artikel

NEN 4000: WAT DE NORM NIET OMSCHRIJFT

Geen categorie

Een benadering gaat er vanuit dat de bhv’ers de risico’s in hun bedrijf moeten kennen en meer niet. Dat betekent een beperkte, inhoudelijke opleiding. Enkelen krijgen een aanvullende opleiding tot ploegleider of hoofd bhv om leiding te geven. Een andere benadering gaat uit van een al round-opleiding van de bhv’er. Beide hebben voor- en nadelen. De eerste benadering heeft als voordeel dat niemand meer leert dan noodzakelijk, wat tijd en kosten scheelt. Als nadelen zijn te noemen dat een minimale opleiding van bhv’ers ervoor zorgt dat de kennis eerder wegzakt, dat de bhv’er minder gemotiveerd is en dat er bij uitval van de leidinggevende in de bhv veel tijd verloren gaat met het organiseren van de hulpverlening als anderen dat niet geleerd hebben.

 

De tweede benadering heeft als nadeel dat de bhv’ers een aantal vaardigheden leren die ze waarschijnlijk niet zullen toepassen. De opleidingskosten zijn dan in verhouding hoog. Het ligt voor de hand om kosten en voordelen goed tegen elkaar af te wegen. De voordelen zijn hier wat bij de andere benadering de nadelen waren: gemotiveerde bhv’ers die onmiddellijk zelfstandig kunnen handelen, ook als de leiding niet (bijtijds) aanwezig is, en een stabielere basis door bredere kennis. Bovendien werken bhv-organisaties steeds vaker samen met hun buren, vooral in bedrijfsverzamelgebouwen, en dan bevordert bredere kennis de uitwisselbaarheid.

 

De vraag of een basiscursus voldoende is en zo ja, in welke gevallen, houdt de gemoederen bezig. Als een werkgever niet te veel uit wil geven, spelen marktpartijen daarop in. De een biedt meer waar voor zijn geld en de ander biedt de waar aan voor minder geld. Een derde gaat overleggen om samen tot de beste prijskwaliteitverhouding te komen.

 

Een bedrijf met een verhoogd risico heeft onvoldoende kennis in huis met alleen bhv’ers met een opleiding op basisniveau. Zo’n opleiding is geschikt voor werknemers op de werkvloer, die direct aanwezig zijn bij een incident. Maar voor continuiteit in de hulpverlening is deze te mager.

 

Voor het snel ter plaatse zijn en het verrichten van de noodzakelijke levensreddende handelingen kan een basiscursus voldoende zijn. Voorwaarde is dan wel dat de kennis met regelmatige herhalingen of bijscholing onderhouden wordt. Hetzelfde geldt voor het ontruimen van een gebouw: een basiscursus is meestal voldoende. Toch wordt er in de praktijk vaak meer van de bhv’er verwacht dan levensreddende handelingen verrichten alleen. Hulp bieden aan niet-zelfredzamen bij een ontruiming, bijvoorbeeld. Om iemand dan veilig de trap af te krijgen, moet je toch echt een keer geoefend hebben met een evacuatiestoel.

 

De wet zegt niet hoe ver je hier moet gaan. De wet zegt ook niet dat een bhv’er alle taken moet kunnen vervullen. De wet geeft alleen een aantal taken aan de werkgever waar deze een bhv-organisatie voor moet hebben. De onderlinge verdeling van die taken is de verantwoordelijkheid van de werkgever.

 

Belangrijk is dat bij een incident direct hulp verleend wordt. En dat als de hulpverlener te weinig kennis of ervaring heeft, er zo snel mogelijk een ander bij komt. Een allround opgeleide bedrijfshulpverlener (spoedeisende hulpverlener) bijvoorbeeld, die de hulpverlening snel kan overnemen. Zulke bhv’ers zijn te beschouwen als deskundige bijstand aan de werkgever op het gebied van bedrijfshulpverlening.

 

Met een cursus ploegleider of hoofd-bhv doet de organisatie alleen iets aan het leidinggevend vermogen. Maar niets aan het verbreden en verbeteren van de noodzakelijke kennis en vaardigheden. Een allround bhv-opleiding kan een beter functionerende bhvorganisatie opleveren. In dat opzicht zijn er duidelijk verschillen tussen de twee benaderingen.

 

De hierarchische benadering van het NIBHV en de NVB zijn geent op de organisatiestructuur van de brandweer: een bhv-coordinator, een hoofd bhv, ploegleiders en bhv’ers, waarbij sommigen met de aantekening ‘bhv+’. Het hoofd bhv stuurt de bhv’ers aan. De meeste organisaties zijn zo ingericht.

 

In andere organisaties kan iedere bhv’er als hoofd optreden op momenten dat dit nodig is. Deze moet wel al round opgeleid zijn, dus met managementvaardigheden. En er zijn varianten. Uitgaand van de basiskennis met de aanvullende vaardigheden die uitsluitend betrekking hebben op de aanwezige bijzondere risico’s, focust de opleiding op de bekwaamheid en de motivatie van de bhv’ers in de praktijk. Dat kan alleen met een strakke begeleiding, met de bhv als proces in de kwaliteitscirkel PDCA (plan, do, check, act), zoals ook NEN 4000 en OHSAS 18001 zijn opgezet.

 

Certificering in de bhv is vaak onderwerp van gesprek en leidt tot nog meer spraakverwarring.

 

Om te beginnen gaat het om de persoon van de bhv’er . Voor een met goed gevolg afgelegde theorietoets en een subjectief beoordeelde praktijkdeelname krijgt de bhv’er een certificaat. Voor een gevolgde herhaling en soms zelfs voor het bijwonen van een landelijke studiedag, ook. De verschillen zijn groot, en dan hebben we het nog niet over certificaten van officiele certificeringsinstellingen. Ook al maken ze allen gebruik van de internationale norm voor persoonscertificering, NEN-EN-ISO-IEC 17024, er bestaan ook daar verschillen. Een aantal is geaccrediteerd door de Raad voor de Accreditatie (RvA), een door de Centrale Accrediteringsraad (CAR). Niet ieder bij de RvA aangesloten instituut erkent de CAR, vanwege de eenvoudiger procedures en de lagere kosten. Ook kunnen bhv-organisaties en de bedrijven of instellingen die NEN 4000 hanteren, gecertificeerd worden. OHSAS 18001 of NEN-EN-ISO 14001 bieden daartoe de basis.

 

Ten slotte speelt de discussie over certificering van opleidingsinstituten. Het NIBHV heeft een keurmerk voor de aangesloten bedrijven. Dat is gebaseerd op een interne kwaliteitscontrole. Die is niet per definitie slecht, maar is niet gebaseerd op een onafhankelijke externe toetsing. Het bhv-platform heeft een eigen certificeringsregeling in de maak voor de aangesloten opleiders en adviseurs, en doet dat in overleg met een aantal externe partijen. Deze is nog niet operationeel. Ook zijn er opleiders met een NEN-EN-ISO 9001-certificaat die in hun kwaliteitshandboek naar NEN 4000 verwijzen. Dat is geen inhoudelijke toets, maar het biedt de klant wel een ijkpunt.

 

Het is geen toeval dat deze onderwerpen niet in NEN 4000 zijn gekomen. Consensus is een moeizaam proces en een commissie wil op een zeker moment een knoop doorhakken, met respect voor alle argumenten over en weer, om vast te stellen waar wel overeenstemming over bestaat. De rest zal groeien.

 

Met dank aan Rene van der Helm, Meduca (www.meduca.nl)

 

Reageer op dit artikel