artikel

Kunst of kabaal?

Geen categorie

Orkesten worstelen met deze zorgplicht. Luister naar Peter Iping van de Arbeidsinspectie, landelijk projectleider van, onder meer, de podiumkunsten. In 2002 werkte hij mee aan het arboconvenant voor deze sector, maar hij moet toegeven dat lang niet alle doelstellingen zijn gehaald. ‘We streefden ernaar om het geluid met vijf decibel omlaag te brengen, en ook wilden we minder mensen blootstellen aan gevaarlijk geluid, en ze overhalen om gehoorbescherming te gebruiken. Maar daar zijn we nauwelijks aan toegekomen. Hoogstens hebben we bewustwording op gang gebracht en het onderwerp uit de taboesfeer gehaald: musici laten vaker hun gehoor testen; de orkestleiding weet meer van de risico’s. Het gaat met kleine stapjes.’ Waarom? Hoe komt het dat orkesten zoveel tijd nemen voor de bescherming van hun medewerkers? Niet omdat bovengenoemde cellist de enige was die risico’s liep. Iping: ‘Heb je wel eens bij de Praxis een plank op maat laten zagen? Dan kom je op zo’n 95 dB (A). Maar de pieken van een symfonieorkest reiken tot 100, zelfs tot 105 dB (A). Die komen dus in de buurt van een pneumatische breakhamer. Oke, dat zijn de pieken, maar de gemiddelden zijn ook heel fors. Cellisten zitten dicht op het koper en zo’n 87 dB (A). Dan krijg je ongeveer evenveel te verwerken als wanneer je langs de snelweg loopt en er komt een vrachtwagen langs met een brullende uitlaat. En dat dus uren per dag.’ Evenmin is de cellist de enige bij wie al die decibels hun sporen nalaten. Bij 75 procent van de twaalfhonderd musici in Nederland zijn afwijkingen geconstateerd, zegt Iping. ‘Van sommige klachten had ik nog nooit gehoord. Mensen die in het ene oor een andere toonhoogte horen dan in het andere. Voor een musicus is dat natuurlijk heel vervelend.’ Zijn er dan misschien weinig mogelijkheden voor beschermende maatregelen? Ook dat niet, zegt Iping: ‘Producenten komen met allerlei technische snufjes. Neem de schermen die je tussen de instrumentgroepen in kan plaatsen. Vroeger waren die van plexiglas en dat kaatste al het geluid terug. Dat betekende bijvoorbeeld dat de cellisten veilig zaten, maar dat de koperblazers bij ieder fortissimo de volle laag kregen – van hun eigen instrumenten. Maar nu heb je een speciale absorberende stof die dat soort bijwerkingen niet heeft.’

 

Het voornaamste probleem ligt volgens Iping op een ander vlak. ‘Je kunt een orkest niet vergelijken met een houtzagerij. Daar is geluid een hinderlijk bijverschijnsel, voor musici vormt het hun hoofdproduct. Bovendien: muziek maken is passie, en muziek maken is ook: luisteren. Als violisten, cellisten of trompettisten moeten toegeven dat hun gehoor achteruit gaat, ondergraven ze hun eigen positie. Want vergeet niet: achter ieder van die twaalfhonderd orkestmusici staan er nog tien te trappelen om de fakkel over te nemen. Spelen in een symfonieorkest, dat is de hoofdprijs. Leraar conservatorium is een prachtig vak, maar het voelt toch niet als het ware.’ En er zijn meer tegenkrachten actief. Neem de theaters. Die willen de orkestbak vaak zo klein mogelijk houden, en Iping begrijpt wel waarom. ‘Dan kunnen ze twee extra rijen stoelen bijschuiven en hebben ze meer inkomsten. Maar het heeft ook tot gevolg dat instrumentgroepen dichter op elkaar zitten – en dus krijg je een grotere kans op gehoorschade. Vooral tijdens opera’s zie je soms erbarmelijke omstandigheden. Dan zitten de orkestleden in de orkestbak onder het podium, en porren de collega’s met hun ellebogen in elkaars zij. Ik ken theaters waar orkesten niet meer willen spelen.’ Ook de dirigenten zijn niet altijd Ipings natuurlijke bondgenoten. ‘Mensen als Gergiev en Chailly worden beschouwd als halfgoden’, zegt hij. ‘Als die niet willen dat de afstand tussen de instrumentgroepen groter wordt – omdat dan het klankbeeld verandert – zal dat niet zo snel gebeuren. Niet al die dirigenten hebben … hoe zeg ik dat … hun wortels in landen met een gedegen veiligheidscultuur.’

 

Wat kunnen orkesten doen?

 

– Houd bij de opbouw van het repertoire rekening met het aantal decibels.

 

– Maak gebruik van plaatselijke afscherming.

 

– Vergroot de afstand tussen instrumentgroepen.

 

– Trek geld uit voor akoestische aanpassing van repetitieruimtes, podia en orkestbakken.

 

– Beperk de blootstellingsduur door waar mogelijk afzonderlijke repetities van instrumentgroepen.

 

– Verstrek gehoorbescherming.

 

 

Nederlandse orkesten doof voor klachten inzake geluidsbelasting? Een reactie

 

De heer Passenier schetst in bovenstaand een onjuist beeld van de houding van de Nederlandse orkesten tegenover de geluidsbelasting van musici. Hij had zich, alvorens zich zo stellig uit te laten als hij doet, op de hoogte moeten stellen van hetgeen feitelijk gebeurt als het gaat om de bescherming van musici tegen overmatige geluidsbelasting. De Nederlandse orkesten maken zich tegenwoordig, ook vanwege een goed begrepen eigen belang, wel degelijk zorgen over de geluidsbelasting van hun musici. Er worden maatregelen getroffen om de belasting te beperken en te spreiden. Er worden al geruime tijd beschermings-middelen als oordoppen en schermen ter beschikking gesteld, er wordt geexperimenteerd met orkestopstellingen en de musici kunnen hun gehoor periodiek laten testen. Dirigenten wordt verzocht het fortissimo tijdens repetities te beperken en de musici krijgen voorlichting over de gevaren van hard geluid. Wat niet kan worden ontkend is dat het ‘Arboconvenant Orkest en Gehoor‘ van grote betekenis was voor de bewustwording van de problematiek. De symfonische orkestpraktijk kent een lange geschiedenis, waarin geluidsbelasting een ‘nonissue’ was. Het kostte echt wel moeite om de knop om te draaien en open te staan voor informatie over de gevaren. Ik durf te beweren dat de orkesten het probleem nu zeer serieus nemen en veel doen om het binnen de perken te houden. De heer Iping zal nog aangenaam verrast zijn!

 

Dolf Hofs

 

Het Gelderse Orkest

 

 

Maar Iping ziet nog genoeg oplossingen, niet alleen technische, maar vooral organisatorische. ‘Musici besteden maar een heel klein gedeelte van hun tijd aan de eigenlijke uitvoeringen. Het grootste deel van de tijd zijn ze aan het repeteren. En dus moet je vooral dan de blootstelling terugdringen. Een idee is om aparte repetities te organiseren voor de verschillende instrumentgroepen. Dan zitten de cellisten niet altijd bij het koper. Verder moeten orkesten de luidheid van stukken laten meewegen als ze hun programma samenstellen. Dan kunnen ze die Shostakowitsch-symfonieen afwisselen met een avond Vivaldi.’

 

Tot slot de oordopjes waar we mee begonnen. Vormen die een oplossing? Misschien, zegt Iping, maar niet onmiddellijk voor iedereen. ‘Violisten en altviolisten horen hun muziek via hun oren, maar ook via hun kaak – daar hebben ze hun instrument immers tegenaan geklemd. Als je een van de twee wegen vervormt door gehoordoppen, klopt de balans niet meer, en worden die mensen onzeker.’ Een goed idee dus om jonge musici daar snel aan te laten wennen – al tijdens de opleiding. Volgens Iping is dat geen utopie. ‘Je ziet dat conservatoria veel aandacht besteden aan rsipreventie. Met succes: de leerlingen staan daarvoor open. Die mensen willen graag nog een hele tijd spelen.’

 

INFO

 

Kijk voor meer informatie op www.orkestengehoor.nl. Er wordt momenteel gewerkt aan een arbocatalogus voor de orkesten.

 

 

Reageer op dit artikel