artikel

Nederland gidsland

Geen categorie

De inventarisatie leverde een gevarieerd beeld van initiatieven op, die in drie categorieen zijn samengevoegd:

 

a. vroegtijdige signalering van dreigende uitval wegens psychische (en andere) aandoeningen;

 

b. werkgerelateerde interventies, zoals arboconvenanten, reintegratiemaatregelen en initiatieven voor preventie van angst, depressie en stress (EU);

 

c. socialeverzekeringsmaatregelen: bijvoorbeeld criteria voor de beoordeling van psychosomatische problematiek.

 

In het Verenigd Koninkrijk is literatuuronderzoek verricht naar individuele voorspellers van langdurig ziekteverzuim. Hieruit bleek dat de uitkomsten per studie en context varieerden. Verder constateerden de Engelsen dat een adequate voorspelling het best in de ‘subacute fase’ van het ziekteverzuim kan plaatsvinden, dat wil zeggen na drie tot vier weken. In een aansluitend project, gericht op de screening van werknemers tijdens de ‘ziektewetuitvoering’, bleek depressie een redelijk tot sterke voorspeller te zijn van chronische pijn en arbeidsongeschiktheid. In deze categorie ‘vroegtijdige signalering’ valt ook een Nederlands instrument: de UBOS (Utrecht Burn-out Scale). Bedrijfsartsen kunnen deze gevalideerde vragenlijst gebruiken bij werknemers die op het spreekuur komen. In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk worden soortgelijke instrumenten ontwikkeld.

 

De categorie werkgerelateerde interventies is het grootst. Denk bijvoorbeeld aan standaarden en richtlijnen rond werknemers met psychische problematiek, een terrein waarop Nederland voorloper lijkt te zijn. Zo kennen we de ‘NVAB-Richtlijn handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten’ en de ‘Leidraad psychisch ziekteverzuim’.

 

In het Verenigd Koninkrijk is recent een systematische literatuurstudie verricht naar criteria voor effectieve reintegratiemaatregelen. Daaruit bleek dat er weinig empirisch onderbouwde conclusies zijn over geestelijke gezondheid en werkhervatting. In het onderzoek werd literatuur geevalueerd op drie soorten modellen. Allereerst de Employee assistance programmes (bijvoorbeeld een consulent en stressinterventie). Daarnaast kwamen de Social process models aan bod waarin een ‘job retention worker’ de werknemer met psychische problematiek begeleidt, met de werkgever onderhandelt over aanpassingen, en collega’s en leidinggevenden voorlicht. Ten slotte werd ook de zogenaamde Case management approach tegen het licht gehouden, waarbij een casemanager de behandeling coordineert en met alle betrokkenen binnen en buiten het bedrijf een terugkeerplan maakt.

 

De onderzoekers concludeerden dat de casemanagement-benadering schijnbaar het meest effectief is. Dit is naderhand in een pilotproject getoetst. Diverse landen zijn de afgelopen vijf jaar gestart met voorlichting over ‘moderne’ arbeidsrisico’s als stress, pesten en agressie op de werkplek. In 2002 begon het ‘Europees agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk’ met voorlichting over ‘models of good practice’. Zo is aandacht besteed aan het invoeren van een ‘company mental health policy’ (Verenigd Koninkrijk), trainingen voor leidinggevenden in verband met pesten op het werk (Finland) en de bestrijding van agressie in de gezondheidszorg (Nederland).

 

De EU heeft in 2004 een internationale inventarisatie gepubliceerd over de bevordering van geestelijke gezondheid en preventiestrategieen gericht op angststoornissen, depressie en stressgerelateerde aandoeningen. Twintig ‘models of good practice’ uit verscheidene landen laten zien dat er veel verschillende maatregelen worden uitgeprobeerd, zowel op individueel niveau (coping-vaardigheden verbeteren) en in de sociale omgeving (antipestbeleid) als in de werkomstandigheden (risicofactoren verminderen). De (zeer beperkte) evaluaties van de diverse maatregelen leverden onder meer als aanbeveling op om ‘mental health promotion’ te integreren in het arbobeleid.

 

De laatste activiteiten in de categorie van ‘werkgerichte maatregelen’ zijn de Nederlandse arboconvenanten. Hiervan heeft circa twintig procent betrekking op psychisch ziekteverzuim (stress, pesten, agressie). Dergelijke sectorale afspraken met een tripartiete oorsprong komen in andere landen nauwelijks voor, maar lijken wel bij te dragen aan vermindering van het ziekteverzuim.

 

De laatste categorie initiatieven is vooral ingegeven door de toename van arbeidsongeschiktheid wegens psychische aandoeningen of door signalen vanuit de uitvoeringsorganisatie zelf.

 

In de jaren negentig bleek dat sommige regionale kantoren in Denemarken geen claims accepteerden van werknemers met een psychosomatische problematiek, en andere wel. Bovendien waren die kantoren terughoudend bij het toekennen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan personen met syndromen als fibromyalgie en CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom).

 

Tegenwoordig wordt aan clienten met psychosomatische problematiek vaker een uitkering toegekend dan bij ‘alle overige diagnoses’. Een Deense informant schrijft dit toe aan zowel de druk van patientenorganisaties als aan de onenigheid in medische kringen over aard en prognose van deze aandoeningen.

 

Ook in Duitsland en Belgie is getracht de verzekeringsuitvoering te verbeteren. In Belgie ontwikkelde de medische dienst van het uitvoeringsorgaan een richtlijn voor de beoordeling en begeleiding van chronisch vermoeide zieke werknemers. Daardoor is de gegevensverzameling verbeterd en wordt een vertrouwensrelatie opgebouwd met de client. Daarnaast worden ondersteuning en werkhervatting gemonitord, wordt een werkhervattingsplan afgesproken en getoetst en vindt er aanvullend klinisch onderzoek en contact met de behandelend bedrijfsarts plaats. Uitvoerders meldden positieve ervaringen met deze richtlijn. Het aantal conflicten en bezwaren nam af en er waren minder discussies over de vraag of de ziekte ‘echt’ was of niet.

 

Ook in Duitsland leidde de toename van psychische problematiek tot aanpassingen in de richtlijnen en de beoordelingmethodiek. In het Duitse systeem is de beoordeling niet alleen gericht op het recht op een invaliditeitspensioen, maar ook op de noodzaak van (aanvullende) medische en beroepsrevalidatiemaatregelen. In de nieuwe richtlijn is onder meer opgenomen welke neuropsychologische onderzoeken geindiceerd zijn. Verder wordt van de beoordelende arts expliciet actuele kennis van behandelingen en revalidatiemaatregelen verlangd (bijvoorbeeld bij psychosomatische problematiek, alcohol- en drugsverslaving).

 

Bij bepaalde psychische aandoeningen laait af en toe de discussie op of het beroepsziekten zijn. Een recente studie in dertien landen laat zien dat mentale stoornissen en aandoeningen ten gevolge van psychosociale arbeidsrisico’s niet als beroepsziekten worden erkend (Eurogip, 2004). De enige mogelijke uitzondering betreft posttraumatische problemen en arbeidsongeschiktheid als gevolg van een overval.

 

Hoewel psychische aandoeningen (nog) nergens op een lijst van beroepsziekten voorkomen, heeft de werknemer in enkele landen wel zelf de gelegenheid aan te tonen dat de arbeidsongeschiktheid in overheersende mate ‘door het werk’ is ontstaan. Desondanks blijkt deze weg slechts in uitzonderingsgevallen tot erkenning als beroepsziekte te leiden. In enkele landen, zoals Italie en Zweden, zijn recent projecten gestart om na te gaan hoe de causale relatie tussen werk en psychische problematiek (beter) kan worden aangetoond. Vooralsnog is er in de meeste landen op dit terrein echter grote terughoudendheid.

 

In Nederland staat de curatieve sector meer op afstand dan in andere landen en ook staat men hier niet te wachten op het verplicht afgeven van medische attesten. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling kwam pas in het spotlicht te staan toen de dubbele keuring voor vrouwen met psychische klachten werd ingevoerd. Nederland was dan ook niet het eerste land waar criteria en procedures voor de beoordeling van werknemers met psychische klachten werden gereviseerd. Wel lijkt Nederland een koppositie in te nemen als het gaat om het ontwikkelen en invoeren van richtlijnen en leidraden die het gedrag van diverse actoren moeten sturen. Dit wordt vergemakkelijkt doordat elke werkgever en werknemer een beroep kan en moet doen op een bedrijfsarts. Maar ook het brede maatschappelijke draagvlak is frappant: uiteenlopende maatschappelijke organisaties propageren procedures of plannen van aanpak. Ten slotte wordt er in het buitenland vaak op gewezen dat Nederland met de ontmedicalisering veel verder is dan andere landen. Voorlopig beslissen daar de behandelend arts en eventueel de verzekeringsgeneeskundige nog over werkhervatting. Bij ons pakken de werkgever en de werknemer zelf het probleem aan, waarbij zij de bedrijfsarts slechts een adviserende rol toedichten.

 

Bakkum, J.P.A. en R. Prins, ‘Beroepsziektelijsten: een onmisbaar instrument in omringende landen’, in: TBV, 12, nr. 1.

 

Eurogip/European Forum, Work related mental disorders: what recognition in Europe? , Paris, 2004.

 

Iske, P.L., B.C.H. de Zwart, W.H. Boersma, R. Prins en J.A. Duvekot, Kennisinfrastructuur nieuwe arbeidsrisico’s, voorstel voor een verbeterde signalering en verspreiding van kennis over nieuwe arbeidsrisico’s, AStri, Leiden, 2005.

 

Prins, R. en W. Heijdel, Disability benefits due to mental health problems: an overview of figures and measures in six countries, AStri BSV, 2004.

 

Reageer op dit artikel