artikel

No cure no pay

Geen categorie

Als de tegenpartij aansprakelijkheid erkent, zal die partij de kosten volgens de wet moeten vergoeden en is er in theorie geen probleem. Dat doet zich echter wel voor als de tegenpartij ontkent aansprakelijk te zijn of slechts gedeeltelijk aansprakelijkheid erkent. In dat geval moet de werknemer de kosten zelf dragen om uiteindelijk toch nog bewijs te kunnen leveren op grond waarvan alsnog aansprakelijkheid wordt vastgesteld.

 

Wat de advocaatkosten betreft, valt er vaak nog een oplossing te vinden via de gefinancierde rechtsbij-stand. Dit is het overheidssysteem dat voorziet in vergoeding van de advocaatkosten voor rechtzoekenden met een gering inkomen. Afhankelijk van zijn of haar inkomen zal de werknemer een eigen bijdrage, in hoogte varierend tussen 89 en 761 euro, moeten betalen. Het systeem van gefinancierde rechtsbijstand voorziet echter niet in een vergoeding van de kosten van andere deskundigen dan de advocaat. Deze kosten moet de rechtzoekende dan ook zelf dragen. Juist voor mensen met een beperkt inkomen is dit een probleem.

 

De laatste tijd is in Nederland de discussie over de mogelijkheid tot het invoeren van een no cure no pay-systeem voor (letselschade)advocaten weer actueel. Op dit moment verbiedt de Nederlandse Orde van Advocaten het advocaten om een zaak aan te nemen op basis van no cure no pay. Binnen de advocatuur wordt hierover nog verdeeld gedacht. Een kleine meerderheid van de letselschadeadvocaten is voorstander van het onder bepaalde voorwaarden invoeren van een no cure no pay-systeem.

 

De bezwaren die een aanzienlijk deel van de advocatuur tegen invoering van dit systeem heeft, hebben zeker niet louter betrekking op de financiele belangen van de advocaat zelf. Eerder is het de vraag of de client er (altijd) mee gediend is wanneer hij een deel van zijn schadevergoeding moet afstaan om de kosten van de letselschaderegeling te financieren. Hierbij speelt mee dat het Nederlandse systeem dusdanig is, dat de werknemer slechts een vergoeding krijgt voor daadwerkelijk geleden schade en geen cent meer. Smartengeldvergoedingen zijn niet hoog in Nederland. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Amerikaanse systeem waarin aan de werkgever de verplichting kan worden opgelegd een gigantische schadevergoeding te voldoen, die meer het karakter heeft van een bestraffing en die losstaat van de door de werknemer concreet geleden schade.

 

Naar verwachting zullen kleine advocatenkantoren niet op basis van no cure no pay gaan werken. In (arbeids)letselschadezaken is de rechtsbijstand over het algemeen arbeidsintensief en kunnen dossiers soms pas na jaren worden gesloten. In die tijd heeft de advocaat geen inkomen, maar moet hij volgens het no cure no pay-systeem wel alle kosten voor ingeschakelde deskundigen voorschieten. Als een rechtzoekende een zaak op no cure no pay-basis wil laten behandelen, zal zijn keuze voor een bepaalde advocaat derhalve aanzienlijk worden ingeperkt. Ook valt te verwachten dat de minder lucratieve zaken niet door no cure no pay-advocaten zullen worden aangenomen.

 

Bij een no cure no pay-overeenkomst, gesloten tussen een advocaat en diens client, wordt afgesproken dat de advocaat slechts dan honorarium en vergoe-ding voor gemaakte kosten zal ontvangen, als het beoogde en van tevoren schriftelijk vastgelegde resultaat is behaald. Dit resultaat kan iedere vorm van schadevergoeding zijn die wordt verstrekt, maar ook een hogere schadevergoeding (waarbij een bedrag kan worden vermeld) dan tot dusverre is geboden. In de overeenkomst tussen advocaat en client wordt ook de hoogte van het honorarium van de advocaat vastgelegd (bijvoorbeeld 25 procent van de uiteindelijke schadevergoeding). Als het beoogde resultaat niet is behaald, ontvangt de advocaat in principe geen enkele betaling voor zijn werk.

 

Op 25 maart 2004 stemde het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten in ruime meerderheid in met een vijf jaar du-rend experiment met no cure no pay in letsel- en overlijdensschadezaken. Dit houdt in dat het de letselschadeadvocaat vanaf 1 november 2004 onder voorwaarden vrij staat om met de client een honorariumafspraak te maken, die van het resultaat afhankelijk wordt gemaakt en op grond waarvan de advocaat een (evenredig) deel toekomt van de waarde van het door hem bereikte resultaat. Aan dergelijke honorariumafspraken heeft de Orde van Advocaten echter voorwaarden gesteld, die onder andere betrekking hebben op het inkomen of vermogen van de client. Zo moet er sprake zijn van een client die ‘redelijkerwijs niet in staat is de kosten van rechtsbijstand te betalen’. Daarmee wordt tevens de achterliggende gedachte achter de regeling duidelijk: de Orde hoopt dat rechtzoekenden een betere toegang krijgen tot rechtsbijstand. Een andere voorwaarde is dat de advocaat een schriftelijke opdrachtbevestiging opstelt ten behoeve van de client. Hierin moeten diverse afspraken worden vastgelegd, zoals een beschrijving van de opdracht, een keuze uit honoreringsmogelijkheden (bijvoorbeeld geen resultaat: geen beloning; geen resultaat: minder beloning; wel resultaat: hoger honorarium) en een regeling voor het tussentijds intrekken van de opdracht.

 

Omdat de Nederlandse Orde van Advocaten de ontwikkelingen gedurende het experiment nauwgezet wil volgen, zijn de advocaten verplicht de schriftelijke opdrachtbevestiging geanonimiseerd naar de Orde te sturen. De advocaat dient daarbij gemotiveerd aan te geven waarom hij van mening is dat de client redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht de kosten van rechtsbijstand te betalen. Het experiment zal uiteindelijk worden geevalueerd. De tijdelijke opheffing door het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten van het verbod op no cure no pay is nog niet helemaal zeker. De overheid onderzoekt momenteel de mogelijkheden om een fonds op te richten, waaruit met name de kosten voor deskundigen kunnen worden betaald. Mocht dit tot een gunstig resultaat leiden, dan zal het College van Afgevaardigden zich opnieuw over de vraag buigen of het experiment per 1 november 2004 in deze omvang doorgang moet vinden.

 

Al met al zitten er nog veel haken en ogen aan het systeem van no cure no pay. Op welke manier het systeem in de Nederlandse rechtspraktijk geimplementeerd zal worden, is op dit moment nog onduidelijk.

 

DONNER LIGT DWARS

 

Minister Donner van Justitie is faliekant tegen het in dit artikel beschreven experiment met ‘no cure no pay’ bij letselschadezaken. Op dit moment bereidt de bewindsman een vernietigingsbesluit voor. Donner is tegenstander van resultaatafhankelijke beloning omdat hij die in strijd acht met ‘de essentiele elementen die eigen zijn aan het beroep van advocaat’, aldus een persbericht van het ministerie van Justitie.De Orde van Advocaten is verplicht om de minister toe-stemming te vragen voor haar verordeningen. In 1955 is voor het laatst een verordening van de Orde vernietigd.

 

 

Bron: Staatscourant nr. 118, 24 juni 2004

 

Reageer op dit artikel