.M., Burg, C.L. van der & R. Hoffius, De meerwaarde van de Arboconvenantenaanpak, Werkdocument No. 304. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag, maart 2004.

 

 

Reageer op dit artikel